dinsdag 10 maart 2026

Reisverslag Sri Lanka deel drie: de twintig meter-kuur

Vrijdag 9 januari
Ochtendstond heeft goud in de mond. En ook minder zweetdruppels wanneer je een monoliet van bijna tweehonderd meter hoog moet beklimmen in de tropische jungle. Dat is namelijk wat me te wachten staat deze ochtend. We bezoeken Sigiriya, de leeuwenrots. Deze rotsformatie rijst tweehonderd meter boven de jungle uit en de top wordt sinds mensenheugenis gebruikt als een vestigingsplaats. Eerst was het de residentie van monniken, maar in de vijfde eeuw werd er in ware Game of Thrones-stijl een strijd om de toenmalige dynastie beslecht. Kashyapa I vermoordde zijn vader en bouwde daarna een paleis op deze top uit angst dat zijn halfbroer wraak zou nemen.     

De rots verschijnt al van ver aan de horizon wanneer we met de bus aankomen. Het ontneemt me de adem door zijn imposante omvang. Maar ook aan de voet van de monoliet is het aangenaam toeven. Halfopen grotten, waterbassins en tuinen maken duidelijk dat deze plek ooit de hoofdplaats was van een welvarend rijk. Het hoogtepunt is deze keer letterlijk hoog en met behulp van stenen trappen uitgehouwen uit de rots en metalen treden zet ik de klim naar boven in. Bijna tweehonderd meter hoog. De ochtendzon verliest de strijd van een dik wolkenpak en de gevreesde temperaturen blijven dus uit. Frisser dan verwacht bereik ik op de top waar na enkele seconden één gedachte door mijn hoofd flitst: Machu Picchu

De citadel in de Peruviaanse bergen heeft namelijk veel gemeen met deze plaats. Ik zie verscheidene terrassen, er zijn waterreservoirs, restanten van paleizen en groene tuinen. Het verbaast me dat deze plaats eigenlijk best klein is. Van ver lijkt het zo imposant, maar op tien minuten heb je de top van deze rots wel gezien. Ik doe er een stuk langer over omdat er toch wel wat te zien is. Van dichtbij tenminste, want vergezichten zijn met de dikke wolken niet mogelijk. Ik kijk wel uit op de spectaculaire water- en spiegeltuinen die zich vlak aan de voet van deze monoliet bevinden.  

Een paar kilometers verder is er een tweede vulkanische monoliet: Pidurangala Rock. Een stuk minder toeristisch, maar wel moeilijker om te beklimmen. Door de heiige hemel is de monoliet moeilijk in de verte waar te nemen, net zoals een groot staand Boeddhabeeld dat helemaal wit gekleurd is. In het voornamelijk groene landschap valt de witte kleur des te meer op. Ook opvallend zijn de fresco's van hemelse maagden die voorzien zijn met weelderige boezems. Ik krijg deze fresco's bij de daling te zien en door de overhangende richel is de kwaliteit onberispelijk. Foto's zijn niet toegelaten. Stilstaan ook niet met een zenuwachtige massa achter mij. Zij willen de vijfde-eeuwse voorloper van de Playboykalender ook wel zien.  

Drie uur ben ik op deze plek geweest, maar dat is voldoende om te weten dat dit de mooiste plaats van Sri Lanka is. De Singalezen noemen dit het achtste nieuwe wereldwonder en als ik zie met hoeveel verwondering ik naar Sigiriya kijk, is dat misschien wel terecht. Ik heb genoeg tijd om na te genieten, want het namiddagprogramma is vandaag niet aan mij besteed. Ik grijp in de namiddag terug naar het literaire genot van de Regels van het Ciderhuis. Ook dit is voor mij reizen - een literaire reis.  

Zaterdag 10 januari
De ene Boeddha is de andere niet. Dat wordt snel duidelijk wanneer Kanchi ons van een stoomcursus Boeddhisme voorziet waarin hij uitweidt over de vijf houdingen die bijna elk Boeddha-beeld typeert. Met behulp van positie en handgebaar zijn er dus vijf varianten te onderscheiden die gaan van meditatie tot het verlenen van zegeningen. Bij de grottempels van Dambulla is deze minicursus eigenlijk verplichte kost want tientallen - zoniet honderden - beelden bevinden zich in vijf grotten. Dit is opnieuw een heilige plaats en dat was ik bij het aankleden even vergeten. Mijn short bedekt mijn knieën niet. Na veel gezucht, besluit ik dan maar om een sarong te dragen. Plaatselijke agenten van de fashion police zouden me onmiddellijk bekeuren... 

Het normaal zo zonnige Sri Lanka beseft niet dat het een zonovergoten eiland is en dat culmineert vandaag in een kleine wolkbreuk. Ik ben blij dat ik in de vijf grotten droog zit. Ik ben minder blij met de mini-martelgang die me andermaal wacht om deze vijf grotten te bezichtigen. Blote voeten, weet je wel. De eerste grot dateert van vlak voor onze tijdrekening, de vier andere grotten dateren van de elfde tot de achttiende eeuw. De ene grot is zo mogelijk nog mooier dan de andere. Heter ook, want het kan aardig benauwd worden in deze grottempels. Bij elke nieuwe grot wordt het moeilijker om enthousiast te worden van de detailrijke Boeddhabeelden, prachtige plafondfresco's of andere artefacten. Het is de overdosis aan tempels na verscheidene dagen in de Culturele Driehoek.

Stiekem geniet ik meer van de locatie van deze grottempels. Het grote open plateau dat een idyllisch uitzicht biedt over de jungle, De groteske, dramatische bomen die voorzien zijn met witte bloesems. De bijna eindeloos lijkende trap naar boven waar niemand me over verteld heeft. Tachtig hoogtemeters die aanvoelen als het dubbele. Lichaamsdrift. Want geestdrift heb ik niet meer. Ergens verspeeld bij Boeddhabeeld nummer 157.          

De bus rijdt inmiddels richting Kandy wat een klein beetje hoger ligt dan de plekken die we tot dusver hebben bezocht. Specerijen gedijen hier goed. Tourist traps ook. Een bezoek aan een specerijtuin weet me te enthousiasmeren. Ik zie welke planten er worden gebruikt om kruidnagel, kardemon, ceylonkaneel en nootmuskaat te produceren. Dat vind ik interessant. De verkoopsdemonstratie met medicinale kruiden en massage een stuk minder. Eén kwartier om de tuin te bezoeken, drie kwartier om diezelfde kruiden te verkopen aan toeristen. De toeristenval in volle werking.   

Toch eindigt deze dag op een positieve noot. Een show van de spectaculaire Kandy-dansers mag niet ontbreken. Ruim een uur lang geven verscheidene dansers het beste van zichzelf waar ze zijn getooid met trommels, maskers en traditionele kledij. Verscheidene dansen passeren de revue die de geschiedenis van Kandy en Sri Lanka uitbeelden. Gracieuze dansen zoals de pauwendans worden afgewisseld met spectaculaire salto's en vuurspuwers. Het magnum opus is de vuurdans waar twee dansers met hun blote voeten over hete kolen lopen. Niet spreekwoordelijk, maar letterlijk. Ik ben er onderste boven van. Spreekwoordelijk, niet letterlijk.  

De hotels in Sri Lanka waren tot dusver al fantastisch, maar qua monumentaliteit slaat dit alles. Het Hotel Suisse was tijdens Wereldoorlog Twee het hoofdkwartier van Lord Louis Mountbatten, de opperbevelhebber van de geallieerden in Zuid-Oost Azië. Metershoge plafonds, Victoriaanse architectuur en een nostalgische, statige look doen me eerder denken dat ik in een paleis logeer dan in een hotel. Rovende apen die openstaande ramen terroriseren neem ik er met alle liefde bij.  

Zondag 11 januari
Thang-ap-pu-wa, vier lettergrepen. De startplaats van mijn eerste hike van deze reis is net geen tongbreker. We hebben een dagje vrij in Kandy en eindelijk wordt de lokroep van de natuur door mij beantwoord. Decor van de wandeling is vandaag de Knuckles Mountain Range, lokaal spreekt men wel ook eens van de Dumbara Hills. De Britten zagen in de vijf lokale toppen de knokkels van een hand en dit gebied werd dan ook herdoopt tot Knuckles Mountain Range. Deze bergketen is maar net terug open na de passage van de cycloon Ditwah eind november. De rit er naartoe laat weinig aan de verbeelding over waarom. Wegen zijn versperd met reusachtige rotsblokken en heuvelflanken zijn volledig weggevaagd. De toorn van Moeder Natuur kan vurig zijn. 

