Posts tonen met het label Sri Lanka. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sri Lanka. Alle posts tonen

donderdag 14 mei 2026

Reisverslag Sri Lanka deel vijf: een verbrand einde

Donderdag 15 januari
Uitbolmodus. Dat is mijn modus operandi voor de zelfuitgeroepen excursiekampioen. Op andere reizen ben ik er steeds als de kippen bij om optionele excursies te doen. Waarom? Omdat ik op deze bestemmingen maar één keer kom. Dus dan doe ik met veel plezier die dure helikoptervlucht, een spannend raftingtochtje of die iconische mountainbiketour. In Sri Lanka ben ik echter de - letterlijke - achterblijver. Opnieuw is er vandaag een excursie waar ik als enige verstek voor geef. Wanneer het koude winterweer België overheerst, wil ik maximaal profiteren van de Sri Lankaanse zon die hier wel erg hard brandt. 

Mijn doelstelling is om ergens te snorkelen, maar één blik op het water maakt me duidelijk dat ik deze plannen mag laten varen. Verkopers willen me ook laten varen, om te snorkelen uiteraard. Het troebele water en dode koraalriffen ontraden dit echter. Ik beperk me tot zwemmen in de zee die bij het hotel verrassend klein blijkt te zijn. Een veiligheidszone is vastgelegd met touwen en iedereen moet in deze zone blijven. Iedereen blijkt een hele hoop mensen te zijn. Ik moet steeds opletten dat ik niet tegen iemand anders bots. Omgekeerd gebeurt dat minder. Regelmatig voel ik een schampende arm of been van een andere toerist. Ontspannen zit er dus niet echt in bij deze drukte. 

Bij het verlaten van de zee ontdek ik echter iets veel erger. Ik ben zo rood als een kreeft. Ik had me niet ingesmeerd met zonnecrème met als resultaat dat mijn hoofd, nek en schouders nu verbrand zijn. Niet slim dus... In de namiddag zoek ik de schaduw op van het balkon van mijn hotelkamer. De Aanslag van Harry Mulisch heb ik als nieuwe lectuur op mijn e-reader gedownload. De zin voor proza staat bij mij echter op een laag pitje en ik sla de Knack open die nu al twee weken meesleur in mijn koffer. De artikels in dit tijdschrift zijn kort en lees ik op een tiental minuten. Ik spendeer echter meer tijd aan het mijmeren over de terugkeer naar België en wat deze vakantie me gebracht heeft. 

Het is voor mij een atypische vakantie geworden. Op mijn reizen ben ik vrij actief, in Sri Lanka ben ik echter de meest inactieve. Minder excursies, meer relaxen. Waar dat in Trincomalee onverwacht een grote meevaller is geworden, is dat hier eerder een gevalletje van uren aftellen. Sri Lanka roept dus gemengde gevoelens bij me op. Het is waarlijk een prachtig land dat je zeker moet bezoeken als je de kans krijgt. De invulling van de reis laat hier en daar toch wel een paar steken vallen. Het overtuigt me om later dit jaar zelf op reis te gaan, solo. Als het dan tegenvalt, is het tenminste mijn eigen, dikke schuld. 

In mijn hoofd smeed ik al plannen voor Japan totdat ik bij de cultuurbijlage van de Knack kom. Juist, ik ben nog aan het lezen dus! Fysiek ben ik nog in Hikkaduwa, maar mentaal waan ik me al terug in de Belgische vrieskou. Het inpakken van mijn koffer is de ultieme manifestatie van deze overgangsfase van vakantiesfeer naar bittere realiteit. Een laatste avondmaal in dit badplaatsje is wat er me nog rest in dit tropische paradijs voor ik morgen terugvlieg. 

Vrijdag 16 januari en zaterdag 17 januari
In aparte busjes worden we vandaag naar de nationale luchthaven gebracht omdat iedereen een andere vlucht heeft. Ik vertrek om één uur 's middags. Ik krijg dus nog de kans om een halve dag te relaxen, maar het wordt uitslapen en een uitgebreid ontbijt. Iets wat ik enkel in Hikkaduwa heb kunnen doen. Niet louter uit keuze, want er valt helaas weinig te beleven bij deze kustplaats. Dus wordt dit weer het beproefde recept van lezen en inpakken. Een succesformule die ik gisteren ook al heb toegepast. 

Na het afscheid van de reisgenoten arriveer ik om 15u aan de luchthaven. De ideale kans om mijn laatste rupees op te doen. Nou, dat is buiten de luchthaven gerekend waarin ze enkel dollars aanvaarden en dus niet hun eigen munteenheid. Op dat vlak mogen ze in Sri Lanka toch wel wat chauvinistischer zijn... De vlucht naar Doha in Qatar verloopt zonder enige problemen. Ik land om tien uur 's avonds en ik mag mezelf nog vier uur entertainen totdat ik de volgende vlucht naar Brussel kan nemen. Half slaapdronken wandel ik door de gigantische luchthaven waar de prachtige botanische tuin mijn enige reden is om niet in slaap te vallen. Dat en de cappuccino die ik hier gedronken heb. Ik heb er wel mijn nier voor moeten verkopen om het te kunnen betalen, maar ik ben nog steeds wakker!

De laatste vlucht naar Brussel duurt wat langer, maar ik mag wel plaatsnemen in een moderne Dreamliner. Het is een plezier om in dit toestel mee te vliegen en de uren vliegen dan ook voorbij. De klok slaat zeven uur 's ochtends lokale tijd wanneer ik in Zaventem land. Ik kijk door het raam. Mijn ogen ontmoeten een grauwe hemel waar wolken het onophoudelijk laten regenen in een koude die net de vriestemperatuur overstijgt. De realiteit op zijn meest Belgisch.  

maandag 20 april 2026

Reisverslag Sri Lanka deel vier: in een hinderlaag gelokt door een olifant

Maandag 12 januari
Thee is warm water met kruiden. Het is een mening die ik al een hele tijd ben toegedaan en na deze dag is dat idee alleen maar gesterkt. Vandaag stoppen we onderweg bij Rothschild Tea Estate bij Pussellawa in het hoogland van Sri Lanka. Dit eiland staat synoniem voor theeproductie en dan is een bezoek aan een theeplantage een vanzelfsprekendheid. Ik ben dus geen verwoed theedrinker, maar een demonstratie vind ik altijd wel interessant. Het bezoekje begint bij de theefabriek en hier legt een Singalese dame uit hoe de theeblaadjes worden geperst, gedroogd en gefermenteerd. De uitleg voelt een beetje klinisch aan. Het wordt in recordtempo afgehaspeld op een monotone manier. Dit voedt mijn gedachte dat er een aanzienlijke afstand is tussen toerist - die hier één keer komt - en verteller - die alles letterlijk tienduizend keer heeft verteld. 

Om ons in te beelden hoe zwaar het leven van theeplukkers is, mogen we zelf een rondje theeblaadjes plukken. Twintig kilogram moeten de dames per dag plukken. Ik geraak op tien minuten nog niet eens aan honderd gram. Kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit. Die kwaliteit zou ook terug te vinden moeten zijn bij de diverse theeën die we achteraf proeven. Groene thee, zwarte thee, ik proef vooral smaakloze thee. Zoals ik zei: thee is warm water met kruiden. De afsluiter is andermaal een psychologisch verkoopspelletje met het aanwezige toeristenbestand. Een aanwezige verkoopster vraagt me of ik iets wil kopen, ik zeg dat ik die intentie niet heb. Why are you here then? Een filosofische vraag die ik op dat moment ook aan mezelf stel.

