donderdag 3 september 2026

Reisverslag Canada deel vijf: tussen pieken en walvissen

 Woensdag 19 augustus
Zijde gij nu helemaal zot geworden?”, de reactie van een goede vriend spreekt boekdelen wanneer ik vertel dat ik ga mountainbiken in Whistler. En inderdaad, volgens mij is er toch een zekere staat van zinsverbijstering nodig om met een mountainbike een gondel op te stappen en vervolgens 1500 meter als een speer te dalen over een technisch veeleisend parcours. Logan is mijn begeleider vandaag en hij weet me gerust te stellen. Mijn tochtje gaat over de geaccidenteerde paden in het bos waar ik gisteravond nog heb gegeten aan een meertje, Lost Lake. Dus niet op de Blackcomb-piek waar ik initieel voor vreesde. Als occasioneel mountainbiker is dat voor mij voorlopig te hoog gegrepen.

Het wordt een privétour, want ik ben de enige van het hele reisgezelschap die wil mountainbiken. Dat stelt me wat gerust, want het is alweer twee jaar geleden dat ik nog op een mountainbike heb gezeten. Ook wanneer ik op reis was uiteraard. Logan legt alles haarfijn uit wat ik moet doen. Volg de ideale lijn die ik wil volgen met mijn ogen. Check. Laat de hydraulische zadelpen zakken wanneer die boven staat en ik wil dalen met mijn mountainbike. Check. Houd met één vinger aan beide handen de remmen vast. Check. Bedien de versnellingen wanneer ik het tempo wil verhogen of verlagen. Check. Ga op de trappers staan bij het afdalen. Check. Steek de ellenbogen naar buiten bij het nemen van bochten. Check. En doe dit allemaal tegelijkertijd in een fractie van een seconde bij het rijden zelf. Euh, geen check?

Ik start met de zogenaamde groene trails. Grindwegen die relatief breed zijn en in moeilijkheid enkel opvallen door hun stijging of daling. Na het leren van de beginselen is dit relatief eenvoudig. Logan vraagt of ik een blauwe trail wil doen. Natuurlijk! Mijn groeiende zelfvertrouwen krijgt tijdelijk een deuk wanneer ik een andere mountainbiker op de grond zie liggen. Hij maakt onzacht kennis met de grond bij het begin van een blauwe trail na een foute interventie. Enigszins zenuwachtig begin ik aan de singletrack. Boomwortels, stenen, een bocht in een halve kom en bruggetjes worden met mate geserveerd. Ik doorsta het moeiteloos. Dat ging wel lekker en ik snak naar meer technische paden.

Dat is geen probleem, want dit pad was het gemakkelijkste blauwe pad dat Whistler in de aanbieding heeft. De volgende afdalingen vereisen meer techniek. De bochten volgen elkaar sneller op, rijvaardigheid wordt belangrijker en het tempo wordt door Logan opgedreven. Ik volg zijn bewegingen op de voet – figuurlijk dan toch – en werk me in het zweet. We doen het even rustiger aan en via enkele grotere wegen rijden we naar Green Lake. Dit gletsjermeer in Whistler heeft – je raadt het nooit – een groene kleur en doet dienst als kleine luchthaven voor watervliegtuigen die hier opstijgen en dalen. Een granolareep en een extra fles water moet me energie geven tot de middag. Dat zal ik goed kunnen gebruiken, want het laatste uur is behoorlijk zwaar.

In plaats van afdalen, mag ik nu klimmen op de singletracks en dat is toch wel een ander paar mouwen dan dalen. Het vergt een stuk meer energie, maar is vooral technischer. Eerst is er de heilige drievuldigheid van de B: bocht, boomwortel en brug die elkaar in amper een paar seconden opvolgen. Daarna is de route bezaaid met stenen. Ergens tussen het frunniken met de hydraulische zadelpen en het nemen van een bocht gaat het mis. Ik moet afstappen. Daarna nog een keer en nog een keer. Het klimwerk is beduidend moeilijker dan dalen. Met mijn huidige rijvaardigheden stuit ik hier op mijn limiet. Dit zijn de moeilijkere paden van de blauwe trails. Dat is voor mij al meer dan waarop ik had gehoopt.

Het serene karakter van het crosscountryritje op de Lost Lake trails maant me aan tot innerlijke rust. Dit staat in schril contrast met de uitgelatenheid van de rest van de groep wanneer ik hen ontmoet om in de namiddag de wandeling naar de Stawamus Chief te doen. Dit is een bijzonder steile klim naar een uitkijkpunt over het adembenemende Howe Sound. Op Komoot heb ik gezien dat de route van het niveau T2 en T3 is, synoniem voor “knap lastig” en “het kan nog altijd lastiger”. Ik begin aan het einde van de rij en laat iedereen vrolijk passeren. Nu heb ik even geen behoefte aan decibels. Even later gaan die decibels automatisch liggen. Iedereen is druk in de weer met het overwinnen van steile trappen, rotsblokken, geërodeerde paadjes en hoogtemeters in het algemeen. Ook ik. Na een half uurtje kan ik mijn T-shirt uitwringen van al het zweet dat dit stukje textiel heeft vergaard.

Inmiddels volg ik reisgenote Gaëlle die vraagt of we bij een splitsing rechtdoor of rechts moeten gaan. Rechts gaat naar de derde piek, rechtdoor de eerste. Op Komoot volg ik het traject van de eerste piek. De verkeerde. Terwijl iedereen zichzelf naar de derde piek hijst, piloteer ik mezelf naar de eerste piek. Op het einde neemt de uitdaging toe met een open sectie van granieten rotsen. Eigenlijk moet ik met kettingen naar boven, maar dat behoud ik voor de afdaling. Ik neem een geïmproviseerd pad over de granieten rotsformaties en de laatste zweetparels worden bekroond met een pittoresk 360-gradenvergezicht over het stadje Squamish en de Howe Sound. Het grauwgrijze weer werkt echter niet mee. Foto’s zijn eerder dramatisch dan beeldschoon. Ach, ik heb toch altijd een voorkeur gehad voor ruw en rauw.

Ondertussen stromen de berichten op WhatsApp binnen. De groep is in verscheidene delen gesplitst en lukraak naar de pieken geklommen. Er zijn nu mensen op piek één, twee én drie. Voor mij is het wel genoeg geweest. Na een inspannende mountainbiketocht heb ik geen fut meer om nog bijkomende pieken te doen. Bovendien heeft de eerste piek toch het mooiste uitzicht. De klim duurde ruim één uur, maar ook de daling duurt bijna zo lang. Door de vele stenen en rotsen verloopt die tamelijk moeizaam. Bovendien moet ik ook opletten in welke richting ik ga. Door de bomen het bos niet meer zien. Of in dit geval rotsen. Met wat uitzoekingswerk lukt het me toch om zonder al te veel problemen terug naar beneden te wandelen. Moe sta ik om vijf uur ’s avonds op de parking. Nat in het zweet moet ik nog een uurtje op de rest wachten. Mijn verjaardagscadeau voor vandaag.

Donderdag 20 augustus
De laatste week van deze reis staat in het teken van Vancouver Island. Je weet wel, het eiland waarop geen Vancouver te vinden is. Wel te vinden: majestueuze cederbomen in gematigd tropisch regenwoud. Dat houdt in dat we meer moeten pendelen, een euvel waarmee ik in de laatste week wel vaker geconfronteerd zal worden. Om elf uur moeten we bij Horseshoe Bay zijn om met de ferry de oversteek te maken naar Nanaimo. Nog voor tien uur staan we al op de ferry te wachten. De inkopen kosten veel minder tijd dan gepland. Waar het eerste winkelbezoek nog een uur duurde, is dat nu slechts tien minuten. Efficiëntie heet dat. We verliezen meer tijd met het bedrijfsfilmpje dat in de plaatselijke Walmart van Squamish wordt opgenomen dan met de boodschappen zelf.

Vol ongeduld wachten we op de ferry. Niet dat de oversteek zo spannend is, maar we willen dieren spotten. Orka’s en walvissen in plaats van beren. We zitten niet op de goede plaats, want in de Strait of Georgia komen die slechts op specifieke plaatsen voor. En dat is niet op de drukst bevaarde route van deze zee-engte. Ik heb niet zo’n grote behoefte aan het spotten van deze dieren. In Antarctica heb ik bultruggen bijna op armlengte gezien. Toch kan ik mijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken en kijk ik reikhalzend naar met een ontmoeting met deze zwemmende zoogdieren. Het zal echter voor morgen zijn, want tijdens onze tocht zien we geen walvissen. Er ontplooit zich wel een subliem kustlandschap voor mijn ogen.

In de verte zie ik Vancouver liggen, maar dat behoud ik voor het einde van de reis. Nu concentreer ik me op kustlijn die bevolkt wordt door steile, beboste hellingen en hoge bergen. Howe Sound is nog verrassend groen, maar gaandeweg kent de route een meer open karakter wanneer we midden in de Strait of Georgia varen. Op het bovenste dek heb ik het beste zicht en sta ik enthousiast bij de railing. De snijdende wind giert langs mijn lichaam en de koude overtuigt me om plaats te nemen op een stoeltje. Even bekomen van de koude. Zelfs op een weinig aantrekkelijke kruk werkt deze overzettocht therapeutisch. De zee heeft een rustgevend effect op mijn gemoed. De spelende kinderen die mijn persoonlijke ruimte bezetten wat minder.

In Nanaimo verlaten we de ferry en rijden we verder naar onze kampeerplaats bij Elk Falls Campground. Een camping waar het motto “back to basics” is. Er is namelijk geen stromend water. De slogan zou ook “knus bij elkaar” kunnen zijn. Ik word namelijk aangesproken door een ranger van Parks Canada. Het blijkt een Luxemburger te zijn. Hij gebiedt ons om twee tenten op te zetten in de daarvoor voorziene grindbak. Het is twee zakdoeken groot. Met frisse tegenzin komen we aan zijn eisen tegemoet. We willen namelijk nog naar Elk Falls Provincial Park.

Ondertussen ben ik de tel kwijt hoeveel watervallen we bezocht hebben. De echte aantrekkelijkheid bestaat uit de bomen. Torenhoge, statige bomen die van dit bos een rijk der giganten maken. Ik ben al eerder in gematigd regenwoud geweest, maar nog nooit heb ik het zo overweldigend ervaren als hier. Rode cederbomen zijn de blikvangers in dit landschap, maar ook sparren zoals de douglasspar en sitkaspar kleuren deze omgeving. Tussen deze bomen groeien verschillende varens die het bos een prehistorisch karakter geven. Het voelt alsof ik een reis door de tijd maak en op de aarde van een half miljoen jaar geleden ben beland. Het reisgezelschap dat al twee weken slentert door bossen en meren heeft het gaspedaal ontdekt en neemt nauwelijks tijd om ergens te stoppen. Dat houdt me dan weer een spiegel voor: dit is een reis, geen vakantie.

Vrijdag 21 augustus
Deze ochtend blijkt opnieuw hoe afwisselend deze reis in werkelijkheid is. Een marinesafari staat op het programma. Op zoek naar bultruggen, orka’s, zeeleeuwen, zeehonden, zeeotters en een heel scala aan vogels. Maar safari’s zijn zoals beleggingen: resultaten zijn niet gegarandeerd. Campbell River is nochtans wel een goede plek om deze tocht in een zodiac – een rubberen boot met buitenmotor – te doen. Het wemelt hier van het zeeleven en het zou wel vreemd moeten lopen als we geen dieren tegenkomen. Na twee minuten hebben we meteen prijs: een Amerikaanse zeearend rust uit op een houten paaltje. Een leuke opwarmer, maar voor de echt grote dieren moeten we naar de open zee.

De bestuurster van de zodiac treedt ook op als gids. Ze kent deze wateren als haar duimpje en weet waar de walvissen zich rond deze periode ophouden. In volle vaart vliegt de rubberen boot over het water en na twintig minuten wordt de motor uitgezet. Hier dobberen we dan... Ik kijk naar links. Niks te zien. Ik kijk naar rechts. Ook niks te zien. Ik laat het spotten over aan de anderen. Gemakkelijker en ze zijn er beter in. Na vijf minuten duikt de eerste bultrug op. En daarna nog één en nog één en nog één... Het zijn negen exemplaren. We houden een respectabele afstand, maar in hun drang om hun honger te stillen, komen de bultruggen zelf dichter naar ons. We zien de wasem uit de spuitgaten komen, de kop en de staart. Fonkelende ogen verraden dat dit voor veel mensen een droom is die waarheid wordt.

De oehs en de ahs vliegen in het rond, maar een half uur hetzelfde lied zingen doet zelfs de meest enthousiaste zanger de adem verstokken. We verzinnen een nieuw lied: op zoek naar orka’s. Het gaspedaal wordt opnieuw ingeduwd en we varen naar een totaal ander gebied in de Strait of Georgia. Het duurt niet lang wanneer onze investering in tijd wordt terugbetaald. De eerste orka’s duiken in ons blikveld op. De typische rugvin en zwart-witte markering op de buik maken het overduidelijk dat dit orka’s zijn. Deze soort, de Southern Resident-orka’s, verslindt geen zeehonden. Hun dieet bestaat voornamelijk uit vis en meer bepaald chinookzalm die hier weelderig tiert. Of tierde, want ook in deze wateren komt het visbestand onder druk te staan door overbevissing.

Op de terugweg komen we nog enkele andere dieren tegen. Op een rode boei luieren een aantal zeeleeuwen die geen oog hebben voor de boten en mensen die hen spotten. In een tragikomisch moment hebben ze meer oog voor een soortgenoot die op de boei wil springen om een plaatsje te bemachtigen. Er is echter geen plaats meer en na enkele halfslachtige pogingen moet de zeeleeuw haar poging staken. In het water zien we nog het schattige hoofdje van een zeehond die nauwelijks opvalt in het grijze water. Ook veel watervogels zweven boven ons hoofd wanneer we terugkeren naar de haven. We hebben deze ochtend geluk gehad. Het gebeurt niet vaak dat men bultruggen én orka’s op één dag te zien krijgt. Deze ochtend is dus een goede belegging.

In de namiddag is het alweer een heel stuk rijden richting Tofino, maar twee stops luisteren deze kleine roadtrip op: Coombs en Cathedral Grove. Coombs ervaar ik als een verspilling van tijd. Het is een kruising van een toeristische markt en een soort kinderboerderij waar geiten op een met gras begroeid dak van een winkel staan. Dus leuk om publiek aan te trekken, maar het doel van deze plaats is geld om uit toeristische zakken te kloppen. Bij mij lukt dit enkel voor de cappuccino die meer room dan koffie is. Ik snuister in enkele boekenwinkeltjes om de tijd te doden, maar het is duidelijk dat deze stop een noodgreep is om onderweg toch iets interessants aan te bieden.

Over de tweede stop ben ik wel dolenthousiast. Cathedral Grove is een oerbos dat bestaat uit bijzonder hoge cederbomen en douglassparren die eeuwenoud zijn. Dit is de overtreffende trap van Elk Falls gisteren, want zowel de bomen, varens als omgeving zijn hier net dat tikkeltje –er: groter, hoger, dikker en toch ook wel mooier. Over deze plek heerst een oerkracht die Cathedral Grove een onaantastbaar karakter geeft. Het is alsof dit bos altijd heeft bestaan en altijd zal bestaan. Het type locatie waar je je als mens nietig voelt.

Het bos wordt getweeëndeeld door een autoweg die pal door het midden loopt. Aan de ene kant bevindt zich het oude bos en aan de andere kant het nieuwere bos. Dit nieuwe bos is nog steeds behoorlijk oud, maar kent niet de grootsheid van zijn oudere broer aan de overkant van de weg. Waar het oude bos bewondering oproept, voelt het nieuwe bos meer aan als een wandelbeleving tussen de bomen. Een uitstekend plankenpad helpt hier bij. Ik heb nu wat meer aandacht voor de vele informatieborden die hier staan en meer vertellen over deze plek. Over de bomen, de dieren die er leven en de mensen van de First Nations die hier woonden. Kortom, waarom deze plaats eigenlijk een natuurlijk kathedraal is. Ik begin langzaam te beseffen hoe sterk Canada kan verschillen op relatief korte afstand.

dinsdag 1 september 2026

Reisverslag Canada deel vier: beren naast de weg

Zondag 16 augustus
Het hooggebergte is dus definitief uitgewuifd en maakt nu plaats voor een vulkanisch landschap waar spectaculaire watervallen onze hoofdmaaltijd vormen. Oude lavastromen en door de eeuwen uitgesleten rivierkloven bepalen hier het landschap. De talrijke watervallen zijn daarvan de meest spectaculaire erfenis. Deze attracties van Moeder Natuur zijn wat minder toegankelijk. Je moet er eerst een (kleine) wandeling voor doen om deze oerkracht in werking te zien. De start van de dag is meteen klein, maar wel bijzonder fijn: de Moul Falls. Eéntje waar je achter het water kan lopen.

De wandeling ernaartoe is zo’n 2,5 km lang en eerder gemakkelijk. Tenminste, totdat je in de buurt van deze watermassa komt. Dan gaat het plots over benenbrekende trappen en rotsen steil naar beneden. Dat zorgt er wel voor dat niet al te veel toeristen beneden staan, zeker niet om negen uur ’s ochtends. Dat geeft me de kans om als enige achter het neervallende water te staan en dat is een eigenaardig gevoel. Door de waas van het water kijk ik door de waterval in de prachtige kloof. Op een dag waarin superlatieven worden gebruikt om aan te duiden hoe krachtig en groots watervallen zijn, is dit minimalistische gevoel misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende. Grote en krachtige watervallen heb ik al op veel plekken gezien. Maar een exemplaar waar je doorkijkt? Enkel nog in IJsland. De boswandeling naar deze plaats en terug maakt de ervaring nét dat tikkeltje mooier. Alsof je een verborgen parel ontdekt die niet voor iedereen is weggelegd. Bij het teruggaan wordt dit beeld rechtgezet. Tientallen toeristen zakken af naar deze plaats. Toch is Wells Grey heel wat rustiger dan de Rocky Mountains en is het op dat gebied een verademing qua drukte.

Niet elke waterval is ontzagwekkend door zijn waterkracht. De smalle Spahats Falls denderen tachtig meter naar beneden, maar hier is het vooral de prachtige kloof die de aandacht steelt. In een omgeving die groen kleurt door de talrijke dennenbomen loopt de met water gevulde kloof als een blauwe levensader door het terrein. Mijn aandacht verschuift van het watergordijn naar het totaalplaatje: de diepte van de kloof, de lange bijna rechte lijn die de Spahats Creek heeft uitgesleten in het landschap en het panorama zelf.

Na een middagpauze bij Dutch Lake Beach gaat onze tocht onverminderd voort. Helmcken Falls is het derde exemplaar van de dag en die belichaamt als geen ander de superlatieven met cijfertjes. Met zijn 141 meter hoogteverschil is het één van de grootste waterspektakels van Canada. Ook verrassend breed trouwens: vijftien tot drieëntwintig meter. Van het uitkijkpunt waar wij staan, is dat nauwelijks waarneembaar. Reisgenoten kijken verbaasd op wanneer ik dit vertel (uiteraard wel eerst zelf opgezocht 😊). De komvormige kloof fascineert me minder dan de canyon bij Spahats Falls. Al dat natuurgeweld eist slachtoffers.

De vreemdste beslissing van de dag is om ’s avonds naar Clearwater Lake te rijden, een aantrekkelijk wildernismeer. Het ligt echter behoorlijk afgelegen en de enige weg er naartoe is over een hobbelige zandweg die bezaaid is met putten. De bestuurders van de twee auto’s beschikken over stalen zenuwen om over dit excuus van een weg te rijden terwijl 4x4’s ons in volle vaart voorbij snellen. De omgeving is uiteraard een lust voor het oog en bovendien erg verlaten. Maar moeten we hier nu echt twee uur voor rijden? Het is een vraag die ik liever niet beantwoord. Ook omdat we tamelijk laat over deze twijfelachtige weg moeten terugrijden.

Aan het einde van de avond is er nog net voldoende tijd om de Dawson Falls te bezichtigen, een minivariant van de Niagara Falls. Slechts twintig meter hoog, maar wel negentig meter breed. De vierde waterval van de dag voelt eerder aan als het afvinken van een item op een boodschappenlijstje. Zo, die hebben we ook weer gehad! De kleinste cijfers leveren vandaag uiteindelijk de meest intieme en charmante waterval op. 

Maandag 17 augustus
Elke reis kent wel een dag die wat minder is. Voor mijn Canada-reis is dat deze. Bewust zo gepland. Het is namelijk een pendeldag van Wells Grey naar Whistler. Ruim vierhonderd kilometer in de auto. Op een uurtje of vier doe je dat in België. Niet hier. Wegen draaien en keren zodanig dat het een lieve lust is. Bovendien rijden we terug richting de bergen: de Coast Mountains. Dus wat trager naar boven rijden en afremmen bij het dalen. Bij de haarspeldbochten moeten de bestuurders bovendien extra waakzaam zijn.

De landschappen onderweg hebben de reputatie om wonderschoon te zijn. Slechts een paar keren brengen de bossen, bergen en meren me nog in vervoering. In de Rockies heb ik dit allemaal al gezien. Half slaapdronken zak ik weg in dromenland om dan plots te ontwaken voor een hemels mooi meer. Het zijn de vele verbrande bomen die me nog het meest raken. Kilometers lang zie ik niks anders dan verwoeste bomen waarvan de stam een pikzwarte herinnering draagt. Het is ook een actueel probleem. Niet ver van onze route woedt er trouwens een bosbrand, maar gelukkig is die onder controle.

Voor onze middagpauze houden we traditiegetrouw halt bij een meer, Seton Lake deze keer. Ik heb nood aan beweging en wil mijn eigen wandeling uitdokteren. Komoot, mijn outdoor app, is echter offline en kan geen eigen route ontwerpen. Dan maar een stukje rond het water wandelen. Nobel idee, ware het niet dat er privégrond in de weg ligt. Het alternatief is een kleine klimpartij in het aanpalende bos. Nu ja, bos, het is een strookje met bomen dat gevangen zit tussen het meer en de hoger gelegen autoweg. Nog altijd wel vrij steil trouwens. Dat merk ik aan de touwen die hier tussen de bomen hangen. Die moeten helpen bij het klimmen. Gestaag begeef ik me naar boven. Enkele bospaadjes lonken verleidelijk naar rechts, maar die leiden me te ver weg. Naar boven en terug beneden, dat is het plan. Mijn portie lichaamsbeweging voor vandaag.

In Whistler verkennen we nog even de stad. Het plaatsje is één van de bekendste skibestemmingen van Canada, maar geniet ook naamsbekendheid van de Olympische Winterspelen in 2010. Hier werden toen verscheidene wedstrijden in verschillende disciplines gehouden. In de zomer is Whistler echter de Canadese hoofdstad van het mountainbiken. Met duizelingwekkende snelheid zie ik ervaren mountainbikers honderden meters dalen op Whistler Blackcomb. Ik word lijkbleek als ik dit zie gebeuren. Ga ik hier overmorgen mountainbiken?

Dinsdag 18 augustus
De Rockies mag ik dan wel missen, maar met de Coast Mountains krijg ik opnieuw een bergmaaltijd voorgeschoteld. Met de zogenaamde ‘Peak to Peak gondola’ word ik via een gondel naar boven gebracht. Deze keer geen epische strijd met hoogtemeters en hellingsgraden. Wel één van de langste gondelverbindingen ter wereld die me in elf minuten naar ongeveer 1860 meter hoogte brengt. Hier zal ik de Blackcomb-piek begroeten. Het bergterrein hier is net wat anders dan de Rocky Mountains. Natter en groener, maar wel even grillig en ruig.

Dat moet wachten voor dé gebeurtenis van de reis. We hebben geen beren op de weg aangetroffen, maar wel ééntje naast de weg. Een kleine zwarte beer loopt door het koele gletsjerwater van de plaatselijke rivier. Het is bessenseizoen en beren zijn nu op zoek naar dit voedsel om zich rond te eten voor hun winterslaap. Op de derde dag had ik al een beer gezien, maar de rest van de groep was dagenlang op speurtocht naar deze beestjes. Tot nu. Een kwartier lang worden de beste fotografie- en filmtalenten geëtaleerd om familie en vrienden te bewijzen dat we toch een beer hebben gezien. In Whistler zijn deze dieren klaarblijkelijk met de honderden aanwezig, want even later zien we opnieuw een zwarte beer op een veldje waar vroeger het Olympisch dorp lag. Kinderen die gaan mountainbiken kijken amper op. Beren vallen hier nauwelijks op. Tenzij ze broodjes smeren.

Na dit berengoeie intermezzo gaan over naar de orde van de dag. Na de gondeltocht krijgen we enkele wandelkaartjes mee waarop een uitgebreid netwerk van wandelpaden staat beschreven. Je kan hier wandelingen van tientallen kilometers maken, maar onze ambities reiken niet zo ver. Het wordt een combinatie van de Alpine Loop, Overlord Trail en de Lakeside Loop. Met zijn zes kilometer geen lange wandeling, maar daarom niet minder mooi. Na de wat ruigere wandelingen van de voorbije week is dit bijna het niveau van een doordeweekse gezondheidswandeling. Een ijverige zon spoort aan tot langzaam wandelen. We drinken rustig koffie, kijken naar de marmotten die zonnebaden en genieten van de weidse vergezichten die we van deze top zien. Niks moet, alles mag.

Tot het voor reisbegeleider Anouk welletjes is geweest en ze aanmaant om voort te maken.

In een vertraagd tempo verkennen we de boomgrens. Kleine naaldbomen en lage struiken flirten op deze plaats met het bestaan. De omstandigheden zijn net gunstig genoeg voor hen om hier te overleven. Het terrein is verrassend open met kleine bergmeertjes en grasachtige alpiene weides. Een kleine klim maakt de wandeling plots rotsachtiger. Via een pad naast een gletsjerbeekje belanden we in een open rotslandschap. Lakeside Loop bevindt zich aan de voet van een bergwand en oogt een stukje ruiger. Het blijft allemaal behoorlijk idyllisch. Met dank aan de zon ook, want het kwik stijgt inmiddels tot vijfentwintig graden en meer.

Daarna steken we over naar de andere berg, toepasselijk Whistler Mountain gedoopt. Hier is Lost Lake onze bestemming. Het subalpiene landschap van een uurtje geleden wordt omgeruild voor bos en varens. De naaldbomen zijn wat groter en de hellingsgraden ook. De paden worden als het moeilijkste van het gehele langlaufnetwerk genoemd. Maar ook zonder sneeuw vergen ze wat zweetdruppels om afgelegd te worden. Lost Lake ziet er overigens totaal anders uit dan Lakeside. Het oogt diepblauw door het organische materiaal dat afkomstig is van het bos.

Het mooiste is voor het laatste behouden. Met een stoeltjeslift gaat het naar de top van de wereld. Of zo wordt de top hier in het Engels toch genoemd: Top of the World Summit. De derde omgeving van de dag en opnieuw een compleet ander terrein. Puinhellingen, kale rotsen en sneeuwvelden vullen de imposante panorama’s op. Het is eveneens een uitgelezen uitkijkpunt voor de vele bergen die aan de horizon prijken. De ene met een nog eigenaardigere vorm dan de andere. Bij één berg zie ik een kleine uitstulping op de top. Die wordt de Black Tusk genoemd omdat hij doet denken aan de slagtand van een walrus. Daar is volgens mij veel fantasie voor nodig.

Het meest zenuwslopende moment vandaag is de oversteek op de Cloudraker Skybridge. Dit is een 130 meter lange hangbrug die boven de Whistler Bowl hangt. Het uitzicht op de berghelling is ongeveer hetzelfde als op andere plaatsen, met één niet onbelangrijk verschil: nu zweef je via een hangbrug boven de helling. Mensen met hoogtevrees kunnen dit amusementsstuk beter overslaan, want je kan ook onder de brug kijken. De stoeltjeslift terug naar beneden vergt ook stalen zenuwen voor mensen met hoogtevrees, maar levert misschien wel de meest spectaculaire beelden van de dag op. Een rustige dag dus en dat is maar goed ook. Morgen wordt het weer zwoegen en zweten voor mij.

maandag 31 augustus 2026

Reisverslag Canada deel drie: filosoferen over vuur en warmte

Donderdag 13 augustus
Glaciale landschappen komen in alle geuren en kleuren. Vandaag mag ik opnieuw verdwalen in een wereld die wordt bepaald door sneeuw en ijs. Van een afstand tenminste. Op de Wilcox-hike kijk ik namelijk lange tijd uit op de Athabasca-gletsjer die na elke kilometer een tikkeltje groter wordt. De ruige bergwereld van gisteren heb ik achtergelaten en ik bevind me nu in een theater van groene bergweides en alpine toendra. Nochtans bevind ik me nu op grotere hoogte dan gisteren bij de Icecline Summit waar er op lagere hoogte bitter weinig groeit. De vele microklimaten in de Canadese Rockies hebben lak aan regels die vertellen op welke hoogte wat mag groeien. En gelijk hebben ze.

“Ah, een oude bekende”, roep ik enthousiast tegen de groep wanneer de wandeling, net zoals gisteren, begint met een bospad dat steil omhoog gaat. De gezichten die op halfzeven staan, delen mijn enthousiasme niet. Nochtans ontzien de paden hier de benen wat meer. Ze zijn wat breder dan gisteren, minder lang, maar vooral ook minder steil. De gedachte aan opnieuw stijve beenspieren wordt na een kwartiertje al ingeruild voor mooiere afleiding: een decor van bergpieken en gletsjers dat omhuld is in een sluier van wolken. Slechts flarden zien we van de plaatselijke pieken en een eenzame zonnevlek die geprojecteerd is op een bergflank doorbreekt dit patroon van dramatiek. Elke dag worden we onthaald op steeds nieuwe beelden van de Rockies.

Ik heb echter meer oog voor de plaatselijke toendra die hier verrassend groen is. Lage struiken sieren hier de omgeving, hoewel dat de sneeuw hier kan blijven liggen tot eind juli. Voor een plaatselijke kudde dikhoornschapen is dit hun thuis. In de verte zie ik hen gretig eten van de plaatselijke struiken en graszodes. De bergweides worden door de schapen professioneel kort gehouden. Door de koude wellicht ook. Het bergpad dat ik volg, slijt door het landschap. Een meanderende bruine lijn van zand contrasteert fel met het landschap dat doorspekt is met de meest diverse schakeringen in groen. Af en toe ontwaar ik ook andere kleuren: het wit en grijs van de Athabasca-gletsjer die steeds aan de horizon blijft plakken. Of het geel en paars van wilgenroosjes die van dit landschap een kleurenboek maken. Weliswaar met slechts een handvol kleurpotloden.

Op grotere hoogtes heerst de bergtoendra. Enkel de meest taaie vegetatie weet hier te overleven. En als die weten te overleven, worden ze alsnog opgegeten door dikhoornschapen. Wat een smeerlappen! Het landschap wordt hier wat minder aantrekkelijk. Kale berghellingen, meer rots. Helaas zonder de spectaculaire ruigte van gisteren. Een eenzaam bergmeertje probeert de illusie hier hoog te houden dat we ons op ruw terrein bevinden. Vergeleken met gisteren is dat kinderspel. De ster die schittert aan het firmament is de Athabasca-gletsjer. Ik kijk uit op de enorme landtong van de gletsjer. Zo enorm als vroeger is die niet meer. In helaas veel te rasse stappen trekt de gletsjer zich terug. Ik vraag me af hoe lang dit koninkrijk van ijs en sneeuw zal standhouden. Zoals bekend heeft Koning Winter het tegenwoordig niet gemakkelijk op deze planeet. Het is interessant gespreksvoer voor de daling naar beneden.

We rijden ook naar de voet van de gletsjer zelf. Ik word begroet met een bordje: 1992. Wat later zie ik een bordje staan met 2001. En daarna nog een hele resem anderen. De bordjes duiden per jaar aan tot waar de Athabasca-gletsjer kwam. Het geeft kippenvel om te zien hoeveel afstand er is tussen de huidige grens van de gletsjer en de bordjes. En niet op de juiste manier. Als ik eerlijk moet zijn, geeft heel deze plek me een vies gevoel. In de verte zie ik een piepkleine bus zich een weg banen over de gletsjer om toeristen naar de top van de gletsjer te brengen. Zo kunnen ze een gletsjerwandeling doen. Lekker meedoen aan de vernietiging van de gletsjer. Ik moet mezelf echter niet vrijpleiten. Ook ik maak deel uit van dit probleem, al gebruik ik geen bus om naar de top van een gletsjer te rijden. Het is de dualiteit van deze tijd: als een goede huisvader zorg dragen voor ons milieu, maar tegelijk rekening houden met economische belangen. De tijd zal uitwijzen wat het belangrijkste is.

Te veel moet ik ook niet filosoferen, want inmiddels zijn we terug op pad. Bij de Icefields Parkway komen we opnieuw een waterval tegen. De Tangle Creek Falls. Nou, dat ziet er leuk uit! Vijf minuten later wil iedereen opnieuw in de auto zitten. Op naar de volgende watervallen: de Sunwapta Falls en de Athabasca Falls. Hier weet het waterspektakel wel mijn aandacht vast te houden. Vooral de kracht waarmee de Sunwapta Falls zich laten neerstorten in een diepe kloof is van een zeldzame schoonheid. De harmonie tussen water en kloof resulteert in een grillig canyonlandschap. Turbulent water heet de waterval in de lokale taal. Ik snap waarom. De Athabasca Falls komen daarna hoofdzakelijk als bijzaak. Een waterval die 23 meter hoog is en 18 meter breed is. Op deze reis is het slechts een fotostop.

Vrijdag 14 augustus
Ik heb gelezen over de bosbranden van 2024 in Jasper. Maar liefst 32.000 hectare is er in vlammen opgegaan in de omgeving van Jasper NP. Bossen, maar ook delen van de stad zelf. Het klinkt abstract totdat we gisteravond in de buurt van Jasper komen. Kilometerlang zie ik kale plekken waar ooit vegetatie was en verbrande bomen die de relikwieën zijn van de rampspoed van twee jaar geleden. Onze campsite, Wapiti Campground, werd ook getroffen en doet nu eerder denken aan een savanne dan aan een bos in de Canadese wildernis. Waarom deze kampeerplaats zo heet, wordt snel duidelijk. Twee wapiti’s luieren in de schaduw wanneer we naar de ons toegewezen plaatsen rijden. Het dorre, hoge gras wuift ons vriendelijk toe. Ik zou het bijna een lieftallige plaats noemen als ik niet wist wat zich hier twee jaar geleden afspeelde. In België blijven we ook niet gevrijwaard van dit leed. Net op deze dag startte de grootste natuurbrand in meer dan een eeuw. Drieduizend hectare worden vernietigd door de brand. Het wordt onbedoeld het thema van de dag.

Na twee wat stevigere hikes wordt deze vrijdag wat rustiger. Een tochtje op Maligne Lake en een verkenning van het plaatselijke stadje staan op de planning. Eerst is er echter ontbijt bij Medicine Lake dat eigenlijk geen meer is. Het is eigenlijk een ondergronds rivierennetwerk van spleten en grotten in kalksteen. Bij genoeg smeltwater zie je het meer, maar in de nazomer en herfst verdwijnt het smeltwater en dus ook het meer. Het water wordt namelijk leeggepompt door de vele zinkgaten. Bij het ontbijt kijken we echter vrolijk uit op het meer. Het water komt zestien kilometer verder terug aan de oppervlakte bij Maligne Canyon. Normaal gezien bezoeken we dit ook, maar dat is nu gesloten. De impact van de bosbranden twee jaar geleden.

In de ochtend wacht me een boottochtje op Maligne Lake naar Spirit Island. Ik ben er wat sceptisch over. Bijna honderd euro voor een boottocht van anderhalf uur op een meer. Maar het internet is lyrisch over dit meer en misschien ga ik spijt krijgen als ik het niet doe. Het is een redenering die veel reisgenoten volgen. De boottocht en het bezoek aan het piepkleine Spirit Island stellen lichtjes teleur. Maligne Lake is het grootste meer van de Rockies, maar afgezien van zijn omvang is het gewoon meer van hetzelfde. En op letterlijk vijf minuten heb je Spirit Island doorkruist. Het geeft me echter wel de kans om op het kleine dek van de boot uit te waaien. De omgeving gelijkt hier op de Noorse fjorden. Dus helemaal hetzelfde? Nee, dat is ook niet waar.

