zondag 13 september 2026

Reisverslag Canada deel zeven: inheemse culturen

Dinsdag 25 augustus
Ik schreeuw naar cultuur, maar het dagprogramma voor vandaag belooft een fietstocht door Vancouver. Mooi om de stad te leren kennen, maar ik wil toch ook graag een museum meepikken. Bovendien ben ik nog tot twee uur 's nachts blijven plakken in de plaatselijke horeca. Ik wil een persoonlijke secondewijzer die enkel voor mij tikt. Het ritme van een cultuurminnende, ietwat slaapdronken en allicht ook nog lichtjes dronken toerist die een Canadese miljoenenstad wil ontdekken. Ik besluit dus om Vancouver alleen onveilig te maken. Te voet. Het begin is aangenaam. In aangenaam ontluikend zonlicht fotografeer ik de buurt van Sunset Beach en English Bay. Ik kijk naar de mensen en lees graag over de monumenten die hier staan. Inukshuk. Het zegt me weinig, maar ziet er wel leuk uit. 

Vandaag wordt het andermaal warm en ik rust op een bankje om de oostelijke ochtendzon te begroeten. Mijn maag snakt naar koffie, mijn hoofd zegt echter nee. Eerst het alcoholresidu kwijtraken. Dat doe ik al stappend. Naar het grote Stanley Park waar ik een stukje regenwoud in Vancouver aantref. De stadsrand is vlakbij en op twee minuten lijkt het alsof ik op een afgelegen plek ben. Een toestormende fietser maakt duidelijk dat dit niet het geval is. 

Lost Lagoon
is de plek die je wil zien, leert het internet mij. Een verloren lagune die gekneld zit tussen de stadsrand van een miljoenenstad en een stukje regenwoud. Wat moet ik als Belgische toerist hiervan denken? In mijn huidige toestand niet veel. Wat ik te zien krijg, is enerzijds een vertoning van biologen die werk verrichten op een eenzame plek van deze kunstmatig aangelegde lagune.  Anderzijds is er de drukke verkeersader die vlak langs de lagune loopt. Drukte en rust die verbonden zijn door een plas water. Langzaam ga ik die drukte tegemoet. Ik zie de hoogbouw al in mijn ooghoeken opduiken. Moderne constructies opgetrokken in glas en staal. Soms in vreemde bogen, meestal rechthoekig. Het moderne stadscentrum vormt met zijn drukte en menselijke aanwezigheid de totale antipode van mijn reis door Canada. En daarom is het misschien ook een mooie afsluiter voor deze reis. Van architectuur kan ik ook genieten. Het is te zeggen, van de architectuur van sommige gebouwen. 

Het bakje koffie verwelkomt me in Gastown. Hier is een stoomklok met vier pijpen de plaatselijke attractie. Elk kwartier komt er stoom uit deze pijpen. De moeite van het wachten niet waard, maar ik ben er toevallig wanneer het weinig spektakelrijke kijkstuk zich voor mijn ogen voltrekt. De koffie die ik heb gedronken, was toch beter. Dit is het toeristische gedeelte van deze grootstad, het Vancouver waar souvenirshops en restaurantjes het straatbeeld domineren. Massatoeristen vinden dat gezellig, inmiddels ontnuchterende solotoeristen kitscherig. Het epicentrum van toeristisch Vancouver wacht echter op mij bij Granville Island. Via de residentiële buurt van Yaletown en False Creek beland ik bij een watertaxi die me naar deze door toeristen overlopen plek brengt. Dit is het gastronomische Vancouver. 

Gastronomisch wil hier zeggen een food court waar elke vierkante centimeter bezet is door menselijke aanwezigheid. Eetkraampjes uit alle vier de windrichtingen zijn hier aanwezig: lokale gerechten, Aziatische specialiteiten en talloze keukens uit Europa en Centraal-Amerika. Aan keuze geen gebrek. Aan mensen ook niet. Ik besluit om een wrap mee te nemen voor mijn grote overtocht naar het Museum of Anthropology dat zich aan de overzijde van de stad bevindt. Ik snuister even door deze buurt. De winkeltjes hier verkopen meer ambachtelijke spullen. Het is objectief allicht mooi, maar het spreekt me niet echt aan. Sowieso was ik toch niet van plan om iets te kopen. 

Via een kleine queeste beland ik uiteindelijk bij de bus waar ik moet zijn. Een klein paniekmoment later realiseer ik me dat dit niet de juiste bus is. Ik stap in allerijl af en als een geluk bij een ongeluk beland ik bij de universiteitsbuurt van Vancouver. Hier staat het Museum of Anthropology namelijk. Het geeft een kijkje in een andere wereld van Vancouver. Witte, strakke gebouwen die me doen denken aan Stad van de Kunsten en Wetenschap in Valencia, maar minder bombastisch. Eind augustus is het hier nog rustig. Het academische jaar moet nog starten. Mijn academische kennis over de inheemse volkeren hoop ik in ieder geval bij te spijkeren bij mijn museumbezoek. 

Het wordt een bezoek met gemengde gevoelens. Het gebouw alleen al is een bezoekje waard. Grote glaspartijen en hoge plafonds laten een zee van licht binnenvallen in de grote galerij waar de belangrijkste werken zijn tentoongesteld. Door de gigantische ramen zie ik de spectaculaire natuur. Het gebouw zelf is eigenlijk een decorstuk in dit museum waar menselijke aanwezigheid naadloos overgaat in natuurlijke présence. Monumentale totempalen, ceremoniële objecten en beeldhouwwerken vertellen meer over de kunst van lokale stammen. Ze vertellen echter weinig over de mensen zelf: hoe ze leefden, wat ze deden, wat hun geschiedenis is. Wel een kajak van vijftien meter lang en een totempaal die tien meter hoog is. Imposant? Zeker en vast. Interessant? Daar kan over gediscussieerd worden... 

De andere galerijen bieden ook ruimte voor kunstobjecten uit talloze andere culturen. Tof, maar ik was toch echt wel naar dit museum gekomen om de cultuur van de inheemse stammen te leren kennen. Dat heb ik slechts met mondjesmaat gedaan. Ik vind het zelfs ergens een miskenning van de eigen cultuur dat de kunstobjecten uit de rest van de wereld meer ruimte krijgen dan de eigen volkeren. Dat is het wellicht niet, maar voelt wel zo aan. Zeker omdat ik speciaal hiervoor naar het Museum of Anthropology ben gekomen. Wel is er een intensieve samenwerking met kunstenaars van de lokale stammen die hier hun werk mogen tonen. Op dat vlak voelt het meer aan als een atelier dan als een museum. 

Het museum sluit wel in schoonheid af. Het beroemde werk The Raven and the First Men krijgt een eigen zaal: de rotonde. Het reusachtige, driedimensionale kunstwerk is volledig met de hand gesneden uit één gigantisch gelamineerd blok, opgebouwd uit 106 balken van gele ceder. Net zoals Lake Moraine was dit werk zo iconisch dat het jarenlang is afgebeeld op een het Canadese twintig dollarbiljet. De grootsheid van dit werk dien je letterlijk te nemen. Het is echt groot. Artistiek is het goed, maar niet uitzonderlijk uitgevoerd. De ronde ruimte waarin een glazen koepel het zonlicht doorlaat, maakt dit kunstwerk nog bijzonderder. Zo voelt mijn cultuurbad toch niet aan als een koude douche.      
   