De dag is namelijk op dezelfde wijze begonnen. Er bestaat vanuit de groep weinig animo om het programma te volgen. Daar staat een uurtje rafting op de planning, maar een wildstromende Kitulgala kent weinig fans. Kanchi voorziet een alternatief waarvan ik koude rillingen krijg over mijn gehele lijf. Een demonstratie bij een zijdewinkel. De demonstratie is deze keer een videoband die wordt afgespeeld. Zelfs tourist traps worden geautomatiseerd dezer dagen. Het mag gezegd worden dat de zijden kledij er bijzonder fraai uitziet, maar ik draag zoiets niet. Ik koop het niet in België, dus waarom zou ik het in Sri Lanka dan wel kopen? Misschien om de tijd te doden, want een half uur wachten heeft nog nooit zo lang geduurd als hier. 

Tussen de verkoopdemonstraties door rijden we van Kandy naar Nuwara Eliya dat zich in het hoogland van Sri Lanka bevindt. Op een hoogte van tweeduizend meter is Nuwara Eliya de hoogste stad van Sri Lanka. De weg ernaartoe maakt opnieuw duidelijk wat voor enorme schade de cycloon Ditwah heeft aangericht. Aardverschuivingen hebben vele huisjes weggespoeld, ontwortelde bomen versperren de wegen. In de bus zien we hoe een half ontwortelde boom wordt neergehaald. De kans op vallen is simpelweg te groot. Het contrast met deze schilderachtige omgeving kan haast niet groter zijn. De ellende die de cycloon heeft aangericht wordt moeiteloos afgewisseld met adembenemende uitkijkpunten. Theeplantages en regenwoud vinden elkaar moeiteloos in dit deel van Sri Lanka. 

Rond vier uur komen we aan in Nuwara Eliya en dat betekent dat ik mijn kunsten als straatfotograaf nog eens kan vertonen. Het stadje is namelijk gekend omwille van haar Victoriaanse architectuur. Tot mijn ontgoocheling leer ik dat het slechts een korte stop is bij een fruitmarkt, postkantoor en overdekte marktplaats. Het hotel bevindt zich een vijftal kilometer buiten de stad en we moeten daar rond vijf uur arriveren. Na twee keer als een domme toerist behandeld te zijn, kan een derde keer er wel bij, zeker. Wat zeggen ze dan, derde maal is scheepsrecht?      

Om de benen te strekken ga ik eten in Hawa Eliya, een dorpje dat vlak naast Nuwara Eliya ligt. In het fraaie avondrood vergaap ik me op het reusachtige Pedro Tea Estate dat gelegen is in een prachtige, glooiende vallei. Ons hotel ligt in niemandsland, maar wel attractief niemandsland. De dalende voettocht naar het dorpje Hawa Eliya duurt ruim veertig minuten, maar het geeft me positieve energie. Energie die ik de gehele dag gemist heb. Het restaurantbezoek in het dorpje levert een heerlijk gevulde maag op die me goede moed geeft voor de klim naar het hotel. Die doe ik in complete duisternis, maar gelukkig brengt het lampje van mijn smartphone redding. Enthousiast rijdende tuktuks ontwijken me net op tijd. De enige keer van de dag dat ik niet als wandelende portefeuille word gezien, maar wel om wie ik echt ben: een domme toerist die in de weg loopt.  

Dinsdag 13 januari
Het einde van de wereld is magisch. Tot die figuurlijke conclusie kom ik wanneer ik de gelijknamige wandeling maak bij Sri Lanka's meest beroemde hoogvlakte, de Horton Plains. Op een uur waarvan de goden het verbieden om op te staan bega ik een zonde door dit wel te doen. Kwart voor vijf. De wekker van mijn telefoon gaat. Kleine oogjes gevolgd door een brede geeuw. Wil je de mooiste natuur van Sri Lanka bewonderen dan moet je als reiziger er wel wat voor over hebben. Wat volgt is een rit van ruim anderhalf uur over de kleinste wegen die ik in Sri Lanka heb gezien. Of eerder niet heb gezien. Buiten is het zo pikkedonker dat ik enkel de gele gloed van de koplampen waarneem. De twee chauffeurs van dienst - we zijn met twee jeeps - kennen deze route van buiten. Ze doen het haast blindelings. Ook figuurlijk welteverstaan.

Er volgt een grondige check bij de inkom van het park. Er mogen namelijk geen voedingsresten mee. En drones. Medereiziger Bas had die per ongeluk wel mee in zijn rugzak en dat is de reden waarom we een kwartier op hem wachten. Om zeven uur mogen we er toch aan beginnen en het begin belooft al veel goeds. Een open vlakte met patana-graslanden ontvangt ons hartelijk met de mooiste subalpiene vegetatie die ik in jaren heb gezien. Het lot is ons deze keer genadig en een milde winterzon eist haar stek aan de hemel op. In een zacht golvend terrein wacht het eerste hoogtepunt ons na een kilometer op. Chimney Pond is een kleine plas waar een kleine waterval in stroomt. De kunstmatige plas ligt er ietwat verloren bij in dit idyllische landschap. 

Volgens mijn reisgids doet dit landschap denken aan de Schotse hooglanden, maar als ik terug mijmer naar mijn andere reizen zie ik toch meer gemeenschappelijke elementen met Nieuw-Zeeland dan Schotland. Met name de subalpiene vegetatie doet me denken aan de bergen op het zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Na drie kilometer transformeert het uitzicht. De graslanden en rhododendrons maken plaats voor een montaan woud met de werkelijk fenomenale Baker's Falls als climax. Een klein platform helpt bij het bezichtigen van deze iconische waterval. In het dichte woud horen we een luid gekrijs. Het is de onzichtbare Ceyloenhaan die zich graag laat horen. We hebben echter oog voor een andere bijzonderheid: de nelu. 

Dit is de lokale naam voor een bloem die slechts om de twaalf jaar groeit en het toeval wil dat de bloeiperiode op zijn einde loopt wanneer we deze wandeling doen. Een vloed van groene struiken getooid met bloemen kleuren het bos met een paarse schakering die de nelu zo typeert. Dit is een  moment van zien, horen, ruiken én voelen. De wandelaar voelt de grootsheid aan van deze plek. Ruikt de frisheid van het bos. Ziet de pracht van de flora. Het is een zintuiglijke overstroming. Mijn cerebrale cortex heeft moeite om al deze sensorische ervaringen te plaatsen. Het overweldigt me. Ik ben blij dat er nog zulke mooie plaatsen op aarde bestaan. Maar ook droevig omdat ik in de wetenschap leef dat de rest van de wandeling minder zal zijn. 

De passage na het bos bevestigt dit. Zo ver het oog rijkt is er een kale vlakte. Rotsen zijn hier in de meerderheid, vegetatie laat zich slechts sporadisch zien. Het zijn kilometers die ik moet afmalen om het einde van de wereld te zien. At World's End, zo heet namelijk het beroemdste uitkijkpunt van deze wandeling. Het is eveneens de naam van deze wandeling. Een klif van bijna duizend meter gaapt naar beneden. Ik verwacht een loodrechte klif, maar het is eerder lichtjes getrapt. Het uitzicht is mooi. Deze keer vechten mijn ogen geen strijd uit met de wolken en staar ik naar het einde van de wereld. Bij het einde van de wereld ligt klaarblijkelijk een kunstmatig stuwmeer. Zo wordt het einde plots een stukje mooier. 

