Mijn traditionele ontsnappingsroute rond de periode van nieuwjaar brengt me deze keer naar Sri Lanka. Het zonovergoten tropische eiland nodigde me bij haar uit nadat ik terug in België was van mijn vorige reis in oktober. Het blijkt dat een grauwgrijze bewolkte hemel en een oeverloze regen in oktober uitstekende argumenten zijn om bij de aanvang van de winter zonnigere oorden op te zoeken. Sri Lanka is als oord niet alleen zonnig, maar heeft voor ieder wat wils: eeuwenoude tempels, grote stupa's, mystieke bergen, talloze dieren en theeplantages.
Zaterdag 3 januari
Eerste sneeuw. Het is één van de mooiste kleinkunstnummers in de Nederlandstalige muziekgeschiedenis die op een onnavolgbaar rauwe manier wordt gebracht door Kris De Wilde. Tranen druppelen iedere keer uit mijn oogleden wanneer ik het hoor. Het doet me namelijk denken aan mijn veel te vroeg overleden moeder. Het heeft voor mij dus een heel emotionele connotatie. Weemoed en verdriet. Maar vandaag ook opluchting.
De eerste sneeuw dwarrelt op deze zaterdagochtend op het Zaventemse tarmac wanneer het vliegtuig aanstalten maakt om te vertrekken. Richting de woestijn van Doha. Daar is de overstapplek die me van neerslachtigheid naar gemoedelijkheid brengt. Maar eerst een dagje vliegen dus. Dat mag ik letterlijk opvatten, want ik vertrek zaterdagochtend en zondagochtend land ik in Colombo. De royale overstaptijd van zes uur maakt de dag wat langer. Maar ook ontspannender. Ik ontdek dat het geheugenkaartje van mijn fototoestel thuis is gebleven. Op de luchthaven van Doha koop ik dan maar een nieuwe: vijftig dollar. Westerse prijzen zijn niet goedkoop, maar oosterse prijzen zijn zo mogelijk nog duurder.
De Dreamliner waarmee ik van Brussel naar Doha vlieg heeft van me een verwend nest gemaakt. Dat merk ik wanneer ik de Boeing van SriLankan Airlines instap. Het toestel is volgens mij vergeten dat we al een kwarteeuw in de eenentwintigste eeuw leven. Met weinig comfortabele stoelen en een schreeuwende baby achter mij worden het zes lange uren. Geradbraakt verlaat ik uiteindelijk het vliegtuig waarna ik 's ochtends naar Colombo word gebracht. De enige citytrip op deze reis.
Zondag 4 januari
Half slaapdronken na de weinig comfortabele vlucht besluit ik om meteen Colombo te verkennen en ik vertrek aan mijn hotel dat aan de kust is gelegen. Een half uurtje met de benenwagen volstaat om bij de voordeur van het Nationaal Museum te staan. Een gesloten voordeur. Het museum gaat pas om negen uur open. Ik dood de tijd met een een cafeïne-injectie om mijn drang naar koffie te verstillen. Bij een lokaal koffietentje doorblader ik mijn reisgids van Capitool totdat het museum bijna opengaat.
Het museum is een chique landhuis in Victoriaanse stijl uit de laat negentiende eeuw en is volgens mij groter dan sommige nationale paleizen. Qua grandeur doet dit statige gebouw heel erg Europees aan. Het interieur doet me soms denken aan een vergane glorie. Houten parketvloeren die twee eeuwen geleden hip waren en stoffige kabinetten doen me terugreizen in de tijd. De weinige belichting versterkt dit gedateerde gevoel. Toch ben ik onder de indruk van de diverse collecties die ik hier aantref: Boeddhabeelden, archeologische artefacten uit de vroege geschiedenis van wat nu Sri Lanka is, maskers uit Kandy, een grote kano, levensgrote diorama's van hoe de Veddah - de eerste bevolkingsgroep in Sri Lanka - leefden, Europese wapens en geweren, traditionele kledij, tapijten en informatie over irrigatie en landbouw. Het is te veel om op te noemen. En om te lezen ook.
Talloze informatieborden lopen verloren in de wat chaotisch opgestelde kamers en het oubollige museumontwerp ontmoedigt me om meer tijd te investeren in de eerste collecties. Ik vind het allemaal interessant, maar in de warme ochtendtemperatuur van bijna dertig graden en amper gekoelde kamers kan zelfs een interessante kunstcollectie me niet overtuigen om hier langer te blijven. De eerste verdieping is beter ingericht. Ook koeler. Hier blijf ik wel langer. Hier laat ik me liever onderdompelen door de heel diverse expo's die over de hele geschiedenis van Sri Lanka uitweiden. Mijn enige museum in Sri Lanka is dus wel een topper. Wel geen moderne topper.
In Sri Lanka is het verplicht dat elke eigennaam uit minstens vier lettergrepen bestaat. Bonuspunten als het vijf of meer lettergrepen zijn. Dat leer ik wanneer ik door het Vi - ha - ra - ma - ha - de - vi Park ga. Zeven lettergrepen. Het gaat voor andere tempels en plaatsen moeilijk worden om dit te verbeteren. Dit park bevindt zich tussen het nationaal museum en Gangaramaya Tempel, mijn volgende bestemming. Veel Singalezen en één westerling komen hier bij de kronkelende wandelpaden schaduw zoeken bij tropische temperaturen.