Ik houd wel van een beetje uitdaging, maar dan moet mijn conditie ook wel navenant zijn. Dat is het niet. De cijfers van deze wandeling zijn nochtans niet zo imponerend: bijna negenhonderd meter stijgen en dalen op een route van twaalf kilometer. Dat is te doen. Waar ik geen rekening mee heb gehouden: de steile hellingsgraad naar het midden en de top, de geërodeerde paadjes die bestaan uit kleigrond en daarom erg glibberig zijn, de onbeschrijfelijke dichtheid aan losliggende stenen en rotsen die ervoor zorgen dat ik altijd en overal moet opletten waar ik mijn voeten zet, rotsblokken die soms vijftig centimeter hoog zijn en waar ik op moet stappen, kale rotsvlaktes die gladder zijn dan een spiegel door de recente buien, met handen en voeten over rotsen klauteren en bloedzuigers die in mijn benen een gratis middagmaal zien. Dat is minder te doen. En ik ben dan wellicht een hoop dingen vergeten. 

Ik ben wel wat gewoon, maar hier had ik me niet echt op voorbereid. Het Franse koppel dat met mij meegaat duidelijk wel, want met een voor mij onnavolgbaar dartele gezwindheid hijsen ze zichzelf naar boven. De hele dag staat dus in het teken van zweten en puffen voor mij. De zon is niet echt van de partij waardoor de temperaturen best wel meevallen. Het is te zeggen, het is hier geen dertig graden. Maar hey, als er SM-liefhebbers zijn, dan kan ik misschien toch ook wel genieten van dit wandelmasochisme. Elke trap op mijn adem vertaalt zich automatisch naar een micropauze en die gebruik ik om van de lokale panorama's te genieten. Eerst van de theevelden die me omringen, daarna van het vele bamboe in het nevelwoud. 

Ik ben inmiddels 350 meter hoger wanneer we pauzeren bij een prachtig plateau waar ik de zogenaamde knokkels zie van deze bergketen. Een streepje blauwe lucht zorgt voor een mooie achtergrond en mijn nieuwste profielfoto voor Facebook is een feit. Ik glimlach. Want ik weet niet dat het zwaarste werk nog moet komen. De weg door een kleine vallei kondigt echter het tegendeel aan. Het golft zachtjes op en neer. Een pittoreske waterval en een enig mooi beekje doen me in het paradijs wanen. Totdat de gids naar boven wijst. Daar, daar wacht de top op ons. Het enige wat ik zie is een onmetelijk steile helling die verzwolgen wordt door het nevelwoud. Ik wilde natuur, wel hier is mijn natuur. Het is vooral natuur waar ik naar tuur. Turend naar een helling die ik zelden zo steil heb gezien. 

Als zelfuitgeroepen wandeldokter schrijf ik voor mezelf de twintig meter-kuur uit. Ik stijg twintig meter, pauzeer een ogenblikje en ga verder. Een gekend recept. Ook een falend recept. Twintig meter wordt na poging drie de tien meter-kuur. Dat gaat een paar keer goed totdat ook dit te zwaar wordt. Nu worden het vijf meter. We bereiken de voorlaatste top. Voor mij is het welletjes geweest en ik pauzeer hier. Een vijftigtal meter hoger ligt de echte top, maar het wordt me te hachelijk. Het stijgen lukt nog wel, maar ik heb schrik voor de daling. Losliggende stenen, een steile hellingsgraad en glibberige paden zijn zelden een goede combinatie voor vermoeide benen. 

Op een rotsformatie kijk ik over de omgeving bij de middaglunch. Ik pak het lunchpakket uit. Veel te pikante rice and curry. Ik heb het in India amper gegeten, ik heb het in Sri Lanka amper gegeten en ik ga er ook niet mee beginnen bij een anonieme bergtop in deze weinig bezochte regio. Een kleine straathond is al deze tijd met ons meegewandeld en die heeft wel honger. Het pakketje verdwijnt moeiteloos achter de kiezen. Een dreigend wolkenpak spoort me na een tijdje aan om terug af te dalen. De afdaling kost zoals verwacht meer moeite dan de beklimming. Het is minder vermoeiend, maar wel precairder. Glibberige kleigrond, kale rotsvlaktes of gewoon een losliggende steen. Veel is er niet nodig om een valpartij te maken. Dat doe ik ook niet. Omdat ik erg traag daal.

De tijd die ik neem, staat me wel toe om me meer onder te dompelen in dit prachtige nevelwoud. Bizarre rotsformaties, uitgestrekte theevelden, fauna zoals de vele vogels en de kleine hagedissen en uiteraard de vergezichten zijn de reden waarom ik vandaag naar deze godvergeten plek ben gekomen. Net zoals de afgelopen dagen verspert een dik wolkendek de panorama's. Een beetje jammer, maar het zorgt wel voor een dramatisch uitzicht op de foto's. Dit is niet het mooiste decor van deze rondreis door Sri Lanka. Of het meest unieke. Wel het meest lonende. Dat bewijzen de talloze zweetparels op mijn voorhoofd. Na een aantal kleinere pauzes bereiken we terug de startplaats. Het signaal voor de regendruppels om zich te pletter op de aarde te storten. 

De terugweg naar Kandy duurt opnieuw 2,5 uur. Ik mijmer over de anonieme bijzonderheid van deze wandeling. Ze beroert me niet door haar schoonheid, ze laat geen unieke indrukken na door haar omgeving. Daarvoor heb ik te veel andere wandelingen gedaan die mooier waren, unieker. Het is een wandeling die bestaat. En dat bestaan heb ik ondergaan. Anoniem. En dat maakt deze wandeling zo bijzonder. Veel bijzonderder dan andere wandelingen die mooier waren, unieker. Wanneer ik terug ben in Kandy maak ik nog een rondje bij het plaatselijke Kandy Lake. Een plaats die niet vergeten is door God. Of Boeddha. Want hier staat zijn tand nog ergens. Uiteraard met tempel.

zondag 1 maart 2026

Reisverslag Sri Lanka deel twee: pauze bij de culturele driehoek

Dinsdag 6 januari
De Singalezen zagen hun eerste hoofdstad, Anuradhapura, graag. Rivaliserende stammen uit Zuid-India zagen deze plek echter nog liever en dat is de reden waarom deze meer dan tweeduizend jaar oude hoofdstad werd herschapen tot een ruïnesite na hun inval. De nieuwe hoofdstad Polonnaruwa werd meer landinwaarts gevestigd totdat de Indische buren opnieuw eens op bezoek kwamen. Nadat Polonnaruwa werd vernield, vestigden de Singalezen zich uiteindelijk in de bergen bij Kandy. 

Anuradhapura is dus tweeduizend jaar oud en dat is te zien. Of beter gezegd - dat is niet te zien. Ik heb graag dat tempels authentiek zijn, maar je kan de vraag stellen wat er nog overblijft van tempels die dateren van voor de opkomst van het Romeinse rijk. Ruïnes zijn dan misschien net iets te geruïneerd. De beeldhouwwerken in Isurumuniya Vihara zijn naar verluidt beroemd in heel Sri Lanka, ik herinner me enkel nog de glibberige rotsen waarmee we op onze blote voeten de voetzenuwen pijnigen. Op deze heilige plaatsen mag je geen schoenen dragen en met rotsen en modderig zand wordt dat soms een pijnlijke - en vuile - aangelegenheid. Reisbegeleider Kanchi werpt zich op als gids en doet een langdradige uitleg over het Boeddhisme. Twintig ongeïnteresseerde ogen verraden dat de te lange uitleg aan de meesten voorbij gaat. 

Ik had liever meer tijd gespendeerd aan het mooie Ranmasu Uyana, de koninklijke lusttuin. Maar het kwartiertje dat we hier krijgen is amper voldoende om deze mooie locatie te bewonderen. Vooral de architectuur waarbij de ruïnes opgaan in het groen bezorgt me innerlijke rust. Die vind ik niet bij 's werelds oudste Bodhiboom. Bij Jaya Sri Maha Bodhi bevindt zich namelijk een nakomeling van de originele Bodhiboom waar Boeddha zijn eerste leerrede heeft gegeven. Een plek waar ik enkele maanden eerder was in Sarnath. Bij deze gebedsplaats is het een drukte van jewelste en deze plek voelt dan ook meer aan als afvinken dan beleven.   

Dan is het tijd voor een bezoekje aan de grootste stupa ter wereld: Ruwanwelisaya. Een kleine speurtocht op het internet zegt dat er zich in Sri Lanka nog grotere stupa's te vinden zijn. In ieder geval, de witgekalkte koepel ziet er ronduit indrukwekkend uit door zijn gigantische omvang. Zelfs als die nu veel kleiner is dan vroeger. Rondom bevinden er zich kleinere stupa's en schrijnen waar een offer kan gebracht worden met behulp van Araliya-bloemen. Hoewel ik mezelf beschouw als cultuurminnend kan deze dag me niet helemaal bekoren. De dag is te. Te gehaast, te veel mensen, te veel willen afvinken, te geruïneerd. Op deze dagen is meer minder. Of minder meer.  

Een klassieke rondreis van Sri Lanka bezoekt in de eerste week de zogenaamde culturele driehoek: Anuradhapura - Polonurawa - Kandy. Dat zijn erg veel tempels, schrijnen en Boeddhabeelden op één week. Daarom ben ik blij met de verplaatsing naar het plaatsje Trincomalee aan de oostkust van Sri Lanka. Even weg van de tempels. Meer rust, minder moeten, meer gelegenheid om je eigen ding te doen. Of toch niet. Kanchi weet de groep namelijk te vertellen dat je niet kan zwemmen of niet kan snorkelen. Tja, wat kan je nog doen in een kuststadje waar je in het moessonseizoen niet mag zwemmen of snorkelen. Lezen?  

Woensdag 7 januari
Ja, lezen, want verder valt er niet veel te beleven in Trincomalee. Gisteravond heb ik nog een kleine strandwandeling gedaan en nog een pasta gegeten in het stadje. Er is dus echt niks te zien hier en daarom besluit ik dus maar mijn e-reader van stal te halen. De Regels van het Ciderhuis van John Irving. Ruim 1800 virtuele pagina's in ebookformaat, wellicht ruim zeshonderd pagina's voor het fysieke alternatief. Ik heb John Irving vorig jaar ontdekt en ik verslind met veel plezier zijn boeken. Daar heb ik dus vandaag uitgebreid de tijd voor. Ik zit aan het strand waar de stevige wind me vergast op haar aanwezigheid. De branding van de zee staat nooit stil waardoor ik niet echt kan beweren dat het hier rustig is. 

Toch verdwijn ik moeiteloos in het morele dilemma van dit boek en pauzeer ik enkel voor een occasionele koffie. De andere reisgenoten doen het iets actiever. Zij bezoeken een tempel in de buurt, gevolgd door een visite aan een lokale fruit- en vismarkt. Ik heb deze dag uitgekozen om te ontsnappen aan de tempels. Mijn afwezigheid is dan ook een logische vanzelfsprekendheid. 

Bij sommige pagina's verplaatsen mijn gedachten zich naar deze locatie. Het is mooi, het is een schitterend intermezzo in een tempelintensieve eerste week, maar zou ik hier zitten als ik mijn eigen programma mocht kiezen? Ik denk het niet. Het is ook feedback die ik na deze reis bezorg aan Koning Aap. Toch kijk ik tevreden terug op deze dag. Ik heb me ontspannen, ik heb literair genoten en ik ben opgeladen voor de volgende dagen. Maximale benutting van een nutteloze dag.   

Donderdag 8 januari
Hoe maak je een mooie dag nog mooier? Kanchi zet dit in de praktijk om wanneer hij aankondigt dat na het bezoek van Polonurawa we naar Hurulu Eco Park reizen. Maar eerst Polonurawa dus. Dit is de tweede hoofdstad van het Singalese koninkrijk nadat de eerste hoofdstad Anuradhapura werd vernield door Zuid-Indische stammen. Polonurawa is jonger en dus ook in betere staat. Jong betekent hier ongeveer duizend jaar oud. Leeftijd is - zoals altijd - relatief. 

Kanchi kietelt de zenuwen van de groep door in sneltreinvaart door het lokale museum te stappen. Hij laat een maquette zien met daarop enkele gebouwen die we even later bezoeken. Bij de maquette zie je hoe deze gebouwen er vroeger hebben uitgezien. Zo weten we dus dat het koninklijk paleis ongeveer een duizendtal kamers telde en zeven verdiepingen hoog was. Veel meer dus dan de twee stenen trappen die we even later te zien krijgen. Waar Anuradhapura als onafgewerkt aanvoelt, is Polonurawa meer verfijnd. Nog altijd in ruïne, maar wel in betere staat. Half geruïneerd, half afgewerkt. De restauratie van de audiëntiezaal illustreert ook waarom. In de luwe ochtendzon pendelen we met de fiets naar het heilige vierkant, de aorta van deze stad. 

Met opengesperde mond wandel ik van de ene verbazing naar de andere op deze plek. Een iconisch rond heiligdom met vier zittende Boeddhabeelden staat recht tegenover een reliekschrijn met drie andere Boeddhabeelden. Hier zijn tal van gebouwen. Soms heeft de tand des tijds veel geëist van een gebouw dat niet meer rechtstaat, soms is het zo goed als nieuw zoals dat men in verkoopstaal pleegt te zeggen. Het meest imposante gebouw is toch wel Thuparama, de enige tempel die overdekt is. De dikke bakstenen muren eisen respect, net zoals het Boeddhabeeld dat zich binnenin bevindt. Een ongemakkelijke duisternis omarmt mij wanneer ik dieper de tempel in ga. Gedurende dertig seconden ben ik hier helemaal alleen. Alleen op een site die onder de voet wordt gelopen door de toeristen. Het voelt sacraal aan. Cerebraal. Atheïsten en agnosten worden gedurende dertig seconden spontaan religieus. 

Het einde van het bezoek aan Polonurawa moet qua spektakel nauwelijks onderdoen. Na opnieuw een stupa bezocht te hebben, wandelen we naar Gal Vihare. Hier zijn vier Boeddhabeelden uitgehouwen uit één rotswand. Uniek. Vooral de liggende Boeddha van veertien meter lang weet mijn zinnen te prikkelen. Dit is vakmanschap dat ik zelden heb gezien. Het is bijna hartverscheurend hoe laconiek ik de andere beelden bekijk. Mooi, maar de liggende Boeddha was toch imposanter. De tijdsdruk voedt mijn laconisme. Tien minuten om alles te bekijken. Het is te weinig. 

De namiddag is gereserveerd voor Hurulu Eco Park. De favoriete verblijfplaats van olifanten die je in deze regio frequent vindt. In januari is dit een populaire plek omdat de andere nationale parken in de buurt zijn overstroomd door de moessons. Hier is het droger. Ook ruwer. Dat merk ik aan de zandpaden die absoluut niet zo vlot te berijden zijn zoals in Wilpattu. Het landschap is hier ook een stuk eentoniger. Groen gras, metershoog, zo ver de ogen strekken. Mijn ogen zijn niet vergestrekt. Die zijn namelijk gericht op de kuddes olifanten die we gemakkelijk spotten. Wij niet alleen, want een leger aan jeeps vechten om elke vierkante meter. De chauffeur van onze jeep jaagt zich met doodsverachting door het struikgewas op een heuvel. De dikhuiden geven geen kick. Het is bijna angstaanjagend hoe de olifanten gewend zijn aan menselijke aanwezigheid.    

Na twintig minuten gaan we op zoek naar meer wild. Meer wild betekent in de praktijk meer olifanten. Andere diersoorten zijn hier amper te ontdekken, buiten een paar verdwaalde vogels. Die olifanten krijgen we na een twintigtal minuten opnieuw te zien. Een andere kudde. Met kalf. De oohs en de aahs vliegen in het rond. Nu is het wat rustiger met minder voertuigen. De chauffeurs van de aanwezige jeeps beseffen na een tijdje dat een stilstaande motor aangenamer is dan een draaiende. Op het duizendste gemak eten deze grote landdieren het gras op. Het werkt hypnotiserend. Bijna spiritueel zelfs. Toch meer dan bij mijn tempelbezoeken. Op het einde is er nog een klein uitstapje naar een rotsmassief waar een klimpartij een enig mooi uitzicht biedt over dit park. Een mooi einde voor een mooie dag.  

zaterdag 28 februari 2026

Reisverslag Sri Lanka deel één: typisch toeristisch; vijf lettergrepen

Mijn traditionele ontsnappingsroute rond de periode van nieuwjaar brengt me deze keer naar Sri Lanka. Het zonovergoten tropische eiland nodigde me bij haar uit nadat ik terug in België was van mijn vorige reis in oktober. Het blijkt dat een grauwgrijze bewolkte hemel en een oeverloze regen in oktober uitstekende argumenten zijn om bij de aanvang van de winter zonnigere oorden op te zoeken. Sri Lanka is als oord niet alleen zonnig, maar heeft voor ieder wat wils: eeuwenoude tempels, grote stupa's, mystieke bergen, talloze dieren en theeplantages. 

Zaterdag 3 januari
Eerste sneeuw. Het is één van de mooiste kleinkunstnummers in de Nederlandstalige muziekgeschiedenis die op een onnavolgbaar rauwe manier wordt gebracht door Kris De Wilde. Tranen druppelen iedere keer uit mijn oogleden wanneer ik het hoor. Het doet me namelijk denken aan mijn veel te vroeg overleden moeder. Het heeft voor mij dus een heel emotionele connotatie. Weemoed en verdriet. Maar vandaag ook opluchting. 

De eerste sneeuw dwarrelt op deze zaterdagochtend op het Zaventemse tarmac wanneer het vliegtuig aanstalten maakt om te vertrekken. Richting de woestijn van Doha. Daar is de overstapplek die me van neerslachtigheid naar gemoedelijkheid brengt. Maar eerst een dagje vliegen dus. Dat mag ik letterlijk opvatten, want ik vertrek zaterdagochtend en  zondagochtend land ik in Colombo. De royale overstaptijd van zes uur maakt de dag wat langer. Maar ook ontspannender. Ik ontdek dat het geheugenkaartje van mijn fototoestel thuis is gebleven. Op de luchthaven van Doha koop ik dan maar een nieuwe: vijftig dollar. Westerse prijzen zijn niet goedkoop, maar oosterse prijzen zijn zo mogelijk nog duurder. 

De Dreamliner waarmee ik van Brussel naar Doha vlieg heeft van me een verwend nest gemaakt. Dat merk ik wanneer ik de Boeing van SriLankan Airlines instap. Het toestel is volgens mij vergeten dat we al een kwarteeuw in de eenentwintigste eeuw leven. Met weinig comfortabele stoelen en een schreeuwende baby achter mij worden het zes lange uren. Geradbraakt verlaat ik uiteindelijk het vliegtuig waarna ik 's ochtends naar Colombo word gebracht. De enige citytrip op deze reis.      

Zondag 4 januari
Half slaapdronken na de weinig comfortabele vlucht besluit ik om meteen Colombo te verkennen en ik vertrek aan mijn hotel dat aan de kust is gelegen. Een half uurtje met de benenwagen volstaat om bij de voordeur van het Nationaal Museum te staan. Een gesloten voordeur. Het museum gaat pas om negen uur open. Ik dood de tijd met een een cafeïne-injectie om mijn drang naar koffie te verstillen. Bij een lokaal koffietentje doorblader ik mijn reisgids van Capitool totdat het museum bijna opengaat. 

Het museum is een chique landhuis in Victoriaanse stijl uit de laat negentiende eeuw en is volgens mij groter dan sommige nationale paleizen. Qua grandeur doet dit statige gebouw heel erg Europees aan. Het interieur doet me soms denken aan een vergane glorie. Houten parketvloeren die twee eeuwen geleden hip waren en stoffige kabinetten doen me terugreizen in de tijd. De weinige belichting versterkt dit gedateerde gevoel. Toch ben ik onder de indruk van de diverse collecties die ik hier aantref: Boeddhabeelden, archeologische artefacten uit de vroege geschiedenis van wat nu Sri Lanka is, maskers uit Kandy, een grote kano, levensgrote diorama's van hoe de Veddah - de eerste bevolkingsgroep in Sri Lanka - leefden, Europese wapens en geweren, traditionele kledij, tapijten en informatie over irrigatie en landbouw. Het is te veel om op te noemen. En om te lezen ook. 

Talloze informatieborden lopen verloren in de wat chaotisch opgestelde kamers en het oubollige museumontwerp ontmoedigt me om meer tijd te investeren in de eerste collecties. Ik vind het allemaal interessant, maar in de warme ochtendtemperatuur van bijna dertig graden en amper gekoelde kamers kan zelfs een interessante kunstcollectie me niet overtuigen om hier langer te blijven. De eerste verdieping is beter ingericht. Ook koeler. Hier blijf ik wel langer. Hier laat ik me liever onderdompelen door de heel diverse expo's die over de hele geschiedenis van Sri Lanka uitweiden. Mijn enige museum in Sri Lanka is dus wel een topper. Wel geen moderne topper.           

In Sri Lanka is het verplicht dat elke eigennaam uit minstens vier lettergrepen bestaat. Bonuspunten als het vijf of meer lettergrepen zijn. Dat leer ik wanneer ik door het Vi - ha - ra - ma - ha - de - vi Park ga. Zeven lettergrepen. Het gaat voor andere tempels en plaatsen moeilijk worden om dit te verbeteren. Dit park bevindt zich tussen het nationaal museum en Gangaramaya Tempel, mijn volgende bestemming. Veel Singalezen en één westerling komen hier bij de kronkelende wandelpaden schaduw zoeken bij tropische temperaturen. 

De Gangaramaya Tempel lijkt op een soort van rariteitenkabinet van een verwoede kunstverzamelaar. Een indrukwekkende collectie van oosterse curiosa zou volgens mij een groot kapitaal opbrengen bij de lokale rommelmarkt. De tempel heeft daarom eerder een kitscherig dan een spiritueel karakter. Toch zijn er hier mooie dingen te zien. Niet de Bodhiboom waar iedereen rondhangt, maar wel de kleine vihara met prachtige muur- en plafondschilderingen uit de zeventiende eeuw weet me te betoveren. Het is een plek waar ik graag wat langer blijf stilstaan. 

Wat verder bevindt er zich een nieuw opgetrokken tempel aan een kunstmatig meer. Een houten paviljoen zweeft boven het water en biedt een mooi overzicht over het moderne Colombo. De 350 meter hoge Lotustoren wordt in het heldere water gereflecteerd. Colombo is eigenlijk verrassend modern en dit stadsdeel ontwikkelt zich explosief. Het klinkt misschien als blasfemie, maar eigenlijk vind ik de moderne architectuur mooier dan de traditionele tempel die ik heb gezien. Dat is er dus slechts één en dat is misschien niet de beste referentie.

In de namiddag doe ik het rustiger aan. Slave Island was vroeger een plek waar de Nederlanders slaven gevangen hielden. Nu is het een volksbuurt waar ik ronddwaal om me terug naar het hotel te begeven. Ook houd ik halte bij Galle Face Green, een groen kustpark dat zich op een boogscheut afstand van het hotel bevindt. Na kennismaking met de groep is het tijd voor een rondje toeristisch rondrijden. Uitstappen, een paar foto's nemen en terug instappen. Bij de mooie rode moskee van Jami Ul‑Alfar Mosque. Bij de Lotustoren. Bij het herdenkingsmonument van Independence Memorial Hall. Er is veel om van onder te indruk te zijn. De enige indruk die ik nu echter heb, is dat ik moe ben.   

Maandag 5 januari
A - nu - rad - ha - pu - ra. Zes lettergrepen. Geen record dus, maar wel een tongbreker. De voormalige hoofdstad van het Singalese eiland is de eindbestemming van vandaag in een wat langere rit. Om negen uur vertrekken we op een maandagochtend uit de huidige hoofdstad en dat loopt onverwacht vlot. De onvermijdelijke files duren amper een kwartiertje en daarna openen de wegen zich richting Wilpattu NP. Dit is het eerste van drie safariparken dat we bezoeken en met ruim 1300 km² meteen ook het grootste van het gehele lot. 

De minibus wordt vergezeld door een chauffeur en assistent. Samen met reisbegeleider Kanchi is dit drietal onze gastheer in dit veel te kleine onderkomen. Beenruimte is er amper en elke vierkante centimeter wordt door mijn voeten benut om niet in een benarde positie te eindigen. Het is een strijd die ik iedere keer verlies. Dan is vijf uur rijden tamelijk lang. Rond de middag wordt er gepauzeerd om onze magen te vullen en onze benen trombosevrij te houden. Het eerste lukt al wat beter dan het tweede. 

Om twee uur 's namiddags beginnen we aan onze game drive door Wilpattu NP. Met gemengde gevoelens. Ik doe dit veel liever 's ochtends, want dan is de kans een stuk groter dat je meer wild ziet. Het begin verloopt rustig, maar gaandeweg ontvouwt er zich een groot bestand aan vogels voor mijn ogen: diverse arenden, zangvogels en hoenderen worden door mij gefotografeerd. Vooral de kleurrijke ceyloenhaan valt op door zijn verenpracht. Qua zoogdieren blijf ik wel een beetje op mijn honger zitten. We vinden sporen van een luipaard. Het heeft een buffelkalfje gevangen. De luipaard zelf is echter spoorloos. Wel aanwezig is een lippenbeer. 

Met mijn voorspellende gaven heb ik tegen de reisgenoten gezegd dat het spotten van een lippenbeer uiterst gering is. Ik denk eerder dat mijn voorspellende gaven gering zijn. Toch gebeurt het niet zo vaak dat een lippenbeer in het wild wordt gespot en daar profiteer ik maximaal van. Uitgerust met mijn veel te grote telelens speur ik naar de beer tussen het vele bladergroen. Wanneer die zich van struik naar struik beweegt, kan ik bruine schimmen ontwaren die verraden dat dit een beer is. Bij elk model moet je soms wat geduld hebben. Ook bij deze. Richting het water kan ik hem volledig op gevoelige plaat vastleggen. Safari geslaagd dus. 

In het park zijn we soms alleen op de zandwegen die in vrij behoorlijke kwaliteit verkeren. Het is absoluut niet vergelijkbaar met de safari's die ik enkele maanden eerder heb gedaan in Chitwan en Ranthambore. Daar zat ik in een canter met twintig personen. Hier in een wendbare jeep met vijf personen. Het helpt toch enorm bij het opwaarderen van deze safari. De omgeving weet me wel niet helemaal te overtuigen. Het is mooi, maar wel wat monotoon. Bij de terugtocht zie ik nog enkele waterbuffels en 's avonds kijk ik terug op een heel resem aan gespotte dieren. 's Ochtends in de file en 's avonds nagenieten van een safari. Het is de compactheid van Sri Lanka in woord en beeld.       

dinsdag 30 december 2025

Reisverslag Marokko deel vier: het landschap als protagonist

Vrijdag 26 december
De rondrit door zuidelijk Marokko gebeurt in lusvorm en dat betekent dus dat we na een weekje rondtoeren opnieuw in Marrakech verwacht worden. De route van vandaag is dus een grote herhalingsoefening van de derde dag, maar dan in tegengestelde richting. We gaan wel eerst terug naar Ouarzazate waar we een koffiestop houden. Onze Marokkaanse chauffeur slaakt hier een kreet van verzuchting wanneer hij te horen krijgt dat de Tizi n’Tichka sneeuwvrij is verklaard. Geen rit van elf uur dus, maar een veel schappelijkere rit van vijf à zes uur. Deze dag is een echte reisdag en onze kleine reisgroep lijkt dat te beseffen. Hier en daar een obligate fotostop, maar verder is het doorrijden naar eindbestemming Marrakech. 

Vreemd genoeg vind ik deze lege dag eigenlijk verrassend aangenaam aanvoelen. Het landschap speelt hierin een grote rol. Hoewel ik dit landschap al eerder zag deze week blijft het me imponeren. Vooral een enorme berg die getooid is in okerrood weet mijn aandacht vast te houden. Vanuit het raampje van de minibus kijk ik gebiologeerd naar de grootste rode berg die ik ook heb gezien. En waarschijnlijk ooit zal zien. De overgang van Jbel Saghro naar de hoge Atlas en daarna de Haouz-vlakte gebeurt haast geruisloos. 

Bij één van de zeldzame stops sta ik op de Col du Tizi n’Tichka en hier zie ik met eigen ogen hoe spectaculair de sneeuwval zich heeft ontwikkeld de laatste dagen. Een metershoge sneeuwhoop voor de deuren van winkeltjes illustreert dit maar al te goed. Deze ochtend heb ik gehoord dat er een aantal bergdorpjes zijn geëvacueerd omdat ze helemaal ingesneeuwd dreigden te worden. Na het zien van de besneeuwde bergtoppen kan ik me er iets bij voorstellen. 

Om vier uur 's namiddags ontvangt Marrakech me voor de tweede keer. De animo om nog naar de souks te gaan staat bij mij op een laag pitje. Ik heb het al een keer gedaan en bij het Jemaa el-Fna-plein wordt een overrompeling voorspeld. Vandaag speelt namelijk ook Marokko tegen Mali in de Africa Cup. In mijn laatste uurtjes in Marokko verken ik dan maar Gueliz. Ik ben wel benieuwd naar Jardin Majorelle, de tuin die wereldberoemd is geworden dankzij Yves Saint-Laurent. Een ellenlange toeristenrij verdringt zich om de kleurenpracht van deze tuin te delen met tienduizend andere toeristen die zich ook daar bevinden. Nee, dan blijf ik wel buiten. 

Mijn wandeling brengt me langs enkele parkjes en lanen, maar is bij mijn terugkomst aan het hotel al snel weer vergeten. Bij het afscheidsdiner wordt reisgenote Cécile nog eventjes in de bloemen gezet voor haar vijfenzeventigste verjaardag. Ook reisbegeleidster Nancy krijgt (opnieuw) een dankwoordje voor haar uitstekende werk gedurende deze week. Het incident met de verloren bagage zindert nog altijd een beetje na. En zo komt er een rustig einde aan een toch eerder drukke reis.      

Zaterdag 27 december
Hoewel deze reis door Koning Aap omschreven wordt als een achtdaagse reis kan de laatste dag wat mij betreft van het rijtje geschrapt worden. Dat is namelijk een vroege vlucht terug naar huis. Voor de anderen is dit weer met een extra stop in Casablanca. Ik heb echter een rechtstreekse vlucht van Marrakech naar Eindhoven. Om half zeven 's ochtends bestel ik op Uber een taxi, maar dat duurt. En duurt. En duurt. Ik heb meer dan genoeg tijd voorzien voor alle rompslomp, maar zelfs dan begin ik zenuwachtig te worden. Een toevallig voorbijrijdende taxi brengt redding. 

Bij de luchthaven word ik opnieuw verblijd met een sterk staaltje van digitalisering. Ik vlieg namelijk met Ryanair en sinds kort zijn bij deze luchtvaartmaatschappij enkel digitale instapkaarten toegelaten. Behalve in Marrakech uiteraard waar ik bij het loket mijn digitale instapkaart moet omruilen voor een fysiek exemplaar. Erg logisch in de digitale wereld, niet in de mijne. Met veel frisse tegenzin kan ik me weer door de gewoonlijke procedures spartelen. Security. Check. Douane. Check. En dan kan het wachtspelletje beginnen. 

Dat wachten verloopt sneller dan ik dacht. Besluitloze ik doet er namelijk een kleine eeuwigheid over om te beslissen wat en waar ik mijn ontbijt ga eten in de luchthaven. Het instappen begint ook verrassend vroeg. Eén uur voor vertrek. Het doorbreekt de sleur en ik zal blij zijn als ik in het vliegtuig ben. Drie en half uur later ben ik terug in het koude Europa. Een temperatuur net boven het vriespunt verwelkomt me in Eindhoven. De vrieskou die ik wilde ontvluchten heeft me opnieuw gevonden. Maar met een koffer vol warme herinneringen ga ik die tegemoet.  

Reisverslag Marokko deel drie: woestenij in de woestijn

Woensdag 24 december
Op deze dag word ik opnieuw verlekkerd met een diverse maaltijd aan landschappen. Onderweg zie ik prachtige tafelbergen en curieuze rotsformaties in de woestijn. Normaal gezien is dat gereserveerd voor morgen op weg naar N'Kob maar volgens mij ben ik stiekem al in Jbel Saghro. Deze regio is gevormd uit oud vulkanisch gesteente en ziet er daarom een tikkeltje ruwer uit dan het woestijnlandschap dat ik dusver heb gezien. Een medereiziger noemt het een maanlandschap wat volgens mij wel klopt. Zwarte rotsen en een gapende leegte zijn namelijk onze belangrijkste metgezel op deze dag. 

Deze gapende leegte in de woestijn maakt het moeilijk om water bij te houden en daarom hebben lokale inwoners zoveel jaren geleden het systeem van de khettara bedacht. Dit is een ondergronds irrigatiesysteem waar een licht aflopende ondergrondse tunnel een gebied van water voorziet. Boven zijn er dan op regelmatige afstand schachten gebouwd waar men water uit de tunnel kan halen. Een korte rondleiding legt ons dit systeem uit. Het is niet meteen spectaculair te noemen, maar een streepje cultuur is zeker welkom op deze reis. 

Dat streepje wordt meteen een grote streep, want even later krijgen we een tweede demonstratie op onze route. Miljoenen jaren geleden was dit gebied namelijk een gigantische oceaan waarin octopussen, zeeslakken en andere zeedieren leefden. Deze dieren zijn inmiddels allemaal gefossiliseerd en in deze regio worden deze fossielen opgegraven. Met deze fossielen en mineralen wordt dan decoratie gemaakt, fossielmarmer. De demonstratie is tamelijk kort, maar met name de afgeleverde producten stelen de show. Prachtige tafelbladen en mooi afgewerkte beelden sieren de fabriekshal waar uiteraard ook een grote verkoopafdeling is gevestigd. Tienduizend euro voor een mooi tafelblad. Inclusief verzending naar België! Dat is toch wat te duur voor mij... 

We stoppen rond de middag bij een dorp waar we van de gelegenheid gebruik maken om het plaatselijke marktje te ontdekken. Het is niet erg groot en ik ben dan ook snel uitgekeken op de markt. Dit soort dingen zijn niet echt aan mij besteed. We rijden dan verder naar de grote zandzee van Chebbi of Erg Chebbi in het Arabisch. Deze plek bevindt zich vlakbij de Algerijnse grens en wordt gekenmerkt door grote, oranje zandduinen die tot honderdvijftig meter hoog worden. Dat nodigt uit tot een wandeling over deze duinen en dat doe ik prompt. De ene bizarre zandduin wordt opgevolgd door de andere. Dit is een heerlijke plaats om foto's te maken. 

Mijn zicht wordt geblokkeerd door een zandduin. Ik trek naar de top van deze zandduin om vervolgens vergast te worden op een ander spectaculair duinenzicht. Telkens is er de verlokking om verder te dwalen, op zoek naar de mooiste zandduinen. Maar hier is oriënteren erg moeilijk en de weg is snel verloren. Daarom ga ik niet te ver. Om kwart over vijf begeef ik me wel verder in deze woestijnduinen. Met de quad. In Namibië heb ik al eens door woestijnduinen gereden en dat smaakt naar meer. Dit is wel een stuk korter, slechts één uurtje. Bovendien spendeer ik een groot deel van de tijd bij een magische zonsondergang. 

Het rijden zelf is lichtjes teleurstellend. Mijn begeleider legt amper iets uit en de duinen in Namibië zijn net dat tikkeltje weidser en grootser. Toch probeer ik tussen mijn pogingen om niet te vallen onderweg te genieten van het ritje. Dat lukt me. Op volle snelheid een steile duinrug oprijden blijft toch een spannende ervaring. En dan het uitzicht over deze oranje zee van duinen. Dit is toch wel de reden waarom je op vakantie bent. De zon verdwijnt langzaam achter de horizon en dat is het signaal om terug naar het hotel te rijden. Hier wacht het (te vroege) kerstdiner in buffetvorm op mijn smaakpupillen. Na de tajines, brochettes en couscous nog eens gevarieerd eten. Dat smaakt.   

Donderdag 25 december 
De boog kan niet altijd gespannen staan. De voorbije dagen waren goed gevuld, maar het einde van deze overland tour doet het wat rustiger aan. Dat vertaalt zich ook in een latere vertrektijd. Om tien uur wordt het startschot gegeven en dat geeft me de tijd om wat langer te slapen nadat ik vorige nacht minder goed had geslapen. Mijn medereizigers zijn vroege vogels en hebben 's ochtends enkele mooie foto's genomen van de zonsopkomst over de zandzee van Erg Chebbi. Ongetwijfeld mooi, maar uitslapen wanneer je moe bent, is volgens mij nog veel mooier.

Eindhalte van deze dag is N'Kob, maar we maken een belangrijke tussenstop bij het stadje Rissani. Net voor de stad is er een kort intermezzo om dromedarismelk te drinken. Minder vet en gezonder dan koeienmelk, maar het smaakt naar euh... melk. In Rissani verblijven we enkele uren om een aantal dingen te bezoeken en ook om te lunchen. Het belangrijkste bezoekje is wellicht het mausoleum van Moulay Ali Cherif. Hij is de grondlegger van de huidige koninklijke dynastie in Marokko en is naar verluidt een afstammeling van de profeet Mohamed. Daarom is dit mausoleum een bedevaartsoord voor veel moslims. Als niet-moslim mag je enkel de kleine tuin bewonderen en dan voelt zo'n bezoek toch wat leeg aan. 

Op donderdag is het marktdag in Rissani en er heerst dan ook een enorme bedrijvigheid in de plaatselijke souks. Die zijn trouwens verrassend groot en je kan hier dan ook een heleboel producten vinden. De schoonmoeders die ze in Marrakech wel verkochten heb ik hier niet gevonden, maar voor het overige vind je hier bijna alles. Bij sommige etenswaren kan er wel gediscussieerd worden over de versheid. Zo denk ik dat de vis een lange weg heeft afgelegd naar deze woestijnstad waardoor je beter even vegetariër wordt hier. Net zoals gisteren haal ik niet veel plezier uit zo'n marktbezoek. Het is interessant om de marktkramers bezig te zien, maar op tien minuten ben ik wel uitgekeken. 

Op weg naar N'Kop is het landschap de grootste bezienswaardigheid van deze dag. Ik doop het zelf een spaghettiwesternlandschap: droge woestenij met nauwelijks vegetatie waar rotsen verscholen liggen in een stoffig decor. De rit door deze omgeving werkt hypnotiserend: traag, monotoon maar ook rustgevend. Die rust kan de chauffeur ook goed gebruiken, want hij is zenuwachtig voor morgen. De bergpas van Tizi n’Tichka is naar verluidt gesloten. Een omweg via Agadir is goed voor elf uur rijplezier. Gelukkig voor onze chauffeur heeft zijn schietgebedje gewerkt en moeten we morgen niet omrijden. 

Het laatste wapenfeit van de dag is een korte wandeling door de dadenpalmentuinen van N'Kob. Het is vergelijkbaar met de wandeling nabij de Todra-kloof, maar dan zonder de dramatiek van de kloof en bergrivier. Zonder plaatselijke gids is het even zoeken naar een begaanbare weg in deze mozaïek van tuinen, maar als die er niet is, verzinnen we die wel even. Na vier lange pendeldagen is het ontspannend om even de benen te strekken. Het plaatsje N'Kob heeft zelf weinig te bieden en de tocht door het stadscentrum gebeurt dan ook met een snelle mars. Dezelfde snelle mars die ook wordt gehanteerd voor deze korte reis door Marokko.  

maandag 29 december 2025

Reisverslag Marokko deel twee: rood, wit en groen

Maandag 22 december
De plaats van de zonen van Haddou. Dat is de eindbestemming van deze dag. Niet zomaar een plek, want het dient als filmdecor voor prestigieuze films en series zoals Gladiator en Game of Thrones. Ik weet dus al voor dat ik vertrek dat zo'n fotogenieke plaats een aanslag gaat plegen op het geheugenkaartje in mijn fotocamera. Bij het begin van de dag heb ik echter andere zorgen, want we moeten eerst de hoogste bergpas van noord-Afrika overwinnen. De Tizi n’Tichka is met een top van 2260 meter behoorlijk hoog. Marrakech bevindt zich een boogscheut van het Atlasgebergte en deze dag voelt dan ook als een prentenboek waar elke kilometer een andere pagina wordt omgeslagen. 

De maandagochtendhectiek van Marrakech is na dertig minuten alweer lang vergeten, wanneer we de schilderachtige Haouz-vlakte betreden. Valleien en hellingen worden geknuffeld door een okerrode laag. De kleuren van deze klei- en leemgrond variëren van okerrood tot diep roodbruin en doen me met toenemende verbazing uit het raam kijken. Zeker wanneer ik een gigantische bergtop aanschouw die helemaal gehuld is in deze dieprode kleur. Het prentenboek brengt me naar een totaal andere wereld. 

Niet veel later wordt er opnieuw een ander hoofdstuk aangesneden, want dan word ik getrakteerd op een dramatisch sneeuwlandschap waarvan de witte bergtoppen verraden dat de sneeuwval vrij recent is. Dat klopt ook. De Tizi n’Tichka is namelijk twee weken geleden sneeuwvrij gemaakt. Weliswaar nog niet steenpuinvrij. Overal liggen er rotsen en stenen op de nochtans goed onderhouden weg. Enkele dagen later leer ik dat dit steenpuin op dezelfde dag is neergekomen. Natuur laat zich niet reguleren. Dat is duidelijk met de wind, want zoveel wind zou verboden moeten worden. Bij diverse fotostops word ik telkens ontvangen op een concert van windkracht tien. De bevroren sneeuw bij de Tizi n’Tichka maakt het zelfs ronduit gevaarlijk. 

De zigzaggende bergpas brengt ons naar beneden en we verlaten dit decor van sneeuw en wind met veel ontzag. Op mijn reizen door Tibet heb ik prachtige bergen gezien, maar op ruim vijfduizend meter hoogte heb ik ironisch genoeg geen sneeuw gezien. Hier zie ik het witte goedje zover het oog strekt. Licht verhongerd stoppen we bij een lokaal restaurantje dat gastvrijheid mee in het woordenboek zet. Een immer glimlachende berber in een bergdorpje trakteert ons op thee. Zelf worden ze liever Imazighen genoemd, vrije mensen. Berber is namelijk ontleed van barbaar en dat is een connotatie die ze liever niet zien. 

Het eten laat op zich wachten. Een uurtje wachten is geen uitzondering op deze reis. Maar bij dergelijke mooie locaties is dat een bonus. Tijd is een luxe die je op deze reis moet koesteren. De fabelachtige landschappen hier koester ik na deze reis nog steeds. Na het eten is het nog drie kwartier verder rijden tot de zonen van Haddou. Wanneer we ons vijfhonderd meter van het hotel bevinden, zien we het eindelijk: Ait Ben Haddou. Dit is een ksar, zeg maar een lemen vestingdorp dat bestaat uit zeven kasbah's die zijn gebouwd tegen een helling. Het ziet er zo mooi uit dat het dus een geliefd film- en televisiedecor is. Ook UNESCO werelderfgoed. En de reden waarom toeristen de Hoge Atlas oversteken. 

We hebben nog enkele uurtjes om deze plaats te verkennen, maar eerst moet er nog een hindernis worden overgestapt. Letterlijk. In een klein riviertje staan enkele zandzakken die dienen als stapstenen om over dit riviertje te springen. De ongelijke zandzakjes vergen toch wat voetencoördinatie. Klaarblijkelijk beschik ik daar net genoeg over om niet nat te worden. De ksar wordt onder de voet gelopen door dagjestoeristen, maar op dit latere uur hebben die zich al uit de voeten gemaakt. Wat rest zijn de toeristen die overnachten. In een doolhof van steegjes trek ik er op uit. 

Er is geen plattegrond beschikbaar, maar dit kleine plaatsje heeft dat ook niet nodig. Alle wegen leiden deze keer niet naar Rome, maar wel naar de iconische graanschuur aan de top. De kasbah's zien er mooi uit door hun eenvoud. Bovendien zien ze allemaal er hetzelfde uit. Kracht door aantallen. Dit is geen wonderlijke architectuur, dit is dwalen in een sprookje van Scheherazade. Een commercieel sprookje wel, want sommige verkopers vragen geen geld. Nee, ze eisen geld omdat we zogezegd op hun privéterrein komen. Dat privéterrein is gewoonweg de weg naar buiten. Ik droom van sprookjes, de bewoners dromen over geld. Ieder zijn eigen belang. 

Bij zoveel moois is een fotosessie uiteraard verplichte kost en samen met medereizigster Thao wacht ik op de zonsondergang om in het avondrood Ait Ben Haddou te fotograferen. Het westen blijkt echter aan de volledig andere kant te liggen en ik krijg dus geen avondzon te zien die verdwijnt achter de contouren van de ksar. Wel een mooi rood avonddecor waar dit vestingdorp wordt omhelsd door het zachte gloed. Ook mooi.  

Dinsdag 23 december
Duizend kasbah's. Die zouden we vandaag moeten tegenkomen op onze weg. Of zo wordt althans de route genoemd die ons leidt uit Ait Ben Haddou en ons brengt naar de Todra-kloof. Maar voor ik de eerste kasbah op mijn weg tegenkom, kom ik iets veel specialer tegen: een filmstudio. De omgeving van Ouarzazate is namelijk bekend omwille van haar lokale filmindustrie en hier bevinden zich dan ook twee filmstudio's. Wij brengen een bezoekje aan de oudste van het duo: de Atlas Studios

Ik ben al op veel plaatsen geweest en ik heb het geluk om al veel gezien te hebben, maar een filmset? Nee, dat heb ik nog niet afgevinkt. Tot vandaag. Een enthousiaste gids leidt ons langs de filmsets en meteen word ik ondergedompeld in de wereld van het oude Egypte, Arabië en de Romeinen. Het begint meteen met een klapper van formaat wanneer we door een grote hal wandelen die fungeert als een Egyptische tempel. 

Vorig jaar was ik rond deze periode nog in Luxor en ik waan me terug in Egypte. Met één groot verschil: alles ziet er nog beter uit! Geen geërodeerde tekeningen of beelden die delen missen. Het oude Egypte zoals ik dat altijd voor ogen had. Enkele tikken met de vingerknoken doorbreken de illusie. Het blijkt allemaal bepleistering te zijn. Ik word hier dus voor de gek gehouden, maar dat laat ik graag gebeuren. Daarom houd ik ook van film.   

De rondleiding gaat verder: een helicopter van Black Hawk Down, een Arabisch dorpje uit Prince of Persia, het paleis van Cleopatra uit Asterix en Obelix. Allemaal passeren ze de revue en alles ziet er pico bello uit. De gids heeft ook regieambities en samen met een Frans groepje zijn we figuranten in het decor van Cleopatra's paleis. De metershoge poort gaat open, een rij van toeristen verwelkomt de camera die vervolgens focust op Cleopatra: "Welkom in mijn paleis". In het Frans uiteraard aangezien de Cleopatra van dienst een Franse toeriste is. Toegegeven, het eindresultaat mag er best zijn. 

Even later krijg ik een déjà vu: deze keer naar Tibet. De filmset van Kundun is griezelig realistisch opgebouwd en de architectuur hoort zo thuis in de Himalaya. Niet in de woestijn waar we nu toch echt wel zijn. Deze film van Martin Scorsese gaat over de Dalai Lama, maar kende ik niet. Als zelfuitgeroepen liefhebber van Scorsese-films moet ik dit verfilmde epos dus toch wel eens bekijken. Wie had gedacht dat een niet-geplande stop mijn mooiste ervaring zou worden in een week Marokko? Je kan het niet bedenken. Of in dit geval regisseren.  

De omgeving van Ouarzazate is naast de filmindustrie ook bekend omwille van de Vallei van de Rozen die hier welig groeien in april en mei. Dankzij de droge woestijnlucht, het kille water van de Atlas en de hoge ligging krijg je de ideale ingrediënten om geurende rozen te kweken. Hier worden rozenwater en rozenolie van gemaakt waar we alras een - voor mij ongevraagde - demonstratie van krijgen. In het aanpalende winkeltje kan je uiteraard alles wat naar rozen ruikt kopen. Ik ruik rozen, zij geld. 

Rond drie uur belanden we bij de Todra-kloof en bij het binnenkomen van de nauwe gang eisen de hoge rotswanden mijn aandacht. Een klein bergstroompje en de azuurblauwe lucht contrasteren met de rood- en oranjekleurige rotswanden die nauwelijks breder zijn dan tien meter. Dit spektakel doet me denken aan de Sumidero Canyon in Mexico, maar dan zonder boottochtje. En zonder krokodillen. Wel met gids. Een jonge en erg enthousiaste gelegenheidsgids - eigenlijk is hij student - woont hier zelf en gidst ons door de prachtige palmentuinen van deze kloof. 

Hij vertelt (te) uitgebreid over het leven hier. Over de lengte van de kloof, de vijfendertig dorpen die leven op het ritme van de kloof, hoe water wordt geïrrigeerd, wat er hier allemaal groeit en hoe eigendommen worden gescheiden. Terstond tekent hij een plattegrond op de grond. Iets wat hij daarna wel meer doet en zijn ongebreideld enthousiasme illustreert. Zelf geniet ik meer van het groen van de vele dadelpalmen die hier zijn. Het is geen klassieke wandeling, maar de anderhalf uur door het groen kan op waardering rekenen van mijn longen. Het is een welgekomen rustmoment in deze overland tour door de Marokkaanse woestijn. 

Lokale bewoners werken hier nog op velden en tuinen en dit is dus privébezit. Eigenlijk is het dus een privilege om in deze paradijselijke oase te vertoeven. Zo voel ik me op het einde van de dag ook. Geprivilegieerd. Omdat ik de dag begon met een unieke rondleiding door filmsets. En omdat ik de dag beëindig met een unieke rondleiding door een een oasetuin in de woestijn.    

zondag 28 december 2025

Reisverslag Marokko deel één: dit heb ik eerder gezien

Wanneer een koudefront de Benelux dreigt te verzwelgen in  een front van koude vlucht ik rond de kerstperiode traditiegetrouw naar een warm land. Dit keer Marokko. Een warm land waar het nu echter verrassend koud is. 

Zaterdag 20 december
Het is in België een erg aangename twaalf graden met opvallend weinig regenval en een niet-storende bewolking wanneer ik naar Marokko vertrek. Het dreigende koudefront dat wordt aangekondigd is nu slechts een voorspelling op een computerscherm. Weinig verraadt dat de winter binnenkort zijn opwachting maakt. Ik begin bijna spijt te krijgen van mijn beslissing om op reis te gaan wanneer het weer zo zacht is als nu. De reis naar Marokko voelt niet aan als een behoefte om het winterweer te ontvluchten. Zeker omdat ik al twee maanden geleden net terugkwam van een schitterende reis tussen Beijing en Delhi. Maar kijk, omstandigheden beslissen er anders over en ik maak me dus op voor een weekje reizen door zuidelijk Marokko. 

Ik doe deze reis met Koning Aap en de vlucht naar de relatief korte bestemming van Marrakech wordt uitgevoerd in twee delen: eerst is er de vlucht van Brussel naar Casablanca om vervolgens opnieuw op te stijgen vanuit Casablanca om eindbestemming Marrakech te bereiken. Ik kies voor de gemakkelijkere optie en neem het vliegtuig vanuit Eindhoven naar Marrakech. Een rechtstreekse vlucht: geen gedoe met overstappen, vertraagde aansluitingen of kans op verloren bagage. Murphy en zijn wet vliegen namelijk met de reisgenoten mee en die heeft een verrassing in petto: een vertraagde aansluiting en verloren bagage. Ze arriveren uiteindelijk om vier uur 's nachts in het hotel zonder bagage. Ik ben om zeven uur 's avonds in het hotel met bagage. Soms wordt tegen de stroom inzwemmen beloond. 

Er is dus tijd om Marrakech te verkennen, maar dan wel in de buurt waar het hotel zich bevindt. Dat is de moderne wijk Gueliz dat in de twintigste eeuw werd gebouwd. Art decogebouwen gaan hier hand in hand met lange, rechte lanen en dit is de buurt waar je wil zijn als je op zoek bent naar winkels, cafés en restaurants. Ik ben niet op zoek naar winkels, cafés en restaurants, maar vind ze toch. De broeierige sfeer van de medina en de souks maakt hier plaats voor een westers getinte vorm van rust en gezelligheid. Het gezicht van Marokko dat ik eigenlijk niet wil zien. 

Zondag 21 december
Acht september 2023. Het is een datum die in het Marokkaanse collectieve geheugen staat gegrift. Op die datum vond er namelijk een enorme aardbeving plaats in de buurt van Marrakech. Dit was de zwaarste aardbeving in Marokko van de laatste honderd jaar en eiste een heleboel slachtoffers. Levende en dode. De Saadische graven staan namelijk op de planning van de stadswandeling van vandaag, maar er worden hier volop restauraties uitgevoerd na de aardbeving. Onze gids Khalid raadt af om hier een bezoekje te brengen en in plaats daarvan bezoeken we later op de dag Jardin Sécret, het wat stillere alternatief voor Jardin Majorelle dat onder de voet wordt gelopen door toeristen. 

Onze stadswandeling begint rond kwart over tien waar gids Khalil ons opwacht bij de Koutoubiamoskee. In vlekkeloos Engels vertelt hij ronduit over de moskee, wanneer Marrakech is opgericht en de opvolging van verschillende dynastieën. Enkel moslims mogen de moskee betreden en wij moeten het dus doen met een kijkje op de zevenenzeventig meter hoge minaret. Ook niet mis. Khalil neemt ons mee naar de medina wat eigenlijk een stad is in de stad. De kasbah vormt het kloppend hart van historisch Marrakech en is dus ook de plaats waar de hoogwaardigheidsbekleders zich bevonden. Mellah is de voormalige jodenbuurt die gekenmerkt wordt door rechte straten en balkonnetjes die in de islamitische architectuur ongewenst zijn. De bekendste trekpleisters zijn echter de souks waar in kleine stalletjes en kraampjes van alles en nog wat verkocht. Van specerijen tot schoonmoeders, alles wordt hier verkocht. 

De eerste grote stop van de dag vindt plaats bij het Bahia-paleis. Ah, dat herken ik! Na mijn doortocht door het islamitische Rajasthan twee maanden geleden komt me dit namelijk bekend voor. Ook toen trok ik gelijkenissen met het Alhambra en Khalil bevestigt mijn vermoedens. Dit paleis is namelijk in dezelfde stijl opgetrokken als zijn illustere Spaanse broer. Wel een stuk jonger aangezien dit paleis pas werd voltooid in 1890. De blikvangers van dienst zijn de prachtige binnenhoven die zijn ontworpen volgens de kunst van de islamitische architectuur: mooie arcaden (bogen) worden moeiteloos geïntegreerd met prachtige mozaïek en blauwe muurtegels. De symmetrische pleintjes worden bevolkt met bomen die in deze streek groeien: citrusbomen, dadelpalmen, vijgenbomen en jasmijnbloemen. Het zorgt voor een oase van koelte en stilte in een stad waar het erg warm en rumoerig kan worden. 


De Marokkaanse dwaaltocht in het land van de islamitische architectuur wordt verder gezet in alweer zo'n prachtige locatie: Ben Youssef Madrasa. Een Koranschool waar het gebouw andermaal wordt getypeerd door prachtige mozaïeken en fijn gesneden stucwerk. Het voelt wel erg vertrouwd aan na een aantal uren door te brengen in de medina. Te vertrouwd om nog bewondering uit te spreken over de cederhouten balkons en de ingetogen kamertjes vol sereniteit op de eerste verdieping. Net zoals alcohol moet je ook van islamitische architectuur genieten met mate. Het is wel een fotogenieke plaats en dat wordt dus volop gedaan tijdens deze stadswandeling. Te veel zelfs, want de voorziene drie uur dreigen uit te lopen naar vijf uur. 

We nemen afscheid van onze gids en onder leiding van reisbegeleider Nancy gaat het naar Jardin Sécret. De niet zo geheime tuin in Marrakech. Dit is een stadstuin die eigenlijk bestaat uit twee kleinere tuinen: een wereldtuin en een Arabische tuin. Het is best klein, kent een ingenieus waterbevoorradingssysteem maar ik vind het eigenlijk niet zo imponerend. Een drietal weken geleden was ik in de botanische tuin in Valencia dat ik stiekem mooier acht. Toch is deze plek ideaal om even uit te rusten na de nochtans niet zo hectische passage door de souks. Een beetje rust is altijd welkom en dat doe ik hier met een koffie onder het genot van een stralende zon die zeventien graden op de thermometer tovert. Vijftien graden warmer dan de koude die België inmiddels heeft ingepalmd.    

In de avondzon mijmer ik nog na over deze dag. Marrakech is een mooie stad, maar het voelt toch wel erg bekend aan. Is het een overdaad aan islamitische steden of hunker ik naar meer natuur? Ik kan het gevoel niet onmiddellijk plaatsen, maar ik weet wel één ding: ik heb Marrakech nu wel gezien.