Na een langere pauze begeef ik me alleen op pad. Een klein rotsachtig singletrack pad verbindt de twee uitkijkpunten At Worlds End en Mini World's End. Het kan op deze route best wel druk worden, maar nu heb ik deze plek even alleen voor mezelf. Door het dikke struikgewas en bomen kijk ik uit op de patana-grasvelden die ik anderhalf uur geleden doorkruiste op dit plateau. Af en toe prijkt er een plas tussen de struiken. Ik hoor de geluiden van zangvogels. Vogels waarvan ik de naam niet ken en niet wil kennen. Hun gezang is het enige wat ik nodig heb om dit deel van de route op te luisteren. Ik en de natuur. De natuur en ik. Totdat dertig seconden later er een groepje rumoerige wandelaars aankomt. Het vogelgezang is overstemd. Ik ben afgestemd. Afgestemd om dit lawaai te negeren. 

Het volgende uitkijkpunt is dus mini en zo ervaar ik het ook. Het perspectief is wat minder, de daling naar beneden ook. Nog steeds mooi, maar ik voel me als een postbode die de ene brief na de andere in een bus deponeert. Het voelt wat routineus aan. Ik stop hier dus niet lang en ik begin aan de laatste kilometers van deze wandeling. De route is nauwelijks negen kilometer lang. Het meest technische stuk breekt aan. Het is een beetje opletten voor rotsen en stenen. Het gaat eveneens gestaag omhoog. De wandeling wordt een stukje wilder. Bloemen en bossen maken plaats voor ruwheid. De route krijgt een vleugje avontuur mee. Niet dat ik hier behoefte aan heb na mijn zware klim in de Knuckles Mountain Range twee dagen geleden. 

Bij deze route in de Horton Plains heb ik constant genoten, bij mijn vorige route constant gevochten. Met mezelf, met de omgeving. Daarom vullen deze wandelingen elkaar ook zo mooi aan. Tegen mijn medereizigers vertel ik dat het één van de mooiste wandelingen is die ik ooit heb gedaan. Ik denk niet dat ik dat zou gezegd hebben als ik de wandeling in de Knuckles Mountain Range zou gemist hebben. De Horton Plains voelen aan als een sensorische overweldiging waarvan ik kan genieten in positieve zin omdat ik mijn limieten heb opgezocht twee dagen geleden. Soms moet je afzien om te weten wat genieten is. Met deze filosofische gedachte in het hoofd keer ik terug naar het hotel. De rest van de dag wordt opnieuw pendelen. 

Met het kleine busje dalen we uit de hoogvlakte en zien we regelmatig nog de sporen die de cycloon Ditwah heeft achtergelaten. Soms zit ik met een verstokte adem te kijken naar deze onheilspellende beelden. Ook al heb ik het eerder gezien. In Ella, een lokaal backpackersparadijs, houden we een langere stop. Normaal gezien staat er ook een bezoek aan het pelgrimsoord Kataragama op het programma, maar niemand kan zich hier nog warm voor maken. De Culturele Driehoek heeft ook mij genekt. Ik geef mijn ogen de kost in het bruisende Ella. Er volgt daarna opnieuw een fotostop bij de Ravana Ella Falls. Een waterval van vijfentwintig meter hoog die zich graag laat fotograferen.                    
De lange dag eindigt nabij Tissamaharama, een plek waarvan het toeristisch levensbestaan is ontleend aan haar nabijheid van het Yala NP. In de late namiddag is iedereen slaapdronken. Het vroege opstaan eist slachtoffers. Met krampachtige benen kan ik me uit het busje werken waar opnieuw een prachtig lodge mijn overnachtingsstek is. Ik heb echter meer oog voor het zwembad. Wat baantjes trekken in het openluchtzwembad bij een temperatuur van twintig graden na zoveel uren in de bus. Heerlijk! Dat denken de muggen ook als ze in mij hun zwemmend avondmaal zien.  

Woensdag 14 januari
Doembeelden spoken op in mijn hoofd wanneer we 's ochtends bij de ingang van het Yala NP staan. Een rij met een ontelbare hoeveelheid jeeps vult de horizon waar in de verte de inkom prijkt. Dit nationale park heeft de hoogste kans op het spotten van luipaarden en is daarom verreweg het populairste park van Sri Lanka. Gisteren werd ik al moedeloos bij de gedachte om samen met de grote massa door het park te rijden en nu blijkt die realiteit zelfs erger te zijn. Ben ik hier dus om kwart over vijf voor opgestaan? Maar kijk, teleurstelling en blijdschap zijn soms twee kanten van dezelfde munt, want het wordt snel duidelijk waarom dit park zo populair is. Het heeft namelijk veel meer te bieden dan enkel luipaarden. 

Het is de omgeving die me in bekoring leidt. Het park bestaat uit een unieke mix van halfdroge savanne met groene struikbossen en wetlands. Zo rijdt onze jeep in vijf minuten van koperrode aarde die doet denken aan Australië, naar dicht groen struikgewas van doornstruikbossen waarin baby-olifantjes verscholen zitten tot het iconische Elephant Rock waar een kudde waterbuffels hun naam alle eer aan doet door af te koelen in een groot meer. Yala NP bevindt zich vlakbij de Indische Oceaan waardoor het dit uniek ecosysteem krijgt. Het landschap is een plaatje, maar het wildlife is dat ook. Op uitzondering van die ene stierolifant na... 

De gigantische kolos is namelijk op zoek naar eten en werkt vanuit een hinderlaag mooi alle jeeps af. Letterlijk. De olifant wacht totdat er zich een lange rij aan jeeps heeft ontwikkeld en daarna gaat hij als een volleerde professionele shopper alle jeeps af die niet wegkunnen. Walking dinner, maar dan letterlijk. Wij zijn ook aan de beurt en ik kan je verzekeren dat wanneer je reisbegeleider zegt dat je je rugzak moet verbergen omdat er een olifant van vier ton op je afkomt je toch wel even verbijsterd bent. Ik toch alleszins. En aan de blikken van mijn reisgenoten te zien, ben ik niet de enige. Onze chauffeur blijft koelbloedig en parkeert de jeep achteruit om vervolgens plankgas te geven om de dikhuid voorbij te snellen. Tijdens de rest van de rit heb ik gevloekt op het talmend rijgedrag van de chauffeur, maar dit heeft hij perfect gedaan.

De rest van de rit is echter wel ontspannend met het spotten van heel veel wild. Olifanten dus, maar ook een jakhals, krokodillen, waterbuffels en een heleboel vogels: bijeneters, diverse ijsvogels, endemische zangvogels en maraboes. En dat in immer wijzigende locaties. Ondanks dat dit een druk park is, heb ik me niet echt geënerveerd aan de grote drukte hier. Behalve dus bij het binnengaan van het park in de ellenlange file. En daarom is Yala NP misschien wel de mooiste safari van deze reis. Soms hangt het er van af hoe de munt valt: teleurstelling of blijdschap.    

Slechts vijf personen zijn deze ochtend meegegaan en dat betekent dat we het overige vijftal jaloers moeten maken met onze goednieuwsshow van hoe prachtig deze safari is. Het geeft hen geen kans om op te scheppen over het feit dat ze rustig hebben kunnen uitslapen op deze toch wel vermoeiende reis. We bevinden ons nu in het zuiden van Sri Lanka en dat is op de thermometer te zien. Voor tien uur wordt de dertig graden al overschreden. In het gekoelde minibusje is het 2,5 uur rijden tot Galle, de laatste culturele stop van deze reis. Galle is een fortstad dat oorspronkelijk werd opgericht door de Portugezen, maar daarna is overgenomen door de Hollanders die de Portugezen hebben verdrongen. 