De Gangaramaya Tempel lijkt op een soort van rariteitenkabinet van een verwoede kunstverzamelaar. Een indrukwekkende collectie van oosterse curiosa zou volgens mij een groot kapitaal opbrengen bij de lokale rommelmarkt. De tempel heeft daarom eerder een kitscherig dan een spiritueel karakter. Toch zijn er hier mooie dingen te zien. Niet de Bodhiboom waar iedereen rondhangt, maar wel de kleine vihara met prachtige muur- en plafondschilderingen uit de zeventiende eeuw weet me te betoveren. Het is een plek waar ik graag wat langer blijf stilstaan.
Wat verder bevindt er zich een nieuw opgetrokken tempel aan een kunstmatig meer. Een houten paviljoen zweeft boven het water en biedt een mooi overzicht over het moderne Colombo. De 350 meter hoge Lotustoren wordt in het heldere water gereflecteerd. Colombo is eigenlijk verrassend modern en dit stadsdeel ontwikkelt zich explosief. Het klinkt misschien als blasfemie, maar eigenlijk vind ik de moderne architectuur mooier dan de traditionele tempel die ik heb gezien. Dat is er dus slechts één en dat is misschien niet de beste referentie.
In de namiddag doe ik het rustiger aan. Slave Island was vroeger een plek waar de Nederlanders slaven gevangen hielden. Nu is het een volksbuurt waar ik ronddwaal om me terug naar het hotel te begeven. Ook houd ik halte bij Galle Face Green, een groen kustpark dat zich op een boogscheut afstand van het hotel bevindt. Na kennismaking met de groep is het tijd voor een rondje toeristisch rondrijden. Uitstappen, een paar foto's nemen en terug instappen. Bij de mooie rode moskee van Jami Ul‑Alfar Mosque. Bij de Lotustoren. Bij het herdenkingsmonument van Independence Memorial Hall. Er is veel om van onder te indruk te zijn. De enige indruk die ik nu echter heb, is dat ik moe ben.
Maandag 5 januari
A - nu - rad - ha - pu - ra. Zes lettergrepen. Geen record dus, maar wel een tongbreker. De voormalige hoofdstad van het Singalese eiland is de eindbestemming van vandaag in een wat langere rit. Om negen uur vertrekken we op een maandagochtend uit de huidige hoofdstad en dat loopt onverwacht vlot. De onvermijdelijke files duren amper een kwartiertje en daarna openen de wegen zich richting Wilpattu NP. Dit is het eerste van drie safariparken dat we bezoeken en met ruim 1300 km² meteen ook het grootste van het gehele lot.
De minibus wordt vergezeld door een chauffeur en assistent. Samen met reisbegeleider Kanchi is dit drietal onze gastheer in dit veel te kleine onderkomen. Beenruimte is er amper en elke vierkante centimeter wordt door mijn voeten benut om niet in een benarde positie te eindigen. Het is een strijd die ik iedere keer verlies. Dan is vijf uur rijden tamelijk lang. Rond de middag wordt er gepauzeerd om onze magen te vullen en onze benen trombosevrij te houden. Het eerste lukt al wat beter dan het tweede.
Om twee uur 's namiddags beginnen we aan onze game drive door Wilpattu NP. Met gemengde gevoelens. Ik doe dit veel liever 's ochtends, want dan is de kans een stuk groter dat je meer wild ziet. Het begin verloopt rustig, maar gaandeweg ontvouwt er zich een groot bestand aan vogels voor mijn ogen: diverse arenden, zangvogels en hoenderen worden door mij gefotografeerd. Vooral de kleurrijke ceyloenhaan valt op door zijn verenpracht. Qua zoogdieren blijf ik wel een beetje op mijn honger zitten. We vinden sporen van een luipaard. Het heeft een buffelkalfje gevangen. De luipaard zelf is echter spoorloos. Wel aanwezig is een lippenbeer.
Met mijn voorspellende gaven heb ik tegen de reisgenoten gezegd dat het spotten van een lippenbeer uiterst gering is. Ik denk eerder dat mijn voorspellende gaven gering zijn. Toch gebeurt het niet zo vaak dat een lippenbeer in het wild wordt gespot en daar profiteer ik maximaal van. Uitgerust met mijn veel te grote telelens speur ik naar de beer tussen het vele bladergroen. Wanneer die zich van struik naar struik beweegt, kan ik bruine schimmen ontwaren die verraden dat dit een beer is. Bij elk model moet je soms wat geduld hebben. Ook bij deze. Richting het water kan ik hem volledig op gevoelige plaat vastleggen. Safari geslaagd dus.
In het park zijn we soms alleen op de zandwegen die in vrij behoorlijke kwaliteit verkeren. Het is absoluut niet vergelijkbaar met de safari's die ik enkele maanden eerder heb gedaan in Chitwan en Ranthambore. Daar zat ik in een canter met twintig personen. Hier in een wendbare jeep met vijf personen. Het helpt toch enorm bij het opwaarderen van deze safari. De omgeving weet me wel niet helemaal te overtuigen. Het is mooi, maar wel wat monotoon. Bij de terugtocht zie ik nog enkele waterbuffels en 's avonds kijk ik terug op een heel resem aan gespotte dieren. 's Ochtends in de file en 's avonds nagenieten van een safari. Het is de compactheid van Sri Lanka in woord en beeld.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten