zondag 1 maart 2026

Reisverslag Sri Lanka deel twee: pauze bij de culturele driehoek

Dinsdag 6 januari
De Singalezen zagen hun eerste hoofdstad, Anuradhapura, graag. Rivaliserende stammen uit Zuid-India zagen deze plek echter nog liever en dat is de reden waarom deze meer dan tweeduizend jaar oude hoofdstad werd herschapen tot een ruïnesite na hun inval. De nieuwe hoofdstad Polonnaruwa werd meer landinwaarts gevestigd totdat de Indische buren opnieuw eens op bezoek kwamen. Nadat Polonnaruwa werd vernield, vestigden de Singalezen zich uiteindelijk in de bergen bij Kandy. 

Anuradhapura is dus tweeduizend jaar oud en dat is te zien. Of beter gezegd - dat is niet te zien. Ik heb graag dat tempels authentiek zijn, maar je kan de vraag stellen wat er nog overblijft van tempels die dateren van voor de opkomst van het Romeinse rijk. Ruïnes zijn dan misschien net iets te geruïneerd. De beeldhouwwerken in Isurumuniya Vihara zijn naar verluidt beroemd in heel Sri Lanka, ik herinner me enkel nog de glibberige rotsen waarmee we op onze blote voeten de voetzenuwen pijnigen. Op deze heilige plaatsen mag je geen schoenen dragen en met rotsen en modderig zand wordt dat soms een pijnlijke - en vuile - aangelegenheid. Reisbegeleider Kanchi werpt zich op als gids en doet een langdradige uitleg over het Boeddhisme. Twintig ongeïnteresseerde ogen verraden dat de te lange uitleg aan de meesten voorbij gaat. 

Ik had liever meer tijd gespendeerd aan het mooie Ranmasu Uyana, de koninklijke lusttuin. Maar het kwartiertje dat we hier krijgen is amper voldoende om deze mooie locatie te bewonderen. Vooral de architectuur waarbij de ruïnes opgaan in het groen bezorgt me innerlijke rust. Die vind ik niet bij 's werelds oudste Bodhiboom. Bij Jaya Sri Maha Bodhi bevindt zich namelijk een nakomeling van de originele Bodhiboom waar Boeddha zijn eerste leerrede heeft gegeven. Een plek waar ik enkele maanden eerder was in Sarnath. Bij deze gebedsplaats is het een drukte van jewelste en deze plek voelt dan ook meer aan als afvinken dan beleven.   

Dan is het tijd voor een bezoekje aan de grootste stupa ter wereld: Ruwanwelisaya. Een kleine speurtocht op het internet zegt dat er zich in Sri Lanka nog grotere stupa's te vinden zijn. In ieder geval, de witgekalkte koepel ziet er ronduit indrukwekkend uit door zijn gigantische omvang. Zelfs als die nu veel kleiner is dan vroeger. Rondom bevinden er zich kleinere stupa's en schrijnen waar een offer kan gebracht worden met behulp van Araliya-bloemen. Hoewel ik mezelf beschouw als cultuurminnend kan deze dag me niet helemaal bekoren. De dag is te. Te gehaast, te veel mensen, te veel willen afvinken, te geruïneerd. Op deze dagen is meer minder. Of minder meer.  

Een klassieke rondreis van Sri Lanka bezoekt in de eerste week de zogenaamde culturele driehoek: Anuradhapura - Polonurawa - Kandy. Dat zijn erg veel tempels, schrijnen en Boeddhabeelden op één week. Daarom ben ik blij met de verplaatsing naar het plaatsje Trincomalee aan de oostkust van Sri Lanka. Even weg van de tempels. Meer rust, minder moeten, meer gelegenheid om je eigen ding te doen. Of toch niet. Kanchi weet de groep namelijk te vertellen dat je niet kan zwemmen of niet kan snorkelen. Tja, wat kan je nog doen in een kuststadje waar je in het moessonseizoen niet mag zwemmen of snorkelen. Lezen?  

Woensdag 7 januari
Ja, lezen, want verder valt er niet veel te beleven in Trincomalee. Gisteravond heb ik nog een kleine strandwandeling gedaan en nog een pasta gegeten in het stadje. Er is dus echt niks te zien hier en daarom besluit ik dus maar mijn e-reader van stal te halen. De Regels van het Ciderhuis van John Irving. Ruim 1800 virtuele pagina's in ebookformaat, wellicht ruim zeshonderd pagina's voor het fysieke alternatief. Ik heb John Irving vorig jaar ontdekt en ik verslind met veel plezier zijn boeken. Daar heb ik dus vandaag uitgebreid de tijd voor. Ik zit aan het strand waar de stevige wind me vergast op haar aanwezigheid. De branding van de zee staat nooit stil waardoor ik niet echt kan beweren dat het hier rustig is. 

Toch verdwijn ik moeiteloos in het morele dilemma van dit boek en pauzeer ik enkel voor een occasionele koffie. De andere reisgenoten doen het iets actiever. Zij bezoeken een tempel in de buurt, gevolgd door een visite aan een lokale fruit- en vismarkt. Ik heb deze dag uitgekozen om te ontsnappen aan de tempels. Mijn afwezigheid is dan ook een logische vanzelfsprekendheid. 