Het is toch wel bizar om zo'n fort in Europese stijl te zien in een Aziatisch land. Nog meer bizar zijn de grote, versterkte muren die bestaan uit een combinatie van koraal en graniet. Zelfs de onaandachtige kijker ziet al snel de sporen van het koraal in de muren. Verder is de architectuur van het fort vrij traditioneel naar Europese maatstaven: bastions, een voorraadkamer, uitkijkposten en rijen met kanonnen. In het fort zelf huist er een kleine stad met een klokkentoren, vuurtoren en zelfs een gereformeerde Nederlandse kerk. In deze kerk bevinden er zich grafstenen in de vloer waarop spreuken staan in het oud-Nederlands. 

Ik wil het stadje graag zelf op eigen tempo verkennen, maar de tijd is beperkt. Mijn frisse zin ook. De hitte sloopt me toch een beetje en ik ben blij dat ik opnieuw in het gekoelde minibusje kan plaatsnemen. Dagenlang heb ik gesmacht naar een stralende zon, maar dit exemplaar doet dat toch met net iets te veel overgave. Na dit cultuurbad snak ik nu naar een zwembad. We brengen de laatste uren in het busje door om uiteindelijk naar onze laatste bestemming te rijden, Hikkaduwa. In deze badplaats brengen we onze twee laatste nachten door. Het voelt beetje als een ontlading aan. Dit is een absolute topdag, maar een dagje rust kan iedereen wel appreciëren nu.  

dinsdag 10 maart 2026

Reisverslag Sri Lanka deel drie: de twintig meter-kuur

Vrijdag 9 januari
Ochtendstond heeft goud in de mond. En ook minder zweetdruppels wanneer je een monoliet van bijna tweehonderd meter hoog moet beklimmen in de tropische jungle. Dat is namelijk wat me te wachten staat deze ochtend. We bezoeken Sigiriya, de leeuwenrots. Deze rotsformatie rijst tweehonderd meter boven de jungle uit en de top wordt sinds mensenheugenis gebruikt als een vestigingsplaats. Eerst was het de residentie van monniken, maar in de vijfde eeuw werd er in ware Game of Thrones-stijl een strijd om de toenmalige dynastie beslecht. Kashyapa I vermoordde zijn vader en bouwde daarna een paleis op deze top uit angst dat zijn halfbroer wraak zou nemen.     

De rots verschijnt al van ver aan de horizon wanneer we met de bus aankomen. Het ontneemt me de adem door zijn imposante omvang. Maar ook aan de voet van de monoliet is het aangenaam toeven. Halfopen grotten, waterbassins en tuinen maken duidelijk dat deze plek ooit de hoofdplaats was van een welvarend rijk. Het hoogtepunt is deze keer letterlijk hoog en met behulp van stenen trappen uitgehouwen uit de rots en metalen treden zet ik de klim naar boven in. Bijna tweehonderd meter hoog. De ochtendzon verliest de strijd van een dik wolkenpak en de gevreesde temperaturen blijven dus uit. Frisser dan verwacht bereik ik op de top waar na enkele seconden één gedachte door mijn hoofd flitst: Machu Picchu

De citadel in de Peruviaanse bergen heeft namelijk veel gemeen met deze plaats. Ik zie verscheidene terrassen, er zijn waterreservoirs, restanten van paleizen en groene tuinen. Het verbaast me dat deze plaats eigenlijk best klein is. Van ver lijkt het zo imposant, maar op tien minuten heb je de top van deze rots wel gezien. Ik doe er een stuk langer over omdat er toch wel wat te zien is. Van dichtbij tenminste, want vergezichten zijn met de dikke wolken niet mogelijk. Ik kijk wel uit op de spectaculaire water- en spiegeltuinen die zich vlak aan de voet van deze monoliet bevinden.  

Een paar kilometers verder is er een tweede vulkanische monoliet: Pidurangala Rock. Een stuk minder toeristisch, maar wel moeilijker om te beklimmen. Door de heiige hemel is de monoliet moeilijk in de verte waar te nemen, net zoals een groot staand Boeddhabeeld dat helemaal wit gekleurd is. In het voornamelijk groene landschap valt de witte kleur des te meer op. Ook opvallend zijn de fresco's van hemelse maagden die voorzien zijn met weelderige boezems. Ik krijg deze fresco's bij de daling te zien en door de overhangende richel is de kwaliteit onberispelijk. Foto's zijn niet toegelaten. Stilstaan ook niet met een zenuwachtige massa achter mij. Zij willen de vijfde-eeuwse voorloper van de Playboykalender ook wel zien.  

Drie uur ben ik op deze plek geweest, maar dat is voldoende om te weten dat dit de mooiste plaats van Sri Lanka is. De Singalezen noemen dit het achtste nieuwe wereldwonder en als ik zie met hoeveel verwondering ik naar Sigiriya kijk, is dat misschien wel terecht. Ik heb genoeg tijd om na te genieten, want het namiddagprogramma is vandaag niet aan mij besteed. Ik grijp in de namiddag terug naar het literaire genot van de Regels van het Ciderhuis. Ook dit is voor mij reizen - een literaire reis.  

Zaterdag 10 januari
De ene Boeddha is de andere niet. Dat wordt snel duidelijk wanneer Kanchi ons van een stoomcursus Boeddhisme voorziet waarin hij uitweidt over de vijf houdingen die bijna elk Boeddha-beeld typeert. Met behulp van positie en handgebaar zijn er dus vijf varianten te onderscheiden die gaan van meditatie tot het verlenen van zegeningen. Bij de grottempels van Dambulla is deze minicursus eigenlijk verplichte kost want tientallen - zoniet honderden - beelden bevinden zich in vijf grotten. Dit is opnieuw een heilige plaats en dat was ik bij het aankleden even vergeten. Mijn short bedekt mijn knieën niet. Na veel gezucht, besluit ik dan maar om een sarong te dragen. Plaatselijke agenten van de fashion police zouden me onmiddellijk bekeuren... 

Het normaal zo zonnige Sri Lanka beseft niet dat het een zonovergoten eiland is en dat culmineert vandaag in een kleine wolkbreuk. Ik ben blij dat ik in de vijf grotten droog zit. Ik ben minder blij met de mini-martelgang die me andermaal wacht om deze vijf grotten te bezichtigen. Blote voeten, weet je wel. De eerste grot dateert van vlak voor onze tijdrekening, de vier andere grotten dateren van de elfde tot de achttiende eeuw. De ene grot is zo mogelijk nog mooier dan de andere. Heter ook, want het kan aardig benauwd worden in deze grottempels. Bij elke nieuwe grot wordt het moeilijker om enthousiast te worden van de detailrijke Boeddhabeelden, prachtige plafondfresco's of andere artefacten. Het is de overdosis aan tempels na verscheidene dagen in de Culturele Driehoek.

Stiekem geniet ik meer van de locatie van deze grottempels. Het grote open plateau dat een idyllisch uitzicht biedt over de jungle, De groteske, dramatische bomen die voorzien zijn met witte bloesems. De bijna eindeloos lijkende trap naar boven waar niemand me over verteld heeft. Tachtig hoogtemeters die aanvoelen als het dubbele. Lichaamsdrift. Want geestdrift heb ik niet meer. Ergens verspeeld bij Boeddhabeeld nummer 157.          

De bus rijdt inmiddels richting Kandy wat een klein beetje hoger ligt dan de plekken die we tot dusver hebben bezocht. Specerijen gedijen hier goed. Tourist traps ook. Een bezoek aan een specerijtuin weet me te enthousiasmeren. Ik zie welke planten er worden gebruikt om kruidnagel, kardemon, ceylonkaneel en nootmuskaat te produceren. Dat vind ik interessant. De verkoopsdemonstratie met medicinale kruiden en massage een stuk minder. Eén kwartier om de tuin te bezoeken, drie kwartier om diezelfde kruiden te verkopen aan toeristen. De toeristenval in volle werking.   

Toch eindigt deze dag op een positieve noot. Een show van de spectaculaire Kandy-dansers mag niet ontbreken. Ruim een uur lang geven verscheidene dansers het beste van zichzelf waar ze zijn getooid met trommels, maskers en traditionele kledij. Verscheidene dansen passeren de revue die de geschiedenis van Kandy en Sri Lanka uitbeelden. Gracieuze dansen zoals de pauwendans worden afgewisseld met spectaculaire salto's en vuurspuwers. Het magnum opus is de vuurdans waar twee dansers met hun blote voeten over hete kolen lopen. Niet spreekwoordelijk, maar letterlijk. Ik ben er onderste boven van. Spreekwoordelijk, niet letterlijk.  

De hotels in Sri Lanka waren tot dusver al fantastisch, maar qua monumentaliteit slaat dit alles. Het Hotel Suisse was tijdens Wereldoorlog Twee het hoofdkwartier van Lord Louis Mountbatten, de opperbevelhebber van de geallieerden in Zuid-Oost Azië. Metershoge plafonds, Victoriaanse architectuur en een nostalgische, statige look doen me eerder denken dat ik in een paleis logeer dan in een hotel. Rovende apen die openstaande ramen terroriseren neem ik er met alle liefde bij.  

Zondag 11 januari
Thang-ap-pu-wa, vier lettergrepen. De startplaats van mijn eerste hike van deze reis is net geen tongbreker. We hebben een dagje vrij in Kandy en eindelijk wordt de lokroep van de natuur door mij beantwoord. Decor van de wandeling is vandaag de Knuckles Mountain Range, lokaal spreekt men wel ook eens van de Dumbara Hills. De Britten zagen in de vijf lokale toppen de knokkels van een hand en dit gebied werd dan ook herdoopt tot Knuckles Mountain Range. Deze bergketen is maar net terug open na de passage van de cycloon Ditwah eind november. De rit er naartoe laat weinig aan de verbeelding over waarom. Wegen zijn versperd met reusachtige rotsblokken en heuvelflanken zijn volledig weggevaagd. De toorn van Moeder Natuur kan vurig zijn. 

Ik houd wel van een beetje uitdaging, maar dan moet mijn conditie ook wel navenant zijn. Dat is het niet. De cijfers van deze wandeling zijn nochtans niet zo imponerend: bijna negenhonderd meter stijgen en dalen op een route van twaalf kilometer. Dat is te doen. Waar ik geen rekening mee heb gehouden: de steile hellingsgraad naar het midden en de top, de geërodeerde paadjes die bestaan uit kleigrond en daarom erg glibberig zijn, de onbeschrijfelijke dichtheid aan losliggende stenen en rotsen die ervoor zorgen dat ik altijd en overal moet opletten waar ik mijn voeten zet, rotsblokken die soms vijftig centimeter hoog zijn en waar ik op moet stappen, kale rotsvlaktes die gladder zijn dan een spiegel door de recente buien, met handen en voeten over rotsen klauteren en bloedzuigers die in mijn benen een gratis middagmaal zien. Dat is minder te doen. En ik ben dan wellicht een hoop dingen vergeten. 

Ik ben wel wat gewoon, maar hier had ik me niet echt op voorbereid. Het Franse koppel dat met mij meegaat duidelijk wel, want met een voor mij onnavolgbaar dartele gezwindheid hijsen ze zichzelf naar boven. De hele dag staat dus in het teken van zweten en puffen voor mij. De zon is niet echt van de partij waardoor de temperaturen best wel meevallen. Het is te zeggen, het is hier geen dertig graden. Maar hey, als er SM-liefhebbers zijn, dan kan ik misschien toch ook wel genieten van dit wandelmasochisme. Elke trap op mijn adem vertaalt zich automatisch naar een micropauze en die gebruik ik om van de lokale panorama's te genieten. Eerst van de theevelden die me omringen, daarna van het vele bamboe in het nevelwoud. 

Ik ben inmiddels 350 meter hoger wanneer we pauzeren bij een prachtig plateau waar ik de zogenaamde knokkels zie van deze bergketen. Een streepje blauwe lucht zorgt voor een mooie achtergrond en mijn nieuwste profielfoto voor Facebook is een feit. Ik glimlach. Want ik weet niet dat het zwaarste werk nog moet komen. De weg door een kleine vallei kondigt echter het tegendeel aan. Het golft zachtjes op en neer. Een pittoreske waterval en een enig mooi beekje doen me in het paradijs wanen. Totdat de gids naar boven wijst. Daar, daar wacht de top op ons. Het enige wat ik zie is een onmetelijk steile helling die verzwolgen wordt door het nevelwoud. Ik wilde natuur, wel hier is mijn natuur. Het is vooral natuur waar ik naar tuur. Turend naar een helling die ik zelden zo steil heb gezien. 

Als zelfuitgeroepen wandeldokter schrijf ik voor mezelf de twintig meter-kuur uit. Ik stijg twintig meter, pauzeer een ogenblikje en ga verder. Een gekend recept. Ook een falend recept. Twintig meter wordt na poging drie de tien meter-kuur. Dat gaat een paar keer goed totdat ook dit te zwaar wordt. Nu worden het vijf meter. We bereiken de voorlaatste top. Voor mij is het welletjes geweest en ik pauzeer hier. Een vijftigtal meter hoger ligt de echte top, maar het wordt me te hachelijk. Het stijgen lukt nog wel, maar ik heb schrik voor de daling. Losliggende stenen, een steile hellingsgraad en glibberige paden zijn zelden een goede combinatie voor vermoeide benen. 

Op een rotsformatie kijk ik over de omgeving bij de middaglunch. Ik pak het lunchpakket uit. Veel te pikante rice and curry. Ik heb het in India amper gegeten, ik heb het in Sri Lanka amper gegeten en ik ga er ook niet mee beginnen bij een anonieme bergtop in deze weinig bezochte regio. Een kleine straathond is al deze tijd met ons meegewandeld en die heeft wel honger. Het pakketje verdwijnt moeiteloos achter de kiezen. Een dreigend wolkenpak spoort me na een tijdje aan om terug af te dalen. De afdaling kost zoals verwacht meer moeite dan de beklimming. Het is minder vermoeiend, maar wel precairder. Glibberige kleigrond, kale rotsvlaktes of gewoon een losliggende steen. Veel is er niet nodig om een valpartij te maken. Dat doe ik ook niet. Omdat ik erg traag daal.

De tijd die ik neem, staat me wel toe om me meer onder te dompelen in dit prachtige nevelwoud. Bizarre rotsformaties, uitgestrekte theevelden, fauna zoals de vele vogels en de kleine hagedissen en uiteraard de vergezichten zijn de reden waarom ik vandaag naar deze godvergeten plek ben gekomen. Net zoals de afgelopen dagen verspert een dik wolkendek de panorama's. Een beetje jammer, maar het zorgt wel voor een dramatisch uitzicht op de foto's. Dit is niet het mooiste decor van deze rondreis door Sri Lanka. Of het meest unieke. Wel het meest lonende. Dat bewijzen de talloze zweetparels op mijn voorhoofd. Na een aantal kleinere pauzes bereiken we terug de startplaats. Het signaal voor de regendruppels om zich te pletter op de aarde te storten. 

De terugweg naar Kandy duurt opnieuw 2,5 uur. Ik mijmer over de anonieme bijzonderheid van deze wandeling. Ze beroert me niet door haar schoonheid, ze laat geen unieke indrukken na door haar omgeving. Daarvoor heb ik te veel andere wandelingen gedaan die mooier waren, unieker. Het is een wandeling die bestaat. En dat bestaan heb ik ondergaan. Anoniem. En dat maakt deze wandeling zo bijzonder. Veel bijzonderder dan andere wandelingen die mooier waren, unieker. Wanneer ik terug ben in Kandy maak ik nog een rondje bij het plaatselijke Kandy Lake. Een plaats die niet vergeten is door God. Of Boeddha. Want hier staat zijn tand nog ergens. Uiteraard met tempel.

zondag 1 maart 2026

Reisverslag Sri Lanka deel twee: pauze bij de culturele driehoek

Dinsdag 6 januari
De Singalezen zagen hun eerste hoofdstad, Anuradhapura, graag. Rivaliserende stammen uit Zuid-India zagen deze plek echter nog liever en dat is de reden waarom deze meer dan tweeduizend jaar oude hoofdstad werd herschapen tot een ruïnesite na hun inval. De nieuwe hoofdstad Polonnaruwa werd meer landinwaarts gevestigd totdat de Indische buren opnieuw eens op bezoek kwamen. Nadat Polonnaruwa werd vernield, vestigden de Singalezen zich uiteindelijk in de bergen bij Kandy. 

Anuradhapura is dus tweeduizend jaar oud en dat is te zien. Of beter gezegd - dat is niet te zien. Ik heb graag dat tempels authentiek zijn, maar je kan de vraag stellen wat er nog overblijft van tempels die dateren van voor de opkomst van het Romeinse rijk. Ruïnes zijn dan misschien net iets te geruïneerd. De beeldhouwwerken in Isurumuniya Vihara zijn naar verluidt beroemd in heel Sri Lanka, ik herinner me enkel nog de glibberige rotsen waarmee we op onze blote voeten de voetzenuwen pijnigen. Op deze heilige plaatsen mag je geen schoenen dragen en met rotsen en modderig zand wordt dat soms een pijnlijke - en vuile - aangelegenheid. Reisbegeleider Kanchi werpt zich op als gids en doet een langdradige uitleg over het Boeddhisme. Twintig ongeïnteresseerde ogen verraden dat de te lange uitleg aan de meesten voorbij gaat. 

Ik had liever meer tijd gespendeerd aan het mooie Ranmasu Uyana, de koninklijke lusttuin. Maar het kwartiertje dat we hier krijgen is amper voldoende om deze mooie locatie te bewonderen. Vooral de architectuur waarbij de ruïnes opgaan in het groen bezorgt me innerlijke rust. Die vind ik niet bij 's werelds oudste Bodhiboom. Bij Jaya Sri Maha Bodhi bevindt zich namelijk een nakomeling van de originele Bodhiboom waar Boeddha zijn eerste leerrede heeft gegeven. Een plek waar ik enkele maanden eerder was in Sarnath. Bij deze gebedsplaats is het een drukte van jewelste en deze plek voelt dan ook meer aan als afvinken dan beleven.   

Dan is het tijd voor een bezoekje aan de grootste stupa ter wereld: Ruwanwelisaya. Een kleine speurtocht op het internet zegt dat er zich in Sri Lanka nog grotere stupa's te vinden zijn. In ieder geval, de witgekalkte koepel ziet er ronduit indrukwekkend uit door zijn gigantische omvang. Zelfs als die nu veel kleiner is dan vroeger. Rondom bevinden er zich kleinere stupa's en schrijnen waar een offer kan gebracht worden met behulp van Araliya-bloemen. Hoewel ik mezelf beschouw als cultuurminnend kan deze dag me niet helemaal bekoren. De dag is te. Te gehaast, te veel mensen, te veel willen afvinken, te geruïneerd. Op deze dagen is meer minder. Of minder meer.  

Een klassieke rondreis van Sri Lanka bezoekt in de eerste week de zogenaamde culturele driehoek: Anuradhapura - Polonurawa - Kandy. Dat zijn erg veel tempels, schrijnen en Boeddhabeelden op één week. Daarom ben ik blij met de verplaatsing naar het plaatsje Trincomalee aan de oostkust van Sri Lanka. Even weg van de tempels. Meer rust, minder moeten, meer gelegenheid om je eigen ding te doen. Of toch niet. Kanchi weet de groep namelijk te vertellen dat je niet kan zwemmen of niet kan snorkelen. Tja, wat kan je nog doen in een kuststadje waar je in het moessonseizoen niet mag zwemmen of snorkelen. Lezen?  

Woensdag 7 januari
Ja, lezen, want verder valt er niet veel te beleven in Trincomalee. Gisteravond heb ik nog een kleine strandwandeling gedaan en nog een pasta gegeten in het stadje. Er is dus echt niks te zien hier en daarom besluit ik dus maar mijn e-reader van stal te halen. De Regels van het Ciderhuis van John Irving. Ruim 1800 virtuele pagina's in ebookformaat, wellicht ruim zeshonderd pagina's voor het fysieke alternatief. Ik heb John Irving vorig jaar ontdekt en ik verslind met veel plezier zijn boeken. Daar heb ik dus vandaag uitgebreid de tijd voor. Ik zit aan het strand waar de stevige wind me vergast op haar aanwezigheid. De branding van de zee staat nooit stil waardoor ik niet echt kan beweren dat het hier rustig is. 

Toch verdwijn ik moeiteloos in het morele dilemma van dit boek en pauzeer ik enkel voor een occasionele koffie. De andere reisgenoten doen het iets actiever. Zij bezoeken een tempel in de buurt, gevolgd door een visite aan een lokale fruit- en vismarkt. Ik heb deze dag uitgekozen om te ontsnappen aan de tempels. Mijn afwezigheid is dan ook een logische vanzelfsprekendheid. 

Bij sommige pagina's verplaatsen mijn gedachten zich naar deze locatie. Het is mooi, het is een schitterend intermezzo in een tempelintensieve eerste week, maar zou ik hier zitten als ik mijn eigen programma mocht kiezen? Ik denk het niet. Het is ook feedback die ik na deze reis bezorg aan Koning Aap. Toch kijk ik tevreden terug op deze dag. Ik heb me ontspannen, ik heb literair genoten en ik ben opgeladen voor de volgende dagen. Maximale benutting van een nutteloze dag.   

Donderdag 8 januari
Hoe maak je een mooie dag nog mooier? Kanchi zet dit in de praktijk om wanneer hij aankondigt dat na het bezoek van Polonurawa we naar Hurulu Eco Park reizen. Maar eerst Polonurawa dus. Dit is de tweede hoofdstad van het Singalese koninkrijk nadat de eerste hoofdstad Anuradhapura werd vernield door Zuid-Indische stammen. Polonurawa is jonger en dus ook in betere staat. Jong betekent hier ongeveer duizend jaar oud. Leeftijd is - zoals altijd - relatief. 

Kanchi kietelt de zenuwen van de groep door in sneltreinvaart door het lokale museum te stappen. Hij laat een maquette zien met daarop enkele gebouwen die we even later bezoeken. Bij de maquette zie je hoe deze gebouwen er vroeger hebben uitgezien. Zo weten we dus dat het koninklijk paleis ongeveer een duizendtal kamers telde en zeven verdiepingen hoog was. Veel meer dus dan de twee stenen trappen die we even later te zien krijgen. Waar Anuradhapura als onafgewerkt aanvoelt, is Polonurawa meer verfijnd. Nog altijd in ruïne, maar wel in betere staat. Half geruïneerd, half afgewerkt. De restauratie van de audiëntiezaal illustreert ook waarom. In de luwe ochtendzon pendelen we met de fiets naar het heilige vierkant, de aorta van deze stad. 

Met opengesperde mond wandel ik van de ene verbazing naar de andere op deze plek. Een iconisch rond heiligdom met vier zittende Boeddhabeelden staat recht tegenover een reliekschrijn met drie andere Boeddhabeelden. Hier zijn tal van gebouwen. Soms heeft de tand des tijds veel geëist van een gebouw dat niet meer rechtstaat, soms is het zo goed als nieuw zoals dat men in verkoopstaal pleegt te zeggen. Het meest imposante gebouw is toch wel Thuparama, de enige tempel die overdekt is. De dikke bakstenen muren eisen respect, net zoals het Boeddhabeeld dat zich binnenin bevindt. Een ongemakkelijke duisternis omarmt mij wanneer ik dieper de tempel in ga. Gedurende dertig seconden ben ik hier helemaal alleen. Alleen op een site die onder de voet wordt gelopen door de toeristen. Het voelt sacraal aan. Cerebraal. Atheïsten en agnosten worden gedurende dertig seconden spontaan religieus. 

Het einde van het bezoek aan Polonurawa moet qua spektakel nauwelijks onderdoen. Na opnieuw een stupa bezocht te hebben, wandelen we naar Gal Vihare. Hier zijn vier Boeddhabeelden uitgehouwen uit één rotswand. Uniek. Vooral de liggende Boeddha van veertien meter lang weet mijn zinnen te prikkelen. Dit is vakmanschap dat ik zelden heb gezien. Het is bijna hartverscheurend hoe laconiek ik de andere beelden bekijk. Mooi, maar de liggende Boeddha was toch imposanter. De tijdsdruk voedt mijn laconisme. Tien minuten om alles te bekijken. Het is te weinig. 

De namiddag is gereserveerd voor Hurulu Eco Park. De favoriete verblijfplaats van olifanten die je in deze regio frequent vindt. In januari is dit een populaire plek omdat de andere nationale parken in de buurt zijn overstroomd door de moessons. Hier is het droger. Ook ruwer. Dat merk ik aan de zandpaden die absoluut niet zo vlot te berijden zijn zoals in Wilpattu. Het landschap is hier ook een stuk eentoniger. Groen gras, metershoog, zo ver de ogen strekken. Mijn ogen zijn niet vergestrekt. Die zijn namelijk gericht op de kuddes olifanten die we gemakkelijk spotten. Wij niet alleen, want een leger aan jeeps vechten om elke vierkante meter. De chauffeur van onze jeep jaagt zich met doodsverachting door het struikgewas op een heuvel. De dikhuiden geven geen kick. Het is bijna angstaanjagend hoe de olifanten gewend zijn aan menselijke aanwezigheid.    

Na twintig minuten gaan we op zoek naar meer wild. Meer wild betekent in de praktijk meer olifanten. Andere diersoorten zijn hier amper te ontdekken, buiten een paar verdwaalde vogels. Die olifanten krijgen we na een twintigtal minuten opnieuw te zien. Een andere kudde. Met kalf. De oohs en de aahs vliegen in het rond. Nu is het wat rustiger met minder voertuigen. De chauffeurs van de aanwezige jeeps beseffen na een tijdje dat een stilstaande motor aangenamer is dan een draaiende. Op het duizendste gemak eten deze grote landdieren het gras op. Het werkt hypnotiserend. Bijna spiritueel zelfs. Toch meer dan bij mijn tempelbezoeken. Op het einde is er nog een klein uitstapje naar een rotsmassief waar een klimpartij een enig mooi uitzicht biedt over dit park. Een mooi einde voor een mooie dag.  

zaterdag 28 februari 2026

Reisverslag Sri Lanka deel één: typisch toeristisch; vijf lettergrepen

Mijn traditionele ontsnappingsroute rond de periode van nieuwjaar brengt me deze keer naar Sri Lanka. Het zonovergoten tropische eiland nodigde me bij haar uit nadat ik terug in België was van mijn vorige reis in oktober. Het blijkt dat een grauwgrijze bewolkte hemel en een oeverloze regen in oktober uitstekende argumenten zijn om bij de aanvang van de winter zonnigere oorden op te zoeken. Sri Lanka is als oord niet alleen zonnig, maar heeft voor ieder wat wils: eeuwenoude tempels, grote stupa's, mystieke bergen, talloze dieren en theeplantages. 

Zaterdag 3 januari
Eerste sneeuw. Het is één van de mooiste kleinkunstnummers in de Nederlandstalige muziekgeschiedenis die op een onnavolgbaar rauwe manier wordt gebracht door Kris De Wilde. Tranen druppelen iedere keer uit mijn oogleden wanneer ik het hoor. Het doet me namelijk denken aan mijn veel te vroeg overleden moeder. Het heeft voor mij dus een heel emotionele connotatie. Weemoed en verdriet. Maar vandaag ook opluchting. 

De eerste sneeuw dwarrelt op deze zaterdagochtend op het Zaventemse tarmac wanneer het vliegtuig aanstalten maakt om te vertrekken. Richting de woestijn van Doha. Daar is de overstapplek die me van neerslachtigheid naar gemoedelijkheid brengt. Maar eerst een dagje vliegen dus. Dat mag ik letterlijk opvatten, want ik vertrek zaterdagochtend en  zondagochtend land ik in Colombo. De royale overstaptijd van zes uur maakt de dag wat langer. Maar ook ontspannender. Ik ontdek dat het geheugenkaartje van mijn fototoestel thuis is gebleven. Op de luchthaven van Doha koop ik dan maar een nieuwe: vijftig dollar. Westerse prijzen zijn niet goedkoop, maar oosterse prijzen zijn zo mogelijk nog duurder. 

De Dreamliner waarmee ik van Brussel naar Doha vlieg heeft van me een verwend nest gemaakt. Dat merk ik wanneer ik de Boeing van SriLankan Airlines instap. Het toestel is volgens mij vergeten dat we al een kwarteeuw in de eenentwintigste eeuw leven. Met weinig comfortabele stoelen en een schreeuwende baby achter mij worden het zes lange uren. Geradbraakt verlaat ik uiteindelijk het vliegtuig waarna ik 's ochtends naar Colombo word gebracht. De enige citytrip op deze reis.      

Zondag 4 januari
Half slaapdronken na de weinig comfortabele vlucht besluit ik om meteen Colombo te verkennen en ik vertrek aan mijn hotel dat aan de kust is gelegen. Een half uurtje met de benenwagen volstaat om bij de voordeur van het Nationaal Museum te staan. Een gesloten voordeur. Het museum gaat pas om negen uur open. Ik dood de tijd met een een cafeïne-injectie om mijn drang naar koffie te verstillen. Bij een lokaal koffietentje doorblader ik mijn reisgids van Capitool totdat het museum bijna opengaat. 