Woensdag 26 augustus en donderdag 27 augustus
De laatste keer dat ik vroeg uit de veren moet tijdens mijn reis door Canada. De wekker van mijn telefoon moet me niet wakker roepen. Door de veel te hete kamer in het hostel heb ik amper een oog dichtgedaan. Een verkwikkende douche brengt soelaas. Bepakt en gezakt mogen we deze keer zelf onze koffers dragen naar de metro van Vancouver. De halte ligt een kwartiertje verder. Wanneer we vertrekken, slaapt Vancouver nog. Enkele vroege vogels en nachtraven kruisen ons pad, maar het blijft opvallend rustig. Een eerder kleine metro brengt ons op een half uur naar de luchthaven. Daar is eerst nog het gebruikelijke gevecht met de papiermolen en de procedure om de bagage zelf in te checken. Niet gemakkelijker, maar wel goedkoper. Voor Air Canada toch. Voor mij eerder een broeihaard van frustratie. 

We hebben een tussenstop in Montreal en dat ligt helemaal aan de oostkant van Canada. Bijna vijf uur duurt die vlucht. Het is ontzagwekkend hoe groot Canada wel niet is. Dat is buiten de verkeersleiding gerekend die het vliegtuig op het tarmac houdt. Andere vliegtuigen krijgen voorrang. Net zoals in Zaventem drie weken geleden, moeten we hier een engelengeduld hebben. De duivel in mij vloekt rijkelijk. De vlucht zelf verloopt probleemloos, maar de klok tikt vrolijk verder en ik zie de tijd die er ons rest vrolijk verdwijnen. Bij de landing ontlopen we de douaneprocedure en mogen we naar de aansluitende gate lopen. Dat vat ik letterlijk op en in looppas snel ik naar de gate die uiteraard helemaal achteraan de terminal ligt. 

Opgelucht zie ik dat de boardingprocedure nog niet is begonnen. 
Verbaasd zie ik dat iedereen mijn spurt heeft gevolgd.    

Ik weet dat ik een onmiskenbaar talent heb om andere mensen nerveus te maken. Maar hier was het niet echt de bedoeling. Die nervositeit gaat allesbehalve liggen wanneer ik de bezetting van het vliegtuig zie. Links van mij een baby, wat verder rechts van mij ook. Ik verdenk producenten van noise-cancelling hoofdtelefoons ervan die baby's op vliegtuigen te plaatsen. Kwestie van hun verkopen wat aan te zwengelen. Ik leef nu tussen hoop en vrees of het geen huilbaby's zijn. Het exemplaar links valt echter al aan na een paar minuten en geeft minutenlang een oorverdovend concert. Het levert een staande ovatie op van boze blikken. Gelukkig is de baby rechts wat stiller. Totdat die aan zijn serenade begint. Het moet gezegd worden: qua decibels was het ook meer dan indrukwekkend. En in beurtrol lossen ze elkaar af. Eerst links, dan weer rechts. Ik tel de minuten waarin er geen babygehuil is: één-twee-drie-vier... Nee, vijf minuten stilte is me niet gegund. Inmiddels zie ik dat de ouders ook volledig zijn afgemat. Uit sympathie werp ik hen een uiterst vijandige en boze blik toe. Welgemeend. Want deze vlucht heeft me gesloopt. 

's Ochtends landen we in Zaventem. Inmiddels is het al donderdag aangezien het tijdsverschil met Vancouver negen uur bedraagt. Deze keer laat de bureaucratie me niet in de steek. Mijn bagage zie ik na amper een paar minuten al op de carrousel verschijnen. Na het afscheid van de groep mag ik nog even langer genieten van de diensten van het Belgische openbaar vervoer. Eerst de trein, daarna de bus. Uiteraard missen die twee elkaar net waardoor ik weer een klein uur mag wachten. Wat is het toch heerlijk om terug in België te zijn!   

Eenmaal thuis zijn er verschillende dingen die ik wil doen, maar er is toch één die boven alles uitspringt. Een vraag aan ChatGPT: "Wat is de beste noise-cancelling hoofdtelefoon tegen huilende baby's in een vliegtuig?". 

donderdag 10 september 2026

Reisverslag Canada deel zes: Opzij, ik doe het vandaag liever traag

Zaterdag 22 augustus
Klaarblijkelijk ben ik legendarisch. Eerder vermeldde ik dat ik twee jaar geleden op weinig gracieuze wijze in een gletsjermeer tuimelde bij een kajaktocht in Noorwegen tijdens een reis van Beyond Borders. Sindsdien leef ik als fikse waarschuwing dat men voorzichtig moet zijn bij het navigeren met een tweepersoonskajak. Dat is niet onmiddellijk de wijze waarop ik herinnerd wil worden, maar om Oscar Wilde te citeren: “The only thing worse than being talked about is not being talked about”. Dat belet me nu niet om een nieuwe poging te ondernemen. Net als bij het mountainbiken doe ik dat als einzelgänger van de groep. Een Duitse vader treedt op als mijn gelegenheidsstuurman aangezien ik hem naar de achterste positie dirigeer. Daar staan de pedalen om het roer te bedienen, een taak die ik zelf niet zie zitten.

Een Belgische schone is vrij verrassend mijn gids voor deze ochtend. Ze komt graag naar Canada en kajakt nog liever. Ik ben dus in goede handen, want kajakken op zee is toch voor stoere bonken. Het ontembare water van de zee, de harde wind die van geen ophouden weet en metershoge golven die enkel met de allerbeste precisie bedwongen kunnen worden. Dat is het beeld dat ik heb van zeekajakken, maar het plaatje bij Clayoquot Sound ziet er in realiteit wel totaal anders uit. Het water bij de oevers is opvallend ondiep, de enige golfjes zijn afkomstig van watervliegtuigen die opstijgen en het is windstil deze ochtend. Mijn kajaktocht op het Noorse gletsjermeer met de bijna onuitspreeklijke naam Styggevatnet was moeilijker en zwaarder dan deze tocht.

Het begin verloopt wat aarzelend, maar na tien minuten gaan de drie kajaks al vlot langs de verscheidene eilandjes die hier liggen. Het beeld van een kleine kajak op een kalme zee, omringd door natuur en wilde kustlijnen schreeuwt ontsnapping aan de drukte uit. Die sereniteit klopt grotendeels. Totdat een watervliegtuig met een hels kabaal vertrekt en je geconfronteerd wordt met de golven die deze toestellen achterlaten. Maar toegegeven, dat gebeurt slechts sporadisch. Het is toch de rust die ik associeer met deze kajaktocht. Al peddelend van eiland naar eiland varen, speuren naar de zeesterren die zich bevinden bij het zelfuitgeroepen Starfish Channel en de oorverdovende stilte proeven wanneer ik me midden op zee bevind. En af en toe zwoegen omdat mijn Duitse bootgenoot meer aandacht heeft voor het maken van foto’s dan voor het peddelen in de kajak. Het is een prijs die ik wil betalen om niet aan het roer te staan. Letterlijk en figuurlijk.