Interessanter is de uitleg die Simon geeft. Een Brit die in gesofistikeerd Engels alles haarfijn uitlegt. Zijn huis werd twee jaar geleden getroffen door de bosbranden. Dat is een goede zaak. Volgens hem. Hij vertelt gretig over de positieve impact van bosbranden. Ze vernietigen de oude bomen die beletten dat er nieuwe bomen en planten groeien. Het is bovendien beter voor de biodiversiteit. De oorspronkelijke bevolking hier doet dit al duizenden jaren. We moeten dus niet zomaar blind de mainstream media geloven wanneer die zeggen dat bosbranden slecht zijn. Er schuilt ongetwijfeld een grond van waarheid in. Maar wat met de dieren? Wat met de economische schade? Wat met de enorme hoeveelheid rook die de lucht in wordt gekatapulteerd? Vragen die ik naar hem wil toewerpen, maar niet doe. Ik ben niet zo vurig als hij.

De namiddag is normaal gezien voorzien voor een bezoek aan Maligne Canyon, maar dat feestje gaat dus niet door. In plaats daarvan wordt het een bezoek aan Jasper en vooral het plaatselijke wassalon. De groep voert er een collectieve wassessie uit. Ik heb dit al enkele dagen eerder gedaan in Golden. Dan maar lanterfanten in Jasper. De weinigzeggende winkelstraat is niet aan mij besteed. Ik dwaal wat verder af en ik zie het station. Dat zegt me wat meer. In het stationsgebouw hangen posters van het begin van de twintigste eeuw die Europese immigranten een nieuw leven beloven. Een boerderij met een hele lap grond. Deze mensen moesten alles letterlijk opnieuw opbouwen en ik verveel me een beetje omdat ik moet wachten op een wasbeurt. Een luxeprobleem.

Zaterdag 15 augustus
Een andere dag, een ander uitzicht op de Rocky Mountains. In Mount Robson Provincial Park ontmoeten we een ander, vriendelijker gezicht van de Rockies. Aan de vochtige westkant bevindt zich een boslandschap dat de schijn wekt dat je in de subtropen bent. Statige bomen die tientallen meters hoog zijn, een tapijt van varens aan de oever van de Robson-rivier, mossen die de plaatsen tussen de bomen bevolken en de blauwgroene rivier zelf die met veel kabaal naar beneden dendert. Het magnum opus is toch wel de kathedraal onder de bergen: Mount Robson. Deze berg mag zich de hoogste berg van de Canadese Rockies noemen. Ik geraak maar niet uitgekeken op de bergtop van deze natuurkathedraal. Het woord 'bergtop' is misschien wat ongelukkig gekozen, want een langgerekt plateau is de piek van deze berg. Ik heb wel wat geluk. De hemel is behoorlijk helder en ik heb vrij zicht op de top. Dat is een rariteit.

Ik koesterde het plan om een erg stevige dagwandeling naar Emperor Falls en weer terug te maken. In cijfers uitgedrukt: 32 km en een duizendtal hoogtemeters. Enthousiastelingen kan ik nog wel vinden, maar logistiek wordt het dan een nachtmerrie. Terug naar het oorspronkelijke plan dus: een etappe naar Kinney Lake en terug. Ook leuk. Deze route is eerder gemakkelijk en kan zelfs met de mountainbike worden afgelegd tot aan het meer. Mijn tempo is nu wat gemoedelijker met veel pauzes. Het brede bospad nodigt niet uit tot verstilling. Nochtans stop ik af en toe om de wilde Robson River te fotograferen. Bij een hangbrug over de rivier wijzigt het patroon gestaag. Kleinere bospaadjes nemen het over, soms gaat het al wat steiler omhoog, maar er wordt altijd gepauzeerd om het oogverblindende Kinney Lake te fotograferen vanuit verschillende standpunten.

Met medereiziger Erwin vorm ik vaak de kopgroep van dit wandelgezelschap en we hebben een aardige voorsprong uitgebouwd. Goed voor vijf kilometer extra – heen en terug weliswaar – op deze wandeling. Na het meer ontvouwt er zich een ander landschap dat de eerste kenmerken vertoont van een bergwereld. Via het bovenpad tref ik een beek aan die stroomt naar de lager gelegen delta, bospaadjes worden nog kleiner en steiler, de vlakte opent zich met ontelbaar veel stenen en rotsen, morenen plakken tegen Mount Robson die plots veel dichterbij aanvoelt en bij het benedenpad keren we via de droge bodem van het meer terug naar Kinney Lake. Het smaakt naar meer, maar dat zit er dus helaas niet in.

De verplichte zwemstop aan het meer laat ik aan me voorbijgaan. Ik kijk uit naar waar we vanavond verblijven: Wells Grey. We verblijven er op een ranch die uitgebaat wordt door een Canadees met Vlaamse roots die nog steeds Nederlands spreekt. De omgeving doet volgens het internet denken aan Yellowstone, maar dan zonder geisers. Ik weet niet wat ik me moet inbeelden bij een geiserloze Yellowstone. Maar ergens vind ik het ook jammer om de Canadese Rocky Mountains nu al te verlaten. Acht dagen zijn we er geweest. Ik kan hier gerust nog wel enkele dagen langer verblijven. Dan zal het wel voor een volgende keer zijn op eigen initiatief. Nu resten me nog ruim tien dagen om de rest van West-Canada te ontdekken.

zondag 30 augustus 2026

Reisverslag Canada deel twee: geveld door een houten trap

Maandag 10 augustus
Een ongeluk zit in een klein hoekje. Dat leer ik in hoogst eigen persoon wanneer ik bij de Johnston Canyon de trap afdaal. Nonchalant met mijn handen in de broekzak neem ik de treden. Links, rechts, links, rechts, *krak*. Op de perfect liggende houten trap slaag ik erin om mijn voet om te slaan in een mooie winkelhaak van negentig graden. Tegemoetkomende wandelaars zien het gebeuren en hun grimas is nog veelzeggender dan de mijne. "Are you alright?", luidt de retorische vraag. "No, I'm not alright", luidt het niet-retorische antwoord. Op deze reis wandel ik over sneeuwvelden, ijs, gletsjers, morenen, rotsblokken, boomwortels en geërodeerde bospaadjes. Maar het is een onnozele houten trap die me heeft geveld. 

Voor even. 

Ik ben dan wel een klungelachtige wandelaar, maar wel een geharde wandelaar. Het is niet de eerste keer dat me dit overkomt. Of de laatste keer. En hoe onhandig ik ook ben, er is me nog nooit iets ernstigs overkomen en ik laat zo'n fait divers als dit daar geen verandering in brengen. Enkele uren later spring ik onder zachte dwang vrolijk mee met de rest van de bende in Eagle Net Park, een soort trampolinepark bij de Golden Skybridge. Slim is het niet, maar ik heb ook nooit beweerd dat ik een slimme wandelaar ben. 

Deze ochtend vertrekken we uit Banff en de Johnston Canyon is een uurtje later onze bestemming. We krijgen onverwacht het gezelschap van een muildierhert dat in het struikgewas zijn ontbijt verorbert. Even later wordt dit beeld overtroffen door een absurd moment. Een grijze wolf jogt vrolijk mee met andere auto's op de autoweg. Het dier maakt geen aanstalten om te stoppen of in het naburige bos te verdwijnen. Dergelijke momenten zijn de reden waarom ik naar Canada ben gekomen. 

Om acht uur 's ochtends is de Johnston Canyon nog niet zo druk. Het begin stelt teleur, maar naarmate ik dichter bij de Lower Falls kom, word ik steeds enthousiaster over de kloof. De verschillende sedimentlagen, de ruigheid van de rotsen, de kleine cascades in de beek en de grote rotswanden van de kloof overtuigen bijna elke wandelaar. Dat merk ik ook aan het aantal bezoekers, want dat groeit elke minuut zienderogen. Het echte meesterwerk moet nog komen bij de Upper Falls. Een schilderij op rots met gele, oranje en roestbruine tinten dat het decor vormt van de dertig meter hoge waterval. Het ziet er miljoenen jaren oud uit. En dat is het ook. Toch enerveert de drukte me soms die ook hier weer de ervaring wat naar beneden haalt. Het echte zorgenkind is echter mijn rechtervoet die enkel op weerbarstige wijze naar de auto terugkeert.  

De lunchstop voor vandaag is bij Emerald Lake. Alweer zo'n prachtig turquoise gletsjermeer. Ik vraag me luidop af waarom we gisteren zoveel moeite hebben gedaan om Lake Louise en Moraine Lake te bezoeken als je dergelijke meren letterlijk rechts van de weg vindt. Parkeren is zoals altijd wel een hele opgave. De beproefde tactiek is eigenlijk verrassend simpel. De doorstroming is zo groot dat er voortdurend auto's vertrekken en aankomen. Wacht simpelweg op een vertrekkende auto en je kan zijn plek probleemloos innemen. Emerald Lake is qua epiek misschien niet het mooiste meer van de Rockies, maar nog altijd bijzonder prachtig. Uiteindelijk neem ik hier amper foto's. De turquoise bergmeren verslaan me in hun hoeveelheid. 

Op weg naar de volgende kampeerplaats in Golden is er nog even tijd voor een leuk intermezzo bij Lower Spiral Tunnel Viewpoint. Ik bespaar je de volledige uitleg, maar door knap ingenieurswerk, tunnels en hoogteverschillen kan je hier een Canadese goederentrein op verscheidene hoogtes zien en lijkt het alsof de trein zichzelf kruist. Zonder passerende trein is dit plaatje overigens weinig bijzonder. Mét trein is het wel behoorlijk interessant. Voor tien minuten althans, want de Canadese goederentreinen zijn zo lang en rijden hier zo traag dat het wel erg lang duurt vooraleer je alles ziet passeren. Tegen dan moeten we echter verder rijden. 

Canada is een westers land, maar de prijzen vallen hier behoorlijk goed mee. Toch zijn sommige dingen hier duur zoals de inkomprijs bij de Golden Skybridge. Ruim dertig euro om over twee hangbruggen te lopen, dat is wel vrij stevig. Het uitzicht is echter wel spectaculair. De hoogste hangbrug zweeft honderddertig meter boven de kloof en geldt daarmee als Canada's hoogste hangbrug. De tweede hangbrug ligt lager en is korter. Ondertussen heb ik mezelf nog even gepijnigd in het trampolinepark hier. Kwestie van toch iets of wat waarde voor mijn geld te krijgen. Ook al is het met een verstuikte voet. Ik ben trouwens ook een gierige wandelaar.   
 
Dinsdag 11 augustus
Twee jaar geleden heb ik een nieuw talent van mij ontdekt: ik kukel heel gemakkelijk het water in. Bij een reis naar Noorwegen is me dat namelijk twee keer gelukt. Eén keer bij het raften waar een stroomversnelling me aanmaande om even een frisse duik te nemen. En een paar dagen later opnieuw bij het varen met een tweepersoonskajak waarvan een kajak die eigenlijk niet kan kapseizen toch is gekapseisd. Het is nog altijd een mysterie hoe dit heeft kunnen gebeuren. Sindsdien ben ik toch wat voorzichtig met alles wat te maken heeft met water en daar valt rafting zeker onder. De activiteit voor vandaag: rafting op een ijskoude gletsjerrivier! 

Ik was toch wat beducht voor dit riviertochtje en daarom had ik op voorhand informatie opgezocht. Het blijkt dat de Kicking Horse River toch net iets kalmer en braver is dan de Dagali waar ik twee jaar geleden bijna in verdronk - want ja, zo erg was het eigenlijk. Na de verplichte formaliteiten zoals de briefing, instructies en het twee keer aantrekken van de wetsuit word ik samen met de rest van de groep met een aftandse Amerikaanse gele schoolbus naar de beginplaats gebracht. Hier wordt het reisgezelschap in twee groepen gesplitst: één van zes personen en een tweede van vier personen. Er kunnen namelijk maar acht personen op één raft. 

De ochtendsessie is een opwarmertje. Er is slechts één rapid van klasse twee. Dat is niet overdreven zwaar, maar de eerste kennismaking doet mijn zelfvertrouwen toch wel zakken. Dit was toch wel wat wilder dan wat ik verwachtte. Het is echter de enige noemenswaardige stroomversnelling van de ochtend. De rest van de tijd dient om de instructies te leren, te genieten van de omgeving en een waterveldslag uit te vechten met jongetjes van tien jaar. Eén exemplaar schept er een diabolisch genoegen in om met zijn peddel gletsjerwater naar onze raft te slaan. Enkele reisgenoten wensen hem een gewisse verdrinkingsdood en zijn niet te beroerd om daarbij eigenhandig te helpen. Stuurman Austin heeft dit in de gaten en piloteert onze raft naar kindervrije wateren. Leuk, maar het echte werk wacht in de namiddag wanneer zestien rapids op ons staan te wachten, variërend van klasse twee tot en met klasse vier. 

Eerst moet ik aan een persoonlijk dilemma werken. Ik heb op deze reis tot dusver veel te gezond gegeten en dat is uiteraard niet goed. Een goede vetkuur met hamburger, ketchup en een slaatje dat amper die naam waardig is mijn lunch voor vandaag. Het zit standaard bij deze excursie in. Negen mensen zijn niet komen opdagen en hun hamburgers liggen onaangeroerd op de barbecue. Het vlees is bestemd voor de ijverige medewerkers van deze raftingtocht, maar een tweede hamburger zou wel zeker binnen gaan. 

Tijdens de tweede helft van de tocht wordt de Kicking Horse River wat wilder. Austin toont zich echter een uitstekende stuurman én kapitein. Haarfijn legt hij uit welke rapid er komt en wat er gedaan moet worden. Iedereen is ingepakt met drie of vier lagen om zich te beschermen tegen het ijskoude gletsjerwater. Austin is getooid in open sandalen, een dunne broek en een shirtje. Hij hoort eerder thuis bij een beachparty dan bij een raftingtocht. Vakkundig loodst hij ons door de diverse stroomversnellingen. Three left, back, hold on! Zijn commando's worden onmiddellijk opgevolgd. Zelfs de meest dissidente types zijn hier volgzame kuddedieren. Niemand wil hier in het ijskoude water belanden. Uiteindelijk valt alles nog vrij goed mee. 

Het meest verraderlijke moment bevindt zich zelfs buiten de raft. Tijdens een pauze meren we kort aan bij een inham met een watervalletje. Het water transformeert hier echter tot een draaikolk en reisgenote Julie wordt ei zo na met het water meegesleurd. Gelukkig zijn de anderen waakzaam en bieden ze een reddende hand. Na deze korte pauze somt Austin een heel draaiboek op van wat we moeten doen en oefenen we dit gretig in. Deze passage zou naar verluidt vrij technisch en moeilijk zijn. Maar kijk, ook hier geraken we zonder kleerscheuren door. Wel niet met droge kleren, want ondertussen zijn we aardig nat geworden. Het gletsjerwater voelt inmiddels lauw aan na een paar uur raften. We zijn echter al bij het einde en met de gele schoolbus rijden we terug naar het hoofdkwartier waar we de foto's en filmpjes kunnen bekijken. 

Het is inmiddels een traditie geworden dat we onze dag afsluiten bij een meertje en deze keer is de eer weggelegd voor Cedar Lake. Voor één keer geen gletsjermeer, maar een gewoon zoetwatermeer inclusief aanlegsteiger. Het water is niet te koud en dit is dan ook de enige keer dat ik zwem in een meertje. Aan het einde van de avond worden we voor de eerste keer geconfronteerd met regen wanneer we tapas aan het eten zijn. Het weer was de voorbije dagen wel vaker grauw en grijs, maar het is de eerste keer dat het (zacht) regent. Het is dus in alle opzichten een natte dag geweest.   
  
Woensdag 12 augustus
Deze reis met Beyond Borders heb ik om een aantal redenen gekozen, maar één van de hoofdredenen is toch wel de wandeling van de Iceline Trail die als één van de meest betoverende routes van Yoho National Park én Canada wordt genoemd. Wij doen een aangepaste versie die ons naar de Iceline Summit brengt en terug. Deze route komt dus met andere woorden met hoge verwachtingen en het heeft alle verwachtingen waargemaakt. Want miljaar, wat is dit toch weer een pareltje van de zuiverste wandelsoort geworden. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik denk toch dat dit wel mijn mooiste wandeling van het jaar is. Een mooi predicaat, want ik heb al heel wat moois gezien dit jaar in eigen land, Zweden en Sri Lanka.

Voor de route echt begint, maken we nog een klein uitstapje naar de Takakkaw Fals. Voor een waterval van 360 meter hoog wil ik wel eens een omweg van negenhonderd meter maken. De waterval doet zijn naam - het betekent zoveel als "magnifiek" - alle eer aan, maar de waterval weet pas echt te imponeren als het in beeld gebracht kan worden met de bovenliggende Daly Glacier die de waterval met zijn smeltwater voedt. Het totale bergplaatje van gletsjer, dennenbossen, waterval en rotsen schreeuwt als geen ander Rockies uit. Yoho NP wordt vaak overgeslagen in een trip door Canada, maar wat mij betreft is dit één van de absolute kroonjuwelen van de Canadese Rocky Mountains. Ook omdat het begin van de Iceline Trail uitpakt met een al bijna even fabelachtig beeld van de Cathedral Mountain die met zijn tafelbergachtige vorm en vlakke rotsplateau als een reus boven het landschap uittorent. 

De trail dient wel met het nodige respect behandeld te worden, want met name de eerste helft gaat behoorlijk steil omhoog. Via zigzaggende bospaadjes gaat het telkens steiler omhoog en dat gedurende honderden meters. Niet iedereen is een geoefend wandelaar en dat vertaalt zich in stramme beenspieren en geslaakte noodkreten die verkondigen dat men helemaal kapot is. Het zegt meer over hoe steil de paden hier zijn dan over de conditie van de reisgenoten. En spoiler: iedereen heeft de top van de Iceline Summit gehaald en dat is zonder meer knap te noemen als je niet gewend bent om dergelijke bergwandelingen te doen. 