Bij sommige pagina's verplaatsen mijn gedachten zich naar deze locatie. Het is mooi, het is een schitterend intermezzo in een tempelintensieve eerste week, maar zou ik hier zitten als ik mijn eigen programma mocht kiezen? Ik denk het niet. Het is ook feedback die ik na deze reis bezorg aan Koning Aap. Toch kijk ik tevreden terug op deze dag. Ik heb me ontspannen, ik heb literair genoten en ik ben opgeladen voor de volgende dagen. Maximale benutting van een nutteloze dag.   

Donderdag 8 januari
Hoe maak je een mooie dag nog mooier? Kanchi zet dit in de praktijk om wanneer hij aankondigt dat na het bezoek van Polonurawa we naar Hurulu Eco Park reizen. Maar eerst Polonurawa dus. Dit is de tweede hoofdstad van het Singalese koninkrijk nadat de eerste hoofdstad Anuradhapura werd vernield door Zuid-Indische stammen. Jonger en dus ook in betere staat. Jong betekent hier ongeveer duizend jaar oud. Leeftijd is - zoals altijd - relatief. 

Kanchi kietelt de zenuwen van de groep door in sneltreinvaart door het lokale museum te stappen. Hij laat een maquette zien met daarop enkele gebouwen die we even later bezoeken. Bij de maquette zie je hoe deze gebouwen er vroeger hebben uitgezien. Zo weten we dus dat het koninklijk paleis ongeveer een duizendtal kamers telde en zeven verdiepingen hoog was. Veel meer dus dan de twee stenen trappen die we even later te zien krijgen. Waar Anuradhapura als onafgewerkt aanvoelt, is Polonurawa meer verfijnd. Nog altijd in ruïne, maar wel in betere staat. Half geruïneerd, half afgewerkt. De restauratie van de audiëntiezaal illustreert ook waarom. In de luwe ochtendzon pendelen we met de fiets naar het heilige vierkant, de aorta van deze stad. 

Met opengesperde mond wandel ik van de ene verbazing naar de andere op deze plek. Een iconisch rond heiligdom met vier zittende Boeddhabeelden staat recht tegenover een reliekschrijn met drie andere Boeddhabeelden. Hier zijn tal van gebouwen. Soms heeft de tand des tijds veel geëist van het gebouw dat niet meer rechtstaat, soms is het zo goed als nieuw zoals dat men in verkoopstaal pleegt te zeggen. Het meest imposante gebouw is toch wel Thuparama, de enige tempel die overdekt is. De dikke bakstenen muren eisen respect, net zoals het Boeddhabeeld dat zich binnenin bevindt. Een ongemakkelijke duisternis omarmt mij wanneer ik dieper de tempel in ga. Gedurende dertig seconden ben ik hier helemaal alleen. Alleen op een site die onder de voet wordt gelopen door de toeristen. Het voelt sacraal aan. Cerebraal. Atheïsten en agnosten worden gedurende dertig seconden spontaan religieus. 

Het einde van het bezoek aan Polonurawa moet qua spektakel nauwelijks onderdoen. Na opnieuw een stupa bezocht te hebben, wandelen we naar Gal Vihare. Hier zijn vier Boeddhabeelden uitgehouwen uit één rotswand. Uniek. Vooral de liggende Boeddha van veertien meter lang weet mijn zinnen te prikkelen. Dit is vakmanschap dat ik zelden heb gezien. Het is bijna hartverscheurend hoe laconiek ik de andere beelden bekijk. Mooi, maar de liggende Boeddha was toch imposanter. De tijdsdruk voedt mijn laconisme. Tien minuten om alles te bekijken. Het is te weinig. 

De namiddag is gereserveerd voor Hurulu Eco Park. De favoriete verblijfplaats van olifanten die je in deze regio frequent vindt. In januari is dit een populaire plek omdat de andere nationale parken in de buurt zijn overstroomd door de moessons. Hier is het droger. Ook ruwer. Dat merk ik aan de zandpaden die absoluut niet zo vlot te berijden zijn zoals in Wilpattu. Het landschap is hier ook een stuk eentoniger. Groen gras, metershoog, zo ver de ogen strekken. Mijn ogen zijn niet vergestrekt. Die zijn namelijk gericht op de kuddes olifanten die we gemakkelijk spotten. Wij niet alleen, want een leger aan jeeps vechten om elke vierkante meter. De chauffeur van onze jeep jaagt zich met doodsverachting door het struikgewas op een heuvel. De dikhuiden geven geen kick. Het is bijna angstaanjagend hoe de olifanten gewend zijn aan menselijke aanwezigheid.    

Na twintig minuten gaan we op zoek naar meer wild. Meer wild betekent in de praktijk meer olifanten. Andere diersoorten zijn hier amper te ontdekken, buiten een paar verdwaalde vogels. Die olifanten krijgen we na een twintigtal minuten opnieuw te zien. Een andere kudde. Met kalf. De oohs en de aahs vliegen in het rond. Nu is het wat rustiger met minder voertuigen. De chauffeurs van de aanwezige jeeps beseffen na een tijdje dat een stilstaande motor aangenamer is dan een draaiende. Op het duizendste gemak eten deze grote landdieren het gras op. Het werkt hypnotiserend. Bijna spiritueel zelfs. Toch meer dan bij mijn tempelbezoeken. Op het einde is er nog een klein uitstapje naar een rotsmassief waar een klimpartij een enig mooi uitzicht biedt over dit park. Een mooi einde voor een mooie dag.  

Geen opmerkingen:

Een reactie posten