Na anderhalf uur kajakken zetten we terug voet aan wal bij Meares Island. Het eiland staat bekend om het oudgroeiwoud dat hier sinds het begin der tijden staat. De Belgische gids is een vat vol kennis en vertelt honderduit over deze plek. Hoe oud rode cederbomen kunnen worden, waarom ze een kribbe van leven worden genoemd, wie de Tla-o-qui-aht zijn en zelfs welke rituelen hier om middernacht bij een volle maan worden uitgevoerd (tip: het heeft iets te maken met naakt rond een boom dansen). Na Elk Falls en Cathedral Grove heb ik wel voldoende gematigd regenwoud gezien, maar met deze informatie kijk ik toch vanuit een ander perspectief naar deze locatie.

De wandeling over het plankenpad dat er schots en scheef bij ligt, duurt ongeveer één uur. Vervolgens duurt het opnieuw één uur om terug naar de startplaats te varen. We hanteren nu een andere route. Bij de eilandjes is het water echt wel ondiep. Ik kom bijna vast te zitten, hoewel ik toch tientallen meters verwijderd ben van een eiland. Ook het vele kelp dat op het water drijft, bezorgt me kopbrekens. Bij elke peddelslag heb ik wel een deel van deze groene en bruine smurrie mee. In de verte denken we een zeeotter te zien. We varen ernaartoe, maar het blijkt vals alarm te zijn. We ontdekken op deze plek per toeval wel een zeehond die door het water zwemt. Het onverwachte omarmen, dat betekent deze kajaktocht voor mij.

De andere reisgenoten verkiezen een lange excursie naar warmwaterbronnen die nog tot de avond duurt. Ik heb dus met andere woorden nog de hele namiddag om mijn eigen ding te doen. Het plaatsje Tofino heeft niet veel te bieden en na een koffie speur ik op mijn telefoon naar een wandeling die ik hier kan doen. Het wordt een luswandeling die gebaseerd is op de Tonquin Trail. Deze trail verkent de capricieuze kustlijn van Pacific Rim NP, maar ik begin bij regenwoud dat zich in het binnenland bevindt. Het is te zeggen, een bos dat zich op anderhalve kilometer van de kust bevindt. Hier vallen de vele grindwegen op die in een wirwar van paden een labyrint vormen. Gevelde bomen verraden dat hier aan houtkap wordt gedaan. Informatieborden verkondigen dan weer dat de natuur hier beschermd wordt. Acties spreken echter luider dan woorden, dus ik heb moeite om dit te geloven.

Het is markant hoe rustig het hier is, terwijl Tofino toch een toeristische bestemming is. Die rust verdwijnt even later als sneeuw voor de zon wanneer ik een drukke autoweg volg die me terug naar de camping leidt waar we verblijven. Het is hier dat de echte wandeling begint. Ik voel het witte strandzand aan mijn tenen, stap bij hoogtij door de getijdenpoelen met mijn waterschoenen en klim via rotsige paadjes langs het kustregenwoud dat deze wandeling pittiger maakt dan de doorsnee kustwandeling. Het is een mooie opwarmer voor de West Coast Trail die ik volgend jaar wil doen. Plankenpaden maken het leven gemakkelijker en overbruggen de moeilijkste punten. Regelmatig stop ik om een foto te maken: van de dramatische rotsen, de mooie vergezichten of de drukte op het strand. Met een lengte van acht kilometer en een duurtijd van anderhalf uur is deze wandeling niet lang, maar ze smaakt wel naar meer. Nu is dit slechts een voorproevertje.

Zondag 23 augustus
Deze reis van Beyond Borders wordt gekenmerkt door een stevige portie natuur, maar als cultuurliefhebber wil ik ook mijn dorst lessen met een stevige scheut cultuur. Ik wil graag wat meer te weten komen over de First Nations-volkeren die hier wonen, hoe de kolonisatie van Canada tot stand kwam, de verre geschiedenis van het land en toch ook wel de architectuur van de steden. Mijn reisgids prijst Victoria aan als een stad waar je best even de tijd voor neemt om ze te ontdekken. En laat tijd net iets zijn wat ik vandaag niet heb. De autorit van Tofino naar Victoria duurt namelijk langer dan verwacht. 

De laatste natuurwandeling van deze reis wordt gemaakt bij Ucluelet waar de Lighthouse Trail ons opnieuw langs regenwoud brengt. Het is opnieuw een aangename ontmoeting met het Canadese regenwoud dat ik ondertussen al ken en bemin. De kronkelende takken van rode cederbomen die in elkaar vervlochten zijn, de intieme inhammen van de ruige kustlijn, het kelp dat het strand besmeurt met zijn alomtegenwoordige aanwezigheid en minuscule zeediertjes die zich ophouden in getijdenpoelen. Het karakter van deze wandeling is net iets anders dan dat van de vorige hikes op Vancouver Island. Minder groots, meer maritiem. De woudreuzen blijven spectaculair. Boomstammen met een diameter van twee meter en een kruin vijftig meter boven mijn hoofd blijven een spectaculair beeld. Maar de aandacht verschuift. Naar de vergezichten over het water. Naar de kustlijn en het strand. Naar de rotsige eilandjes die deze plek haar wilde haren geven. En ook naar de witte vuurtoren die er als een wit-rood misbaksel ietwat mistroostig bijstaat bij deze natuurbeleving. 

Zoals altijd wil ik uitgebreid de tijd nemen om verwonderd naar deze plek te kijken. Dat zit er niet in. De groep wil vooruit. In mijn hoofd hoor ik:

Opzij opzij opzij
Maak plaats maak plaats maak plaats
Wij hebben ongelofelijke haast

Het liedje van Herman van Veen speelt door mijn hoofd wanneer ik stop bij een mooi uitkijkpunt en de rest alweer vertrekt. Niet dat ik er rekening mee houd. Ik weet waar we geparkeerd zijn met de auto's en ik heb het kaartje van de route. Ik ga niet opzij, ik maak geen plaats en ik heb geen ongelofelijke haast. Ik doe het rustig aan en wandel op mijn eigen tempo. Even later is de onthaasting ook bij de reisgenoten ingezet en kijken ze vol belangstelling naar de wonderbaarlijke rotsen en getijdenpoelen op een doodlopend strand. We zijn niet naar Canada gekomen om gejaagd door tropisch regenwoud te stormen. Het is een idee waarin nu iedereen kan berusten. 

Bij Sproat Lake houden we een pauze en worden de tenten voor een laatste keer nog eens uitgeworpen. De Canadese zomerzon geeft verstek, maar ook met een fikse bewolking kunnen de natte tenten drogen. De volgende kampeerders zullen ons dankbaar zijn. Richting Victoria is het opnieuw even improviseren met het opzoeken van interessante bezienswaardigheden. De keuze is gevallen op Kinsol Trestle waar een enorme houten spoorwegbrug een relikwie is van decennia geleden. Ze stond toen symbool voor de bloei van een opkomende natie. Nu is ze een aandenken aan het turbulente verleden van Canada waarbij de houten brug zelfs dreigde gesloopt te worden. In 2011 werd deze enorme houten constructie echter gerenoveerd en gered van de sloophamer. Het ziet er leuk uit, de overspanning van de Koksilah River-vallei is imposant, maar het kan me niet echt bekoren. Ik wil naar Victoria voor mijn cultuurbad. Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb een ongelofelijke haast!   

Ik heb dat wel, maar de bestuurders van de auto's in de files hebben dat veel minder. Files dus. Na bijna drie weken in Canada te bivakkeren, ben ik bijna vergeten dat die ondingen ook nog bestaan. Bij de steden is het telkens raak. Bij elk verkeerslicht is het aanschuiven. Het zijn er een aantal, maar in mijn verbeelding zie ik een tienvoud. De lange uren in de auto beginnen door te wegen. De laatste dagen hebben we veel in de auto gezeten. Te veel naar mijn zin. En daar is deze autorit de anticlimax van. Maar traag lukt ook en uiteindelijk bereiken we ons hotel rond de klok van vijf uur 's avonds.   

Even de tijd nemen om Victoria te verkennen zit er vandaag niet meer in. Morgen ook niet. We vertrekken dan om elf uur 's ochtends zodat we zeker op tijd zijn voor de ferry naar Vancouver. Mijn cultuurbad wordt eerder een flitsdouche. Deze avond wordt opgeofferd aan het diner en een pubbezoek. Dat is ook cultuur.   

Maandag 24 augustus
Mooi weer vandaag
Ik doe alles vandaag liever traag

Waar gisteren Herman van Veen door mijn frontale cortex galmde, is dat nu Bart Kaëll. Het is mooi weer en dat spoort het reisgezelschap - dat er duidelijk één is van uiterste snelheden - aan tot traagheid. Een mooie eigenschap wanneer je bijvoorbeeld de laatste natuurwandeling van de reis doet, een minder mooie eigenschap wanneer je om elf uur 's ochtends alweer moet vertrekken. Dat betekent dat ik dik drie uur heb om Victoria te verkennen en om de tijd zo efficiënt mogelijk te benutten, doe ik dat op mijn ééntje. Door het beperkte tijdsbestek wordt het vooral een sightseeing tour met een klein bezoekje aan het parlement van British Columbia. Mijn mini-citytrip begint bij de haven waar het om elf uur 's ochtends ongetwijfeld erg gezellig is, maar rond acht uur was het er vrij doods. 

Het geeft me wel de tijd om ongestoord door het centrum van Victoria te dwalen en de Britse architectuur te aanschouwen. Hoewel Victoria Canadees is, gaat deze stad er prat op dat ze meer Brits is dan de Britse steden. Laat me zeggen dat Victoria vooral heel erg Victoriaans is, eerder dan Brits. Het belichaamt voornamelijk de Victoriaanse architectuur die in de negentiende eeuw tijdens de regeerperiode van koningin Victoria populair was. Bakstenen gevels met sierlijke ornamenten, asymmetrische daken en een lage schaal van gebouwen. De stad is dus niet onmiddellijk een weerspiegeling van de gehele Britse architectuur, eerder een reflectie van een bepaalde periode. Maar wat er staat, is bijzonder fraai met het Fairmont Empress Hotel als één van de grootste blikvangers. 

Het meest bijzondere aan de stad is echter typisch Canadees. In de kleine binnenhaven vind je namelijk een heuse luchthaven waar watervliegtuigen landen en opstijgen. Het is tamelijk bizar om zoiets te zien in een tamelijk grote stad. Het hoogtepunt van deze ochtend is het bezoek aan het parlement van British Columbia. Victoria is namelijk de hoofdstad van deze provincie en heeft dus ook een apart parlement. Het gebouw zelf houdt het midden tussen imposant en potsierlijk. Om negen uur begint er een rondleiding, maar ik bezoek het parlement op eigen houtje. Time management is vandaag strak. Ik trek een beetje tijd uit om de verscheidene artefacten van de First Nations te bezichtigen. Het biedt een vlugge introductie tot de leefwereld van de oorspronkelijke bewoners van dit stukje van de wereld. 

Het gebouw zelf is echter de grote hoofdrolspeler in dit verhaal. De grote koepel, een oculus (ronde opening) dat mijn blik naar de volgende verdieping leidt waar magnifieke muurschilderingen de ruimte vullen, de statige glas-in-loodramen en het opulente parlement zelf. Kosten noch moeite zijn gespaard om dit het meest indrukwekkende gebouw van heel British Columbia te maken. En dat is goed gelukt! Drie kwartier dwaal ik door het gebouw. Verbaasd over de architectuur, benieuwd naar hoe de First Nations leefden. De rondleiding van negen uur is al een tijdje geleden begonnen en af en toe sta ik te luistervinken. De gids brengt haar verhaal met een belerende toon. Ik ben blij dat ik toch mijn eigen tempo kan aanhouden, ook al is de informatiedichtheid niet zo groot als bij een gegidst bezoek. 

Uitrusten doe ik vervolgens bij Beacon Hill Park, een park van maar liefst 74 hectare groot. Net zoals de rest van het centrum is ook dit park aangelegd in een Victoriaanse stijl. De fantastisch aangelegde tuinen en vijvers bieden een beetje verkoeling op deze dag die toch aardig warm begint te worden. Kriskras loop ik door de paadjes die naadloos in elkaar overgaan. Er is niet echt één blikvanger in Beacon Hill Park, het park zelf is de blikvanger. Langzaam loop ik rond tien uur terug richting het hotel. Ik verken de binnenhaven op het gemak en ik drink er een koffie. Niet zo Brits dus. 

De overzettocht naar Vancouver mag absoluut niet gemist worden en dat houdt in dat we ruim één uur op voorhand aanwezig zijn bij de ferry. De tocht zelf is een tikkeltje minder geweldig dan de eerste keer. De eerste keer had ik het gevoel dat ik in Nieuw-Zeeland was, dit voelt toch een beetje meer industrieel aan. Minder natuur, meer stad. Uiteraard blijf ik overweldigd door de natuur hier, maar het voelt inmiddels wel vertrouwd aan. De gewenning die optreedt na bijna drie weken in Canada te vertoeven. Files wennen echter nooit en in Vancouver steken die meer dan ooit de kop op. Het zijn de laatste loodjes. Wanneer we ons hostel bereiken, mogen we de twee Chrysler Pacifica's uitzwaaien. Ik zal ze niet missen.  

In Downtown Vancouver zitten we in het kloppend hart van de stad. Gemakkelijk als je iets wil eten of drinken, maar veel bezienswaardigheden zijn hier niet. Dan wordt het maar een strandbezoek aan Sunset Beach met een (niet zo) fris pintje. Met een klein groepje zitten we op een boomstronk, nippen we aan een blikje bier en speuren we de omgeving af. We kijken naar het Sint-Anneke-achtige strand dat paalt aan de grote, industriële schepen die hier voor anker liggen. Naar de sportievelingen die met dit warme weer aan het hardlopen zijn in het park. Naar de durfals die onversaagd door het koude zeewater zwemmen. En ook naar het bord dat zegt "Drinking alcohol is not permitted at this beach". Mijn blikje bier is ondertussen al op.     

donderdag 3 september 2026

Reisverslag Canada deel vijf: tussen pieken en walvissen

 Woensdag 19 augustus
Zijde gij nu helemaal zot geworden?”. De reactie van een goede vriend spreekt boekdelen wanneer ik vertel dat ik ga mountainbiken in Whistler. En inderdaad, volgens mij is er toch een zekere staat van zinsverbijstering nodig om met een mountainbike in een gondel te stappen en vervolgens 1500 meter als een speer te dalen over een technisch veeleisend parcours. Logan is mijn begeleider vandaag en hij weet me gerust te stellen. Mijn tochtje gaat over de geaccidenteerde paden in het bos waar ik gisteravond nog heb gegeten aan een meertje, Lost Lake. Dus niet op de Blackcomb-piek waar ik aanvankelijk voor vreesde. Als occasioneel mountainbiker is dat voor mij voorlopig te hoog gegrepen.