Het museum is een chique landhuis in Victoriaanse stijl uit de laat negentiende eeuw en is volgens mij groter dan sommige nationale paleizen. Qua grandeur doet dit statige gebouw heel erg Europees aan. Het interieur doet me soms denken aan een vergane glorie. Houten parketvloeren die twee eeuwen geleden hip waren en stoffige kabinetten doen me terugreizen in de tijd. De weinige belichting versterkt dit gedateerde gevoel. Toch ben ik onder de indruk van de diverse collecties die ik hier aantref: Boeddhabeelden, archeologische artefacten uit de vroege geschiedenis van wat nu Sri Lanka is, maskers uit Kandy, een grote kano, levensgrote diorama's van hoe de Veddah - de eerste bevolkingsgroep in Sri Lanka - leefden, Europese wapens en geweren, traditionele kledij, tapijten en informatie over irrigatie en landbouw. Het is te veel om op te noemen. En om te lezen ook. 

Talloze informatieborden lopen verloren in de wat chaotisch opgestelde kamers en het oubollige museumontwerp ontmoedigt me om meer tijd te investeren in de eerste collecties. Ik vind het allemaal interessant, maar in de warme ochtendtemperatuur van bijna dertig graden en amper gekoelde kamers kan zelfs een interessante kunstcollectie me niet overtuigen om hier langer te blijven. De eerste verdieping is beter ingericht. Ook koeler. Hier blijf ik wel langer. Hier laat ik me liever onderdompelen door de heel diverse expo's die over de hele geschiedenis van Sri Lanka uitweiden. Mijn enige museum in Sri Lanka is dus wel een topper. Wel geen moderne topper.           

In Sri Lanka is het verplicht dat elke eigennaam uit minstens vier lettergrepen bestaat. Bonuspunten als het vijf of meer lettergrepen zijn. Dat leer ik wanneer ik door het Vi - ha - ra - ma - ha - de - vi Park ga. Zeven lettergrepen. Het gaat voor andere tempels en plaatsen moeilijk worden om dit te verbeteren. Dit park bevindt zich tussen het nationaal museum en Gangaramaya Tempel, mijn volgende bestemming. Veel Singalezen en één westerling komen hier bij de kronkelende wandelpaden schaduw zoeken bij tropische temperaturen. 

De Gangaramaya Tempel lijkt op een soort van rariteitenkabinet van een verwoede kunstverzamelaar. Een indrukwekkende collectie van oosterse curiosa zou volgens mij een groot kapitaal opbrengen bij de lokale rommelmarkt. De tempel heeft daarom eerder een kitscherig dan een spiritueel karakter. Toch zijn er hier mooie dingen te zien. Niet de Bodhiboom waar iedereen rondhangt, maar wel de kleine vihara met prachtige muur- en plafondschilderingen uit de zeventiende eeuw weet me te betoveren. Het is een plek waar ik graag wat langer blijf stilstaan. 

Wat verder bevindt er zich een nieuw opgetrokken tempel aan een kunstmatig meer. Een houten paviljoen zweeft boven het water en biedt een mooi overzicht over het moderne Colombo. De 350 meter hoge Lotustoren wordt in het heldere water gereflecteerd. Colombo is eigenlijk verrassend modern en dit stadsdeel ontwikkelt zich explosief. Het klinkt misschien als blasfemie, maar eigenlijk vind ik de moderne architectuur mooier dan de traditionele tempel die ik heb gezien. Dat is er dus slechts één en dat is misschien niet de beste referentie.

In de namiddag doe ik het rustiger aan. Slave Island was vroeger een plek waar de Nederlanders slaven gevangen hielden. Nu is het een volksbuurt waar ik ronddwaal om me terug naar het hotel te begeven. Ook houd ik halte bij Galle Face Green, een groen kustpark dat zich op een boogscheut afstand van het hotel bevindt. Na kennismaking met de groep is het tijd voor een rondje toeristisch rondrijden. Uitstappen, een paar foto's nemen en terug instappen. Bij de mooie rode moskee van Jami Ul‑Alfar Mosque. Bij de Lotustoren. Bij het herdenkingsmonument van Independence Memorial Hall. Er is veel om van onder te indruk te zijn. De enige indruk die ik nu echter heb, is dat ik moe ben.   

Maandag 5 januari
A - nu - rad - ha - pu - ra. Zes lettergrepen. Geen record dus, maar wel een tongbreker. De voormalige hoofdstad van het Singalese eiland is de eindbestemming van vandaag in een wat langere rit. Om negen uur vertrekken we op een maandagochtend uit de huidige hoofdstad en dat loopt onverwacht vlot. De onvermijdelijke files duren amper een kwartiertje en daarna openen de wegen zich richting Wilpattu NP. Dit is het eerste van drie safariparken dat we bezoeken en met ruim 1300 km² meteen ook het grootste van het gehele lot. 

De minibus wordt vergezeld door een chauffeur en assistent. Samen met reisbegeleider Kanchi is dit drietal onze gastheer in dit veel te kleine onderkomen. Beenruimte is er amper en elke vierkante centimeter wordt door mijn voeten benut om niet in een benarde positie te eindigen. Het is een strijd die ik iedere keer verlies. Dan is vijf uur rijden tamelijk lang. Rond de middag wordt er gepauzeerd om onze magen te vullen en onze benen trombosevrij te houden. Het eerste lukt al wat beter dan het tweede. 

Om twee uur 's namiddags beginnen we aan onze game drive door Wilpattu NP. Met gemengde gevoelens. Ik doe dit veel liever 's ochtends, want dan is de kans een stuk groter dat je meer wild ziet. Het begin verloopt rustig, maar gaandeweg ontvouwt er zich een groot bestand aan vogels voor mijn ogen: diverse arenden, zangvogels en hoenderen worden door mij gefotografeerd. Vooral de kleurrijke ceyloenhaan valt op door zijn verenpracht. Qua zoogdieren blijf ik wel een beetje op mijn honger zitten. We vinden sporen van een luipaard. Het heeft een buffelkalfje gevangen. De luipaard zelf is echter spoorloos. Wel aanwezig is een lippenbeer. 

Met mijn voorspellende gaven heb ik tegen de reisgenoten gezegd dat het spotten van een lippenbeer uiterst gering is. Ik denk eerder dat mijn voorspellende gaven gering zijn. Toch gebeurt het niet zo vaak dat een lippenbeer in het wild wordt gespot en daar profiteer ik maximaal van. Uitgerust met mijn veel te grote telelens speur ik naar de beer tussen het vele bladergroen. Wanneer die zich van struik naar struik beweegt, kan ik bruine schimmen ontwaren die verraden dat dit een beer is. Bij elk model moet je soms wat geduld hebben. Ook bij deze. Richting het water kan ik hem volledig op gevoelige plaat vastleggen. Safari geslaagd dus. 

In het park zijn we soms alleen op de zandwegen die in vrij behoorlijke kwaliteit verkeren. Het is absoluut niet vergelijkbaar met de safari's die ik enkele maanden eerder heb gedaan in Chitwan en Ranthambore. Daar zat ik in een canter met twintig personen. Hier in een wendbare jeep met vijf personen. Het helpt toch enorm bij het opwaarderen van deze safari. De omgeving weet me wel niet helemaal te overtuigen. Het is mooi, maar wel wat monotoon. Bij de terugtocht zie ik nog enkele waterbuffels en 's avonds kijk ik terug op een heel resem aan gespotte dieren. 's Ochtends in de file en 's avonds nagenieten van een safari. Het is de compactheid van Sri Lanka in woord en beeld.