De pracht van de wandeling begint pas in de tweede helft. Het hoogste deel van de route loopt namelijk over een rotsige richel direct onder meerdere gletsjers en ijsvelden van de President Range. Je wandelt dus min of meer langs de lijn van het ijs. Gek genoeg verandert het landschap hier in kale rotsvlaktes, maar die zijn op hun beurt een stuk diverser dan je zou denken. In de subalpiene rotsvelden groeien pioniersbloemen en struiken. Subalpiene weiden duiken plots op tussen kale plekken waar je dat het minst verwacht. Onder de grens van ijs en gletsjers tref ik turquoise bergmeertjes aan die gevormd worden door smelt- en regenwater. Tussen de morenen zie ik kleine smeltstroompjes, sneeuwvelden, depressies, rotsplaten en smeltwatervlaktes. Bij elke nieuwe bocht stap ik in een andere wereld. Samen met Erwin loop ik vooruit op de groep. We zeggen amper iets. Deze beelden zeggen meer dan eender welke zin. 

We bereiken de top waar we moeten zijn, maar een snijdende wind overtuigt ons om na een kwartier terug te gaan. Na een tijdje wandelen, komen we de rest tegen. Ik ga terug mee met hen. Dat betekent alles opnieuw doen. Dat is de beloning die ik krijg voor het sneller wandelen dan de rest. Want dit twee keer zien, is zintuiglijk genot in de puurste zin van het woord. Samen met de groep keer ik daarna terug naar beneden. Ik doe het rustig aan. Ik kijk toch uit met mijn omgeslagen rechtervoet van twee dagen geleden. Bij het stijgen gaat dit vlot, maar ik heb toch wat schrik bij het dalen. De nonchalance van twee dagen is verdwenen. Ik doe alles traag, voorzichtig en secuur. Mijn rechtervoet is me dankbaar.

De daling verloopt wat sneller. Al het moois is inmiddels al bewonderd. Nu is het uitkijken bij de rotsachtige stukken. Een onheilspellend pad gaat wel heel hard naar beneden. Medereizigster Sarah vraagt of we hier zijn gepasseerd. Ik denk het wel, maar dat blijkt niet te kloppen. Bij de stijging hebben we een al even onheilspellende trap genomen. Terug bij de voet van de Takakkaw Falls is iedereen diep onder de indruk van deze route. Helemaal terecht overigens. De dag belooft alleen maar mooier te worden, want vandaag rijden we langs de Icefields Parkway die één van de mooiste autowegen ter wereld wordt genoemd. Deze autoweg is namelijk een langgerekt paradijs voor natuurliefhebbers met blauwe meren, taloze gletsjers, spectaculaire bergtoppen en vele watervallen en kloven. 

Bow Lake
is één van de hemelsblauwe meren waar we stoppen. Hier merk ik dat de verzadigingsgraad steeds grotere proporties begint aan te nemen. "Het is zeker mooi, maar...", spookt er door mijn hoofd. De blauwtinten van het meer vallen in het niet bij al het andere blauw dat ik bij eerdere meren heb gezien. Dat betekent niet dat mijn grens is bereikt, want aan het einde van de dag word ik helemaal omvergeblazen door Peyto Lake. De intensiteit van het blauw concurreert met de mooiste kleuren die ik al in de natuur heb gezien en ook de vorm van het gigantische meer draagt bij aan de appreciatie van het meer. Via een uitgebreid uitkijkplatform krijg ik ruim de tijd om het langwerpige meer te bezichtigen. Het is moeilijk om het mooiste meer op deze reis te benoemen, maar Peyto Lake is in ieder geval een significante kanshebber. 

Bij Weeping Wall sta ik met de tranen in de ogen. Zijn we hier voor gestopt? Over de wand waar zich normaal een scherm van dunne watervallen bevindt, gaapt een grote leegte. De huilende bergwand zal er met watervallen beslist geweldig uitzien, maar nu is het een rotswand zoals duizenden andere. Het laatste uitkijkpunt van de dag is andermaal een meertje: Waterfowl Lake Viewpoint. Net zoals bij Bow Lake ben ik niet onder de indruk. Dat hoeft ook niet. Met de Iceline Summit en Peyto Lake heb ik al twee absolute kroonjuwelen van de Canadese Rockies gezien vandaag. En een kroon met te veel juwelen wordt te patserig.

zaterdag 29 augustus 2026

Reisverslag Canada deel één: rust en contemplatie

Verandering van spijs doet eten, zegt het spreekwoord en dat is zeker bij mij van toepassing. Vorig jaar maakte ik een unieke culturele tocht door China, Tibet, Nepal en India. Een reis die me diep heeft geraakt door haar emotionele intensiteit. Het was een echte ontdekkingstocht van gebedshuizen, tempels, paleizen, de leefwijzen van mensen en broeierige metropolen. In 2026 maak ik de omgekeerde beweging: op zoek naar rust en contemplatie in de Canadese natuur. Iets wat in augustus niet zo eenvoudig blijkt te zijn. 

Vrijdag 7 augustus
Voor alles is er een eerste keer
. Na deze dag mag ik deze platitude eindelijk zelf gebruiken. Al tientallen keren heb ik probleemloos gevlogen. Tot nu. De vlucht van Brussel naar Calgary via Montreal heeft een slachtoffer geëist: mijn trekkingrugzak. Die is ergens achtergebleven in het vagevuur van luchthavenland en nu moet ik hopen dat mijn rugzak alsnog op de juiste plaats terechtkomt. Hoe heeft het zover kunnen komen? 

Het begin van de dag heeft er wellicht iets mee te maken. Op vervelende wijze word ik 's ochtends geconfronteerd met de veiligheidsprocedures in de luchthaven van Zaventem die behoorlijk streng blijken te zijn. Een persoon is op de vlucht naar Montreal ingecheckt, maar daagt uiteindelijk niet op. Dan volgt de tamelijk draconische maatregel dat zijn bagage ook uit het ruim van het vliegtuig verwijderd moet worden. De beloofde tien minuten worden uiteindelijk twee ontzettend lange uren.  Alle bagage wordt eerst vakkundig uitgeladen en daarna opnieuw in het vliegtuig geladen. Een perfect begin van een spelletje mens-erger-je-niet, want de overstap in Montreal duurt welgeteld twee uur. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt de aansluitende vlucht voor het gemak met vijf minuten vervroegd. 

Dat betekent dus dat we in een te kloppen recordtijd de douaneprocedures mogen doorworstelen. Dat verloopt verrassend vlot, want in een reiswereld die de digitalisering omhelst én passioneel kust, mogen we voortaan alles zelf invullen. En als je vliegtuig met twee uur is vertraagd, kan dat behoorlijk snel gaan dus. Tien hypernerveuze Belgen tokkelen op een informatiepaneel al hun informatie die ze inmiddels van buiten kennen. Deze keer zijn we als het Amerikaans leger: we laten niemand achter. Als beloning rolt er een stukje papier uit de printer dat als voedsel dient voor de bureaucratische molen. De ongeïnteresseerde douaneambtenaars helpen door met ontzettend veel onverschilligheid te vragen wat we hier komen doen. De toerist uithangen! Met wie. Samen met de groep. Twee magische stellingen die ons de toegang tot Canada bezorgen. Wie zegt dat bureaucratie altijd lastig moet zijn? De medewerkers bij het autoverhuurbedrijf klaarblijkelijk. 

Want hier wordt ons geduld opnieuw op de proef gesteld. Elke komma, elk puntje en elke puntkomma moet op de juiste plaats staan om onze twee huurauto's af te halen. En dat duurt en duurt... De tijd is hier acht uur vroeger dan in België. Het zorgt ervoor dat we alsnog alles binnen één dag kunnen regelen. Soms heeft bureaucratie een dag van 32 uur nodig om alles gedaan te krijgen. Nou alles, bijna alles misschien. In de digitale papiermolen van de luchthaven van Calgary verneem ik dat mijn rugzak de transfer niet heeft gehaald. Op de app van Air Canada kan ik de lijdensweg van mijn rugzak - of beter gezegd mijn lijdensweg - volgen. Om 23 uur landt mijn bagage op de luchthaven, om één uur 's nachts wordt het naar mijn hotel verstuurd en om drie uur 's nachts hoor ik de verlossende deurbel. Het is de bureaucratie die aanbelt. Mét rugzak.        

Zaterdag 8 augustus
Ik moet iets bekennen. Als tienjarige was ik een filatelist. Het klinkt net iets deftiger dan postzegelverzamelaar. Ik plakte toen gretig postzegels van heinde en verre in de daarvoor bestemde boeken en ééntje verwees naar de Olympische Winterspelen die in 1988 plaatsvonden in Calgary. Dat is het enige waarvan ik deze Canadese stad ken. Daar blijft het ook bij, want vandaag vertrekken we onmiddellijk naar Banff in de Canadese Rocky Mountains. We zijn in dit geval tien gelijkgestemde Belgische zielen die met de reisorganisatie Beyond Borders drie weken door Canada trekken. In de augustuseditie is er geen Stampede Festival voorzien en dat laat ik met veel plezier aan mij voorbijgaan. Ik heb geen behoefte aan Amerikaanse toestanden waar iedereen getooid is met cowboyhoed en in stampende countrymuziek naar wilde rodeo's kijkt. Die Amerikaanse toestanden maak ik overigens wel mee bij de plaatselijke bakker. Alleen zoetigheden gaan hier over de toonbank. En liefst in  porties van zestien ounces. Enkel bij het ontvangen van deze suikerbommen blijkt hoeveel dit werkelijk is: 454 gram. Amerikaanse ongezondheid midden in Canada.       

De eerste tien dagen of zo worden de nachten al kamperend doorgebracht en dat betekent ook je eigen potje koken. We stoppen bij Walmart om inkopen te doen: droge voeding, voeding in blik, droog brood en cornflakes zijn de voornaamste ingrediënten. Nee, culinair hoogstand is het niet. Wel verbindend. De dagelijkse kookavonden zijn een moment om samen gezellig te verbroederen. En om het eten te vervloeken. Het blijft gastronomisch de variant van astronautenvoeding. De laatste belangrijke stop is de liquor store. Want ook Belgen in het buitenland blijven bourgondisch. 

In de namiddag arriveren we in het plaatsje Banff, de plaats bij uitstek om het gelijknamige nationale park te verkennen. Nadat de tent is opgezet, doen we dat in bescheiden formaat. Vlak naast de camping ligt namelijk Tunnel Mountain waar de top op ons wacht na een klim van ongeveer tweehonderd meters. Het is een korte wandeling. Of dat het mooi is, zijn de meningen verdeeld. De aarzelende gezichten verraden toch dat er meer spektakel wordt verwacht. Enkele dagen later geeft medereiziger Erwin toe dat hij het toch wat tegenvallend vond. Is dit nu Canada? Helaas wel, want Canada wordt geteisterd met een enorme rookontwikkeling door de talrijke bosbranden die hier plaatsvinden. Het geeft de lucht een heiig karakter, een soort van smog dat panorama's verft in een waas van onaantrekkelijkheid en kleurloosheid. En daar sta je dan aan de top: uitkijkend over een prachtige vallei, gedrenkt in walmen van rook en vuur.    

Later brengen we een bezoekje aan het stadje en dat valt heel erg goed mee. De Bow River deelt het plaatsje in twee en zorgt voor enkele pittoreske momenten. Met name de bruggen die over de rivier liggen, zijn dankbare onderwerpen om gefotografeerd te worden. Het decor van een uitgestrekt groen park, kristalheldere rivier en elegante bruggen brengen toch al het eerste streepje ongerepte Canadese natuur. Al is het deze keer wel in eerder bescheiden formaat.  

Canada heet één van de mooiste natuurbestemmingen ter wereld te zijn, maar weet het reisgezelschap inclusief mezelf nog niet helemaal te imponeren. Toch maken we er het beste van. We genieten van de kleine dingen. Brutale eekhoorns die nootjes eisen, worden op hun wenken bediend. Het bord dat zegt dat je geen wildlife mag voeren op boete van vijfhonderd Canadese dollar maakt weinig indruk. De kampeerplaats imponeert trouwens ook. We zitten middenin de prachtige natuur bij een Canadees dennenbos en stiekem is het hier eigenlijk mooier dan het nabijgelegen Tunnel Mountain. Natuur moet niet altijd wild of ongerept zijn.

Zondag 9 augustus
Misschien wel de mooiste dag van deze reis noemde ik deze derde dag. En nu de reis is afgelopen, blijf ik bij deze bewering. Nochtans is het een dag met contrasten, frustraties en drukte. Maar ook met ruimte voor spontaniteit, onverwachte ontmoetingen en een zee van rust. En dat maakt de beleving van deze dag wellicht zo speciaal. Zoals ik tegen anderen heb verteld op deze reis: "Soms moet je iets negatief ervaren om de goede dingen nog meer te appreciëren". En dat is op deze dag zeker gebeurd. 

Op papier belooft het inderdaad alvast een mooie dag te worden. We bezoeken namelijk twee absolute parels van bergmeren: Lake Louise en Moraine Lake. Hun omschrijving leest als een boek in een fantasiewereld. Turquoiseblauwe meren die omringd zijn met scherpe bergtoppen die rijzen vanaf de oevers en bedekt zijn met een indrukwekkende sneeuwlaag. De achtergrond van Lake Louise wordt bovendien gedomineerd door de indrukwekkende ijsmassa van Victoria Glacier. Foto's doen geloven dat het afbeeldingen zijn van een sprookjesboek, maar het zijn toch echt wel foto's die ik zelf heb genomen. Het minder leuke nieuws is dat deze plaatsen zowat onder de voet worden gelopen door toeristen. Parkeren is bijna een onbegonnen zaak en daarom rijden we er met een busje ernaartoe. De limiterende factor is tijd. We krijgen 75 minuten per meer. Genoeg tijd om foto's te nemen, te weinig tijd om de omgeving deftig te verkennen met een hike. 

Op dergelijke momenten is het gemakkelijk om de frustraties de vrije loop te laten. Ik kan klagen dat ik de legendarische wandeling van de Plain of Six Glaciers mis. Een hike die begint bij Lake Louise maar gestaag ruiger wordt en wandelaars brengt naar een buitenaards landschap van morenen en gletsjers. In plaats daarvan sta ik minutenlang aan de oever van Lake Louise dat ik moet delen met honderden anderen. Visueel behoort dit tot het allermooiste wat ik al gezien heb in mijn leven. Qua beleving is het echter bijzonder matig. Ik erger me aan het feit dat ik geen plaats heb, het geroezemoes zorgt voor een kabaal en de nervositeit van deze mierenhoop maakt mezelf nerveus. Er is echter hoop: een korte wandeling leidt naar een ogenschijnlijk mooi uitkijkpunt, Fairview Lookout. Na een kwartier stijgen, beland ik bij het uitkijkpunt. Het kijkt uit over de mensenzee waar ik daarnet nog was en over Fairmont Château Lake Louise, een bombastisch hotel dat in 1924 werd gebouwd om de welgestelde klasse aan te trekken. Het uitkijkpunt kijkt dus met andere woorden de verkeerde richting uit. Naar de massa, niet naar het meer.

In zeven haasten spoeden we ons naar beneden om op tijd bij de bus te zijn. Die brengt ons naar Moraine Lake. Alweer zo'n pareltje van absolute drukte. Hier is het nog erger omdat bijna alle mensen over de gelijknamige morenen - steenpuin dus - lopen. Het panorama heet hier nog indrukwekkender te zijn door de tien bergpieken die Moraine Lake omkransen. Stuk voor stuk bergreuzen die groter zijn dan drieduizend meter en gereflecteerd worden in het feeërieke water. Ja, het is adembenemend. Nee, het is geen topervaring. Het voelt aan als chique dineren in een sterrenrestaurant om vlak daarna het kleinste kamertje te bezoeken omdat je darmklachten hebt. Ik wil hier mijn ogen de kost geven, contempleren, genieten, me laten onderdompelen. In plaats daarvan erger ik me aan toeristen die vechten voor het mooiste plekje, de herrie en de onbeschoftheid van sommigen. Ook hier zijn de plaatjes mooi, maar de ervaring niet. 

Gek genoeg vind ik mijn rust en contemplatie wel later die dag. Samen met reisgenote Gaëlle trekken we er alleen op uit bij een wandeling van tien kilometer naar de Sundance Canyon. Hier ontdek ik de andere kant van Banff. Reusachtige pieken die ik nu eens niet moet delen met honderden anderen, een pad dat slechts sporadisch wordt bevolkt met andere mensen, de Bow River waar het smaragdgroene water contrasteert met het meer turquoise-kleurende meertje dat er vlak naast ligt of een snelstromende beek die links van mij ligt. Het is een eenvoudig mozaïeklandschap. Niet dramatisch zoals Lake Louise of episch zoals Moraine Lake. Maar wel authentiek. En dat is beter dan drama en epiek. Zeker als je dat al in overvloedige kwantiteit hebt gehad in de voormiddag. 

De Sundance Canyon stelt ook niet teleur. Het doet me wat denken aan de streek van Klein-Zwitserland in het Luxemburgse Müllerthal, maar dan wat groter uitgevallen. Langs de reusachtige rotswand stroomt de Sundance-kreek in hoog verval naar beneden. We wandelen langs bruggetjes, rotsen en kleine paadjes naar boven. Het is net wat avontuurlijker dan de klimmetjes die ik de voorbije dagen heb gedaan. Bij het verlaten van de kloof, wordt het laatste menselijke gezelschap vaarwel gezegd. Dolend door de singletracks van dit dennenbos keren we terug naar het beginpunt van de kloof. Het werkt verstillend. Iets wat ik bij het begin van de dag absoluut niet zou verwachten. 

De absolute ster van de dag is misschien wel de meest onverwachte ontmoeting van de reis. We keren via dezelfde weg terug tot we plots iets zien bewegen. Wat ruist er daar in het struikgewas? Het blijkt een zwarte beer te zijn. Daar heb ik me bij de derde dag Canada niet aan verwacht... Ik voel me niet op mijn gemak en heb toch wat schrik. Gaëlle heeft minder schrik om te fungeren als lunchbox van de beer en zou het liefst van al dichterbij komen. Gelukkig beschikt ze over een telefoon met goede videofunctie waarbij ze de beer van dichtbij kan filmen. Een groepje van Franstalige Canadezen voor ons heeft minder geluk en bevindt zich op enkele meters van de beer. In twee tijden verjagen ze het dier. Als toemaatje krijgen we bij het einde van de wandeling nog een muildierhert te zien. Een dag vol verrassingen, waarin schoonheid plots erg relatief blijkt.