Het wordt een privétour, want ik ben de enige van het hele reisgezelschap die wil mountainbiken. Dat stelt me wat gerust, want het is alweer twee jaar geleden dat ik nog op een mountainbike heb gezeten. Ook wanneer ik op reis was uiteraard. Logan legt haarfijn uit wat ik moet doen. Kijk naar de ideale lijn die ik wil volgen. Check. Laat de hydraulische zadelpen zakken wanneer die boven staat en ik wil dalen met mijn mountainbike. Check. Houd met één vinger van elke hand de remmen vast. Check. Bedien de versnellingen wanneer ik het tempo wil verhogen of verlagen. Check. Ga op de trappers staan tijdens het afdalen. Check. Steek de ellenbogen naar buiten bij het nemen van bochten. Check. En doe dit allemaal tegelijkertijd in een fractie van een seconde tijdens het rijden zelf. Euh, geen check?

Ik start met de zogenaamde groene trails. Grindwegen die relatief breed zijn en in moeilijkheid enkel opvallen door hun stijging of daling. Na het leren van de beginselen is dit relatief eenvoudig. Logan vraagt of ik een blauwe trail wil doen. Natuurlijk! Mijn groeiende zelfvertrouwen krijgt tijdelijk een deuk wanneer ik een andere mountainbiker op de grond zie liggen. Hij maakt onzacht kennis met de grond bij het begin van een blauwe trail na een foute interventie. Enigszins zenuwachtig begin ik aan de singletrack. Boomwortels, stenen, een bocht in een halve kom en bruggetjes worden met mate geserveerd. Ik doorsta het moeiteloos. Dat ging wel lekker en ik snak naar meer technische paden.

Dat is geen probleem, want dit pad was het gemakkelijkste blauwe pad dat Whistler in de aanbieding heeft. De volgende afdalingen vereisen meer techniek. De bochten volgen elkaar sneller op, rijvaardigheid wordt belangrijker en het tempo wordt door Logan opgedreven. Ik volg zijn bewegingen op de voet – figuurlijk dan toch – en werk me in het zweet. We doen het even rustiger aan en via enkele grotere wegen rijden we naar Green Lake. Dit gletsjermeer in Whistler heeft – je raadt het nooit – een groene kleur en doet dienst als kleine luchthaven voor watervliegtuigen die hier opstijgen en dalen. Een granolareep en een extra fles water moeten me energie geven tot de middag. Dat zal ik goed kunnen gebruiken, want het laatste uur is behoorlijk zwaar.

In plaats van afdalen, mag ik nu klimmen op de singletracks en dat is toch wel een ander paar mouwen dan dalen. Het vergt een stuk meer energie, maar is vooral technischer. Eerst is er de heilige drievuldigheid van de B: bocht, boomwortel en brug die elkaar in amper een paar seconden opvolgen. Daarna is de route bezaaid met stenen. Ergens tussen het frunniken met de hydraulische zadelpen en het nemen van een bocht gaat het mis. Ik moet afstappen. Daarna nog een keer en nog een keer. Het klimwerk is beduidend moeilijker dan dalen. Met mijn huidige rijvaardigheden stuit ik hier op mijn limiet. Dit zijn de moeilijkere paden onder de blauwe trails. Dat is voor mij al meer dan waarop ik had gehoopt.

Het serene karakter van het crosscountryritje op de Lost Lake Trails maant me aan tot innerlijke rust. Dit staat in schril contrast met de uitgelatenheid van de rest van de groep wanneer ik hen ontmoet om in de namiddag de wandeling naar de Stawamus Chief te doen. Dit is een bijzonder steile klim naar een uitkijkpunt over het adembenemende Howe Sound. Op Komoot heb ik gezien dat de route van niveau T2 en T3 is, synoniem voor “knap lastig” en “het kan nog altijd lastiger”. Ik begin aan het einde van de rij en laat iedereen vrolijk passeren. Nu heb ik even geen behoefte aan decibels. Even later gaan die decibels automatisch liggen. Iedereen is druk in de weer met het overwinnen van steile trappen, rotsblokken, geërodeerde paadjes en hoogtemeters in het algemeen. Ook ik. Na een half uurtje kan ik mijn T-shirt uitwringen van al het zweet dat dit stukje textiel heeft vergaard.

Inmiddels volg ik reisgenote Gaëlle die vraagt of we bij een splitsing rechtdoor of rechts moeten gaan. Rechts gaat het naar de derde piek, rechtdoor naar de eerste. Op Komoot volg ik het traject van de eerste piek. De verkeerde. Terwijl iedereen zichzelf naar de derde piek hijst, piloteer ik mezelf naar de eerste piek. Op het einde neemt de uitdaging toe met een open sectie van granieten rotsen. Eigenlijk moet ik via kettingen naar boven, maar dat behoud ik voor de afdaling. Ik neem een geïmproviseerd pad over de granieten rotsformaties en de laatste zweetparels worden bekroond met een pittoresk 360 graden-vergezicht over het stadje Squamish en Howe Sound. Het grauwgrijze weer werkt echter niet mee. Foto’s zijn eerder dramatisch dan beeldschoon. Ach, ik heb toch altijd een voorkeur gehad voor ruw en rauw.

Ondertussen stromen de berichten op WhatsApp binnen. De groep is in verscheidene delen gesplitst en lukraak naar de pieken geklommen. Er zijn nu mensen op piek één, twee én drie. Voor mij is het wel genoeg geweest. Na een inspannende mountainbiketocht heb ik geen fut meer om nog bijkomende pieken te doen. Bovendien heeft de eerste piek toch het mooiste uitzicht. De klim duurde ruim één uur, maar ook de daling duurt bijna zo lang. Door de vele stenen en rotsen verloopt die tamelijk moeizaam. Bovendien moet ik ook opletten in welke richting ik ga. Door de bomen het bos niet meer zien. Of in dit geval rotsen. Met wat uitzoekingswerk lukt het me toch om zonder al te veel problemen terug naar beneden te wandelen. Moe sta ik om vijf uur ’s avonds op de parking. Nat in het zweet moet ik nog een uurtje op de rest wachten. Mijn verjaardagscadeau voor vandaag.

Donderdag 20 augustus
De laatste week van deze reis staat in het teken van Vancouver Island. Je weet wel, het eiland waarop geen Vancouver te vinden is. Wel te vinden: majestueuze cederbomen in gematigd tropisch regenwoud. Dat houdt in dat we meer moeten pendelen, een euvel waarmee ik in de laatste week wel vaker geconfronteerd zal worden. Om elf uur moeten we bij Horseshoe Bay zijn om met de ferry de oversteek te maken naar Nanaimo. Nog voor tien uur staan we al op de ferry te wachten. De inkopen kosten veel minder tijd dan gepland. Waar het eerste winkelbezoek nog een uur duurde, is dat nu slechts tien minuten. Efficiëntie heet dat. We verliezen meer tijd met het bedrijfsfilmpje dat in de plaatselijke Walmart van Squamish wordt opgenomen dan met de boodschappen zelf.

Ongeduldig wachten we op de ferry. Niet dat de oversteek zo spannend is, maar we willen dieren spotten. Orka’s en walvissen in plaats van beren. We zitten niet op de goede plaats, want in de Strait of Georgia komen die slechts op specifieke plaatsen voor. En dat is niet langs de drukst bevaarde route van deze zee-engte. Ik heb niet zo’n grote behoefte aan het spotten van deze dieren. In Antarctica heb ik bultruggen bijna op armlengte gezien. Toch kan ik mijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken en kijk ik reikhalzend uit naar een ontmoeting met deze zwemmende zoogdieren. Het zal echter voor morgen zijn, want tijdens onze tocht zien we geen walvissen. Er ontplooit zich wel een subliem kustlandschap voor mijn ogen.

In de verte zie ik Vancouver liggen, maar dat behoud ik voor het einde van de reis. Nu concentreer ik me op de kustlijn die bevolkt wordt door steile, beboste hellingen en hoge bergen. Howe Sound is nog verrassend groen, maar gaandeweg kent de route een meer open karakter wanneer we midden in de Strait of Georgia varen. Op het bovenste dek heb ik het beste zicht en sta ik enthousiast bij de reling. De snijdende wind giert langs mijn lichaam en de koude overtuigt me om plaats te nemen op een stoeltje. Even bekomen van de koude. Zelfs op een weinig aantrekkelijke kruk werkt deze overzettocht therapeutisch. De zee heeft een rustgevend effect op mijn gemoed. De spelende kinderen die mijn persoonlijke ruimte bezetten wat minder.

In Nanaimo verlaten we de ferry en rijden we verder naar onze kampeerplaats bij Elk Falls Campground. Een camping waar het motto “back to basics” is. Er is namelijk geen stromend water. De slogan zou ook “knus bij elkaar” kunnen zijn. Ik word namelijk aangesproken door een ranger van Parks Canada. Het blijkt een Luxemburger te zijn. Hij gebiedt ons om twee tenten op te zetten in de daarvoor voorziene grindbak. Die is twee zakdoeken groot. Met frisse tegenzin komen we aan zijn eisen tegemoet. We willen namelijk nog naar Elk Falls Provincial Park.

Ondertussen ben ik de tel kwijt hoeveel watervallen we bezocht hebben. De echte aantrekkingskracht zit in de bomen. Torenhoge, statige bomen die van dit bos een rijk der giganten maken. Ik ben al eerder in gematigd regenwoud geweest, maar nog nooit heb ik het zo overweldigend ervaren als hier. Rode cederbomen zijn de blikvangers in dit landschap, maar ook sparren zoals de douglasspar en sitkaspar kleuren deze omgeving. Tussen deze bomen groeien verschillende varens die het bos een prehistorisch karakter geven. Het voelt alsof ik een reis door de tijd maak en op de aarde van een half miljoen jaar geleden ben beland. Het reisgezelschap dat al twee weken slentert door bossen en meren heeft het gaspedaal ontdekt en neemt nauwelijks tijd om ergens te stoppen. Dat houdt me dan weer een spiegel voor: dit is een reis, geen vakantie.

Vrijdag 21 augustus
Deze ochtend blijkt opnieuw hoe afwisselend deze reis in werkelijkheid is. Een zeesafari staat op het programma. Op zoek naar bultruggen, orka’s, zeeleeuwen, zeehonden, zeeotters en een heel scala aan vogels. Maar safari’s zijn zoals beleggingen: resultaten zijn niet gegarandeerd. Campbell River is nochtans wel een goede plek om deze tocht in een zodiac – een rubberen boot met buitenmotor – te doen. Het wemelt hier van het zeeleven en het zou wel vreemd moeten lopen als we geen dieren tegenkomen. Na twee minuten hebben we meteen prijs: een Amerikaanse zeearend rust uit op een houten paaltje. Een leuke opwarmer, maar voor de echt grote dieren moeten we naar de open zee.

De bestuurster van de zodiac treedt ook op als gids. Ze kent deze wateren als haar duimpje en weet waar de walvissen zich rond deze periode ophouden. In volle vaart vliegt de rubberen boot over het water en na twintig minuten wordt de motor uitgezet. Hier dobberen we dan... Ik kijk naar links. Niks te zien. Ik kijk naar rechts. Ook niks te zien. Ik laat het spotten over aan de anderen. Gemakkelijker en ze zijn er beter in. Na vijf minuten duikt de eerste bultrug op. En daarna nog één en nog één en nog één... Het zijn negen exemplaren. We houden een respectabele afstand, maar in hun drang om hun honger te stillen, komen de bultruggen zelf dichter bij ons. We zien de wasem uit de spuitgaten komen. Ook de kop en de staart zijn zichtbaar. Fonkelende ogen verraden dat dit voor veel mensen een droom is die waarheid wordt.

De oehs en de ahs vliegen in het rond, maar een half uur hetzelfde lied zingen doet zelfs de meest enthousiaste zanger de adem verstokken. We verzinnen een nieuw lied: op zoek naar orka’s. Het gaspedaal wordt opnieuw ingeduwd en we varen naar een totaal ander gebied in de Strait of Georgia. Het duurt niet lang voordat onze investering in tijd wordt terugbetaald. De eerste orka’s duiken in ons blikveld op. De typische rugvin en zwart-witte markeringen op de buik maken het overduidelijk dat dit orka’s zijn. Deze soort, de Southern Resident-orka’s, verslindt geen zeehonden. Hun dieet bestaat voornamelijk uit vis en meer bepaald chinookzalm die hier welig tiert. Of tierde, want ook in deze wateren komt het visbestand onder druk te staan door overbevissing.

Op de terugweg komen we nog enkele andere dieren tegen. Op een rode boei luiert een aantal zeeleeuwen die geen oog hebben voor de boten en mensen die hen spotten. In een tragikomisch moment hebben ze meer oog voor een soortgenoot die op de boei wil springen om een plaatsje te bemachtigen. Er is echter geen plaats meer en na enkele halfslachtige pogingen moet de zeeleeuw haar poging staken. In het water zien we nog het schattige hoofdje van een zeehond die nauwelijks opvalt in het grijze water. Ook veel watervogels zweven boven ons hoofd wanneer we terugkeren naar de haven. We hebben deze ochtend geluk gehad. Het gebeurt niet vaak dat je bultruggen én orka’s op één dag te zien krijgt. Deze ochtend is dus een goede belegging.

In de namiddag is het alweer een heel stuk rijden richting Tofino, maar twee stops luisteren deze kleine roadtrip op: Coombs en Cathedral Grove. Coombs ervaar ik als een verspilling van tijd. Het is een kruising van een toeristische markt en een soort kinderboerderij waar geiten op een met gras begroeid dak van een winkel staan. Dus leuk om publiek aan te trekken, maar het doel van deze plaats is om geld uit toeristische zakken te kloppen. Bij mij lukt dit enkel voor de cappuccino die meer room dan koffie is. Ik snuister in enkele boekenwinkeltjes om de tijd te doden, maar het is duidelijk dat deze stop een noodgreep is om onderweg toch iets interessants aan te bieden.

Over de tweede stop ben ik wel dolenthousiast. Cathedral Grove is een oerbos dat bestaat uit bijzonder hoge cederbomen en douglassparren die eeuwenoud zijn. Dit is de overtreffende trap van Elk Falls gisteren, want zowel de bomen, de varens als de omgeving zijn hier net dat tikkeltje –er: groter, hoger, dikker en toch ook wel mooier. Over deze plek heerst een oerkracht die Cathedral Grove een onaantastbaar karakter geeft. Het is alsof dit bos altijd heeft bestaan en altijd zal bestaan. Het type locatie waar je je als mens nietig voelt.

Het bos wordt getweeëndeeld door een autoweg die pal door het midden van het bos loopt. Aan de ene kant bevindt zich het oude bos en aan de andere kant het nieuwere bos. Dit nieuwe bos is nog steeds behoorlijk oud, maar kent niet de grootsheid van zijn oudere broer aan de overkant van de weg. Waar het oude bos bewondering oproept, voelt het nieuwe bos meer aan als een wandelbeleving tussen de bomen. Een uitstekend plankenpad helpt hier bij. Ik heb nu wat meer aandacht voor de vele informatieborden die hier staan en meer vertellen over deze plek. Over de bomen, de dieren die er leven en de oorspronkelijke bevolking van de First Nations die hier woonden. Kortom, waarom deze plaats eigenlijk een natuurlijke kathedraal is. Ik begin langzaam te beseffen hoe sterk Canada kan verschillen op relatief korte afstand.

dinsdag 1 september 2026

Reisverslag Canada deel vier: beren naast de weg

Zondag 16 augustus
Het hooggebergte is dus definitief uitgewuifd en maakt nu plaats voor een vulkanisch landschap waar spectaculaire watervallen onze hoofdmaaltijd vormen. Oude lavastromen en door de eeuwen uitgesleten rivierkloven bepalen hier het landschap. De talrijke watervallen zijn daarvan de meest spectaculaire erfenis. Deze attracties van Moeder Natuur zijn wat minder toegankelijk. Je moet er eerst een (kleine) wandeling voor doen om deze oerkracht in werking te zien. De start van de dag is meteen klein, maar wel bijzonder fijn: de Moul Falls. Eéntje waar je achter het water kan lopen.

De wandeling ernaartoe is zo’n 2,5 km lang en eerder gemakkelijk. Tenminste, totdat je in de buurt van deze watermassa komt. Dan gaat het plots over benenbrekende trappen en rotsen steil naar beneden. Dat zorgt er wel voor dat niet al te veel toeristen beneden staan, zeker niet om negen uur ’s ochtends. Dat geeft me de kans om als enige achter het neervallende water te staan en dat is een eigenaardig gevoel. Door de waas van het water kijk ik door de waterval in de prachtige kloof. Op een dag waarop superlatieven worden gebruikt om aan te duiden hoe krachtig en groots watervallen zijn, is dit minimalistische gevoel misschien wel het meest tot de verbeelding sprekend. Grote en krachtige watervallen heb ik al op veel plekken gezien. Maar een exemplaar waar je doorheen kijkt? Enkel nog in IJsland. De boswandeling naar deze plaats en terug maakt de ervaring nét dat tikkeltje mooier. Alsof je een verborgen parel ontdekt die niet voor iedereen is weggelegd. Bij het teruggaan wordt dit beeld rechtgezet. Tientallen toeristen zakken af naar deze plaats. Toch is Wells Grey heel wat rustiger dan de Rocky Mountains en is het op dat gebied een verademing qua drukte.

Niet elke waterval is ontzagwekkend door zijn waterkracht. De smalle Spahats Falls denderen tachtig meter naar beneden, maar hier is het vooral de prachtige kloof die de aandacht steelt. In een omgeving die groen kleurt door de talrijke dennenbomen loopt de met water gevulde kloof als een blauwe levensader door het terrein. Mijn aandacht verschuift van het watergordijn naar het totaalplaatje: de diepte van de kloof, de lange, bijna rechte lijn die de Spahats Creek heeft uitgesleten in het landschap en het panorama zelf.

Na een middagpauze bij Dutch Lake Beach gaat onze tocht onverminderd voort. Helmcken Falls is het derde exemplaar van de dag en die belichaamt als geen ander de superlatieven met cijfertjes. Met zijn 141 meter hoogteverschil is het één van de grootste waterspektakels van Canada. Ook verrassend breed trouwens: vijftien tot drieëntwintig meter. Van het uitkijkpunt waar wij staan, is dat nauwelijks waarneembaar. Reisgenoten kijken verbaasd op wanneer ik dit vertel (uiteraard wel eerst zelf opgezocht 😊). De komvormige kloof fascineert me minder dan de canyon bij Spahats Falls. Al dat natuurgeweld eist slachtoffers. In dit geval dus ik die niet meer opkijk bij zoveel geweldige natuur. 

De vreemdste beslissing van de dag is om ’s avonds naar Clearwater Lake te rijden, een aantrekkelijk wildernismeer. Het ligt echter behoorlijk afgelegen en de enige weg ernaartoe is een hobbelige zandweg die bezaaid is met putten. De bestuurders van de twee auto’s beschikken over stalen zenuwen om over dit excuus van een weg te rijden terwijl 4x4’s ons in volle vaart voorbij snellen. De omgeving is uiteraard een lust voor het oog en bovendien erg verlaten. Maar moeten we hier nu echt twee uur voor rijden? Het is een vraag die ik liever niet beantwoord. Ook omdat we tamelijk laat over deze twijfelachtige weg moeten terugrijden.

Aan het einde van de avond is er nog net voldoende tijd om de Dawson Falls te bezichtigen, een minivariant van de Niagara Falls. Slechts twintig meter hoog, maar wel negentig meter breed. De vierde waterval van de dag voelt eerder aan als het afvinken van een item op een boodschappenlijstje. Zo, die hebben we ook weer gehad! De kleinste cijfers leveren vandaag uiteindelijk de meest intieme en charmante waterval op. 

Maandag 17 augustus
Elke reis kent wel een dag die wat minder is. Voor mijn Canada-reis is dat deze. Bewust zo gepland. Het is namelijk een pendeldag van Wells Grey naar Whistler. Ruim vierhonderd kilometer in de auto. Op een uurtje of vier doe je dat in België. Niet hier. Wegen draaien en keren zodanig dat het een lieve lust is. Bovendien rijden we terug richting de bergen: de Coast Mountains. Dus wat trager naar boven rijden en afremmen bij het dalen. Bij de haarspeldbochten moeten de bestuurders bovendien extra waakzaam zijn.

De landschappen onderweg hebben de reputatie wonderschoon te zijn. Slechts een paar keer brengen de bossen, bergen en meren me nog in vervoering. In de Rockies heb ik dit allemaal al gezien. Half slaapdronken zak ik weg in dromenland om dan plots te ontwaken voor een hemels mooi meer. Het zijn de vele verbrande bomen die me nog het meest raken. Kilometerslang zie ik niks anders dan verwoeste bomen waarvan de stammen een pikzwarte herinnering dragen. Het is ook een actueel probleem. Niet ver van onze route woedt er trouwens een bosbrand, maar gelukkig is die onder controle.

Voor onze middagpauze houden we traditiegetrouw halt bij een meer, Seton Lake deze keer. Ik heb nood aan beweging en wil mijn eigen wandeling uitdokteren. Komoot, mijn outdoor app, is echter offline en kan geen eigen route ontwerpen. Dan maar een stukje rond het water wandelen. Nobel idee, ware het niet dat er privégrond in de weg ligt. Het alternatief is een kleine klimpartij in het aanpalende bos. Nu ja, bos, het is een strookje met bomen dat gevangen zit tussen het meer en de hoger gelegen autoweg. Nog altijd wel vrij steil trouwens. Dat merk ik aan de touwen die hier tussen de bomen hangen. Die moeten helpen bij het klimmen. Gestaag begeef ik me naar boven. Enkele bospaadjes lonken verleidelijk naar rechts, maar die leiden me te ver weg. Naar boven en weer beneden, dat is het plan. Mijn portie lichaamsbeweging voor vandaag.

In Whistler verkennen we nog even de stad. Het plaatsje is één van de bekendste skibestemmingen van Canada, maar geniet ook naamsbekendheid door de Olympische Winterspelen van 2010. Hier werden toen verscheidene wedstrijden in verschillende disciplines gehouden. In de zomer is Whistler echter de Canadese hoofdstad van het mountainbiken. Met duizelingwekkende snelheid zie ik ervaren mountainbikers honderden meters dalen op Whistler Blackcomb. Ik word lijkbleek als ik dit zie gebeuren. Ga ik hier overmorgen mountainbiken?

Dinsdag 18 augustus
De Rockies mag ik dan wel missen, maar met de Coast Mountains krijg ik opnieuw een bergmaaltijd voorgeschoteld. Met de zogenaamde ‘Peak to Peak Gondola’ word ik naar boven gebracht. Deze keer geen epische strijd met hoogtemeters en hellingsgraden. Wel één van de langste gondelverbindingen ter wereld die me in elf minuten naar ongeveer 1860 meter hoogte brengt. Hier zal ik de Blackcomb-piek begroeten. Het bergterrein hier is net wat anders dan in de Rocky Mountains. Natter en groener, maar wel even grillig en ruig.

Dat moet wachten voor dé gebeurtenis van de reis. We hebben geen beren op de weg aangetroffen, maar wel ééntje naast de weg. Een kleine zwarte beer loopt door het koele gletsjerwater van de plaatselijke rivier. Het is bessenseizoen en beren zijn nu op zoek naar dit voedsel om zich rond te eten voor hun winterslaap. Op de derde dag had ik al een beer gezien, maar de rest van de groep was dagenlang op speurtocht naar deze beestjes. Tot nu. Een kwartier lang worden de beste fotografie- en filmtalenten geëtaleerd om familie en vrienden te bewijzen dat we toch een beer hebben gezien. In Whistler zijn deze dieren klaarblijkelijk met honderden aanwezig, want even later zien we opnieuw een zwarte beer op een veldje waar vroeger het Olympisch dorp was. Kinderen die gaan mountainbiken kijken amper op. Beren vallen hier nauwelijks op. Tenzij ze broodjes smeren.

Na dit berengoeie intermezzo gaan we over tot de orde van de dag. Na de gondeltocht krijgen we enkele wandelkaartjes mee waarop een uitgebreid netwerk van wandelpaden staat beschreven. Je kan hier wandelingen van tientallen kilometers maken, maar onze ambities reiken niet zo ver. Het wordt een combinatie van de Alpine Loop, Overlord Trail en de Lakeside Loop. Met zijn zes kilometer is het geen lange wandeling, maar daarom niet minder mooi. Na de wat ruigere wandelingen van de voorbije week is dit bijna het niveau van een doordeweekse gezondheidswandeling. Een ijverige zon spoort aan tot langzaam wandelen. We drinken rustig koffie, kijken naar de marmotten die zonnebaden en genieten van de weidse vergezichten die we van deze top zien. Niks moet, alles mag.

Tot het voor reisbegeleider Anouk welletjes is geweest en ze aanmaant om voort te maken.

In een vertraagd tempo verkennen we de boomgrens. Kleine naaldbomen en lage struiken flirten op deze plaats met het bestaan. De omstandigheden zijn net gunstig genoeg voor hen om hier te overleven. Het terrein is verrassend open met kleine bergmeertjes en grasachtige alpiene weides. Een kleine klim maakt de wandeling plots rotsachtiger. Via een pad naast een gletsjerbeekje belanden we in een open rotslandschap. Lakeside Loop bevindt zich aan de voet van een bergwand en oogt een stukje ruiger. Het blijft allemaal behoorlijk idyllisch. Met dank aan de zon ook, want het kwik stijgt inmiddels tot vijfentwintig graden en meer.

Daarna steken we over naar de andere berg, toepasselijk Whistler Mountain gedoopt. Hier is Lost Lake onze bestemming. Het subalpiene landschap van een uurtje geleden wordt omgeruild voor bos en varens. De naaldbomen zijn wat groter en de hellingsgraden ook. De paden worden als de moeilijkste van het gehele langlaufnetwerk omschreven. Maar ook zonder sneeuw vergen ze wat zweetdruppels om afgelegd te worden. Lost Lake ziet er overigens totaal anders uit dan Lakeside. Het oogt diepblauw door het organische materiaal dat afkomstig is van het bos.

Het mooiste is voor het laatste bewaard. Met een stoeltjeslift gaat het naar de top van de wereld. Of zo wordt de top hier in het Engels toch genoemd: Top of the World Summit. De derde omgeving van de dag en opnieuw een compleet ander terrein. Puinhellingen, kale rotsen en sneeuwvelden vullen de imposante panorama’s op. Het is eveneens een uitgelezen uitkijkpunt voor de vele bergen die aan de horizon prijken. De ene met een nog eigenaardigere vorm dan de andere. Bij één berg zie ik een kleine uitstulping op de top. Die wordt de Black Tusk genoemd omdat hij doet denken aan de slagtand van een walrus. Daar is volgens mij veel fantasie voor nodig.

Het meest zenuwslopende moment vandaag is de oversteek op de Cloudraker Skybridge. Dit is een 130 meter lange hangbrug die boven de Whistler Bowl hangt. Het uitzicht op de berghelling is ongeveer hetzelfde als op andere plaatsen, met één niet onbelangrijk verschil: nu zweef je via een hangbrug boven de helling. Mensen met hoogtevrees kunnen dit amusementsstuk beter overslaan, want je kan ook onder de brug kijken. De stoeltjeslift terug naar beneden vergt ook stalen zenuwen voor mensen met hoogtevrees, maar levert misschien wel de meest spectaculaire beelden van de dag op. Een rustige dag dus en dat is maar goed ook. Morgen wordt het weer zwoegen en zweten voor mij.