donderdag 10 september 2026

Reisverslag Canada deel zes: Opzij, ik doe het vandaag liever traag

Zaterdag 22 augustus
Klaarblijkelijk ben ik legendarisch. Twee jaar geleden ben ik op weinig gracieuze wijze in een gletsjermeer getuimeld bij een kajaktocht in Noorwegen met een reis van Beyond Borders. Sindsdien leef ik als fikse waarschuwing dat men voorzichtig moet zijn bij het navigeren met een tweepersoonskajak. Dat is niet onmiddellijk de wijze waarop ik herinnerd wil worden, maar om Oscar Wilde te citeren: “The only thing worse than being talked about is not being talked about”. Dat belet me er niet van om nu een nieuwe poging te ondernemen. Net als bij het mountainbiken doe ik dat als einzelgänger van de groep. Een Duitse vader treedt op als mijn gelegenheidsstuurman aangezien ik hem naar de achterste positie dirigeer. De plaats waar de pedalen staan om het roer te bedienen, een taak die ik zelf niet zie zitten.

Een Belgische schone is vrij verrassend mijn gids voor deze ochtend. Ze komt graag naar Canada en kajakt nog liever. Ik ben in goede handen dus, want kajakken op zee is toch voor stoere bonken. Het ontembare water van de zee, de harde wind die van geen ophouden weet en metershoge golven die enkel met de allerbeste precisie bedwongen kunnen worden. Dat is het beeld dat ik heb over zeekajakken, maar het plaatje bij Clayoquot Sound ziet er in realiteit wel totaal anders uit. Het water bij de oevers is opvallend ondiep, de enige golfjes zijn afkomstig van watervliegtuigen die opstijgen en het is windstil deze ochtend. Mijn kajaktocht op het Noorse gletsjermeer met de bijna onuitspreeklijke naam Styggevatnet was moeilijker en zwaarder dan deze tocht.

Het begin verloopt wat aarzelend, maar na tien minuten gaan de drie kajaks al vlot langs de verscheidene eilandjes die hier liggen. Het beeld van een kleine kajak op een kalme zee omringd door natuur en wilde kustlijnen schreeuwt ontsnapping aan de drukte uit. Die sereniteit klopt grotendeels. Totdat een watervliegtuig met een hels kabaal vertrekt en je geconfronteerd wordt met de golven die deze toestellen achterlaten. Maar toegegeven, dat gebeurt slechts sporadisch. Het is toch de rust die ik associeer bij deze kajaktocht. Al peddelend van eiland naar eiland varen, speuren naar de zeesterren die zich bevinden bij het zelfuitgeroepen Starfish Channel en de oorverdovende stilte proeven wanneer ik me midden op zee bevind. En af en toe zwoegen omdat mijn Duitse bootgenoot meer aandacht heeft voor het maken van foto’s dan peddelen in de kajak. Het is een prijs die ik wil betalen om niet aan het roer te staan. Letterlijk en figuurlijk.

Na anderhalf uur kajakken, zetten we terug voet aan wal bij Meares Island. Het eiland staat bekend om het oudgroeiwoud dat hier sinds het begin der tijden staat. De Belgische gids is een vat vol kennis en vertelt honderduit over deze plek. Hoe oud rode cederbomen kunnen worden, waarom ze een kribbe van leven worden genoemd, wie de Tla-o-qui-aht zijn en zelfs welke rituelen hier er op middernacht bij een volle maan worden uitgevoerd (tip: het heeft iets te maken met naakt rond een boom dansen). Na Elk Falls en Cathedral Grove heb ik wel voldoende gematigd regenwoud gezien, maar met deze informatie kijk ik toch met een ander perspectief naar deze locatie.

De wandeling over het plankenpad dat er schots en scheef bijligt, duurt ongeveer één uur. Vervolgens duurt het opnieuw één uur om terug naar de startplaats te varen. We hanteren nu een andere route. Bij de eilandjes is het water echt wel ondiep. Ik kom bijna vast te zitten, hoewel ik toch tientallen meters verwijderd ben van een eiland. Ook het vele kelp dat op het water drijft, bezorgt me kopbrekens. Bij elke peddelslag heb ik wel een deel van deze groene en bruine smurrie mee. In de verte denken we een zeeotter te zien. We varen ernaartoe, maar het blijkt vals alarm te zijn. We ontdekken op deze plek per toeval wel een zeehond die door het water zwemt. Het onverwachte omarmen, dat is waarvoor deze kajaktocht staat bij mij.

De andere reisgenoten verkiezen een lange excursie naar warmwaterbronnen die nog tot de avond duurt. Ik heb dus met andere woorden nog de hele namiddag om mijn eigen ding te doen. Het plaatsje Tofino heeft niet veel te bieden en na een koffie speur ik op mijn telefoon naar een wandeling die ik hier kan doen. Het wordt een luswandeling die gebaseerd is op de Tonquin Trail. Deze trail verkent de capricieuze kustlijn van Pacific Rim NP, maar ik begin bij regenwoud dat zich bevindt in het binnenland. Het is te zeggen, een bos dat zich op anderhalve kilometer van de kust bevindt. Hier vallen de vele grindwegen op die in een wirwar van paden een labyrint vormen. Gevelde bomen verraden dat hier aan houtkap wordt gedaan. Informatieborden verkondigen dan weer dat de natuur hier beschermd wordt. Acties spreken echter luider dan woorden, dus ik heb moeite om dit te geloven.

Het is markant hoe rustig het hier is, terwijl Tofino toch een toeristische bestemming is. Die rust verdwijnt even later als sneeuw voor de zon wanneer ik een drukke autoweg volg die me terug naar de camping leidt waar we verblijven. Het is hier dat de echte wandeling begint. Ik voel het witte strandzand aan mijn tenen, stap in hoogtij door de getijdenpoelen met mijn waterschoenen en klim via rotsige paadjes langs het kustregenwoud dat deze wandeling pittiger maakt dan de doorsnee kustwandeling. Het is een mooie opwarmer voor de West Coast Trail die ik volgend jaar wil doen. Plankenpaden maken het leven gemakkelijker en overbruggen de moeilijkste punten. Regelmatig stop ik om een foto te maken: van de dramatische rotsen, de mooie vergezichten of de drukte op het strand. Met een lengte van acht kilometer en een duurtijd van anderhalf uur is deze wandeling niet lang, maar smaakt het wel naar meer. Nu is dit slechts een proevertje.

Zondag 23 augustus
Deze reis van Beyond Borders wordt gekenmerkt door een stevig portie natuur, maar als cultuurliefhebber wil ik ook mijn dorst lessen met een stevige scheut cultuur. Ik wil graag wat meer te weten komen over de First Nations-volkeren die hier wonen, hoe de kolonisatie van Canada tot stand kwam, de verre geschiedenis van het land en toch ook wel de architectuur van de steden. Mijn reisgids prijst Victoria aan als een stad waar je best even de tijd voor neemt om ze te ontdekken. En laat tijd net iets zijn wat ik vandaag niet heb. De autorit van Tofino naar Victoria duurt namelijk langer dan verwacht. 

De laatste natuurwandeling van deze reis wordt gemaakt bij Ucluelet waar de Lighthouse Trail ons opnieuw langs regenwoud brengt. Het is opnieuw een aangename moeting met het Canadese regenwoud dat ik ondertussen al ken en bemin. De kronkelende takken van rode cederbomen die in elkaar vervlochten zijn, de intieme inhammen van de ruige kustlijn, het kelp dat het strand besmeurt met zijn alomtegenwoordige aanwezigheid en minuscule zeediertjes die zich ophouden in getijdenpoelen. Het karakter van deze wandeling is net iets anders dan de vorige hikes op Vancouver Island. Minder groots, meer maritiem. De woudreuzen blijven spectaculair. Boomstammen met een diameter van twee meter en een kruim vijftig meter boven mijn hoofd blijft een spectaculair beeld. Maar de aandacht verschuift. Naar de vergezichten over het water. Naar de kustlijn en het strand. Naar de rotsige eilandjes die deze plek haar wilde haren geven. En ook naar de witte vuurtoren die er als een wit-rood misbaksel ietwat mistroostig bijstaat bij deze natuurbeleving. 

Zoals altijd wil ik uitgebreid de tijd nemen om verwonderd naar deze plek te kijken. Dat ziet er niet in. De groep wil vooruit. In mijn hoofd hoor ik:

Opzij opzij opzij
Maak plaats maak plaats maak plaats
Wij hebben ongelofelijke haast

Het liedje van Herman Van Veen speelt door mijn gedachten wanneer ik stop bij een mooi uitkijkpunt en de rest alweer vertrekt. Niet dat ik er rekening mee houd. Ik weet waar we geparkeerd zijn met de auto's en ik heb het kaartje van de route. Ik ga niet opzij, ik maak geen plaats en ik heb geen ongelofelijke haast. Ik doe het rustig aan en wandel op mijn eigen tempo. Even later is de onthaasting ook bij de reisgenoten ingezet en kijken ze vol belangstelling naar de wonderbaarlijke rotsen en getijdenpoelen op een doodlopend strand. We zijn niet naar Canada gekomen om gejaagd door tropisch regenwoud te stormen. Het is een idee waar nu iedereen in kan berusten. 

Bij Sproat Lake houden we een pauze en worden de tenten voor een laatste keer nog eens uitgeworpen. De Canadese zomerzon geeft verstek, maar ook met een fikse bewolking kunnen de natte tenten drogen. De volgende kampeerders zullen ons dankbaar zijn. Richting Victoria is het opnieuw even improviseren met het opzoeken van interessante bezienswaardigheden. De keuze is gevallen op Kinsol Trestle waar een enorme houten spoorwegbrug een relikwie is van decennia geleden. Het stond toen symbool voor de bloei van een opkomende natie. Nu is het een aandenken aan het turbulente verleden van Canada waarbij de houten brug zelfs dreigde gesloopt te worden. In 2011 werd deze enorme houten constructie echter gerenoveerd en gered van de sloophamer. Het ziet er leuk uit, de overspanning van de Koksilah River-vallei is imposant, maar het kan me niet echt bekoren. Ik wil naar Victoria voor mijn cultuurbad. Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb een ongelofelijke haast!   

Ik heb dat wel, maar de bestuurders van de auto's in de files hebben dat veel minder. Files dus. Na bijna drie weken in Canada te bivakkeren, ben ik bijna vergeten dat die ondingen ook nog bestaan. Bij de steden is het telkens raak. Bij elk verkeerslicht is het aanschuiven. Het zijn er een aantal, maar in mijn verbeelding zie ik een tienvoud. De lange uren in de auto beginnen door te wegen. De laatste dagen hebben we veel in de auto gezeten. Te veel naar mijn zin. En daar is deze autorit de anti-climax van. Maar traag lukt ook en uiteindelijk bereiken we ons hotel rond de klok van vijf uur 's avonds.   

Even de tijd nemen om Victoria te verkennen zit er vandaag niet meer in. Morgen ook niet. We vertrekken dan om elf uur 's ochtends zodat we zeker op tijd zijn voor de ferry naar Vancouver. Mijn cultuurbad wordt eerder een flitsdouche. Deze avond wordt opgeofferd aan het diner en een pubbezoek. Dat is ook cultuur :-)     

Maandag 24 augustus
Mooi weer vandaag
Ik doe alles vandaag liever traag

Waar gisteren Herman Van Veen door mijn frontale cortex galmt, is dat nu Bart Kaëll. Het is mooi weer en dat spoort het reisgezelschap - dat er duidelijk één is van uitersten - aan tot traagheid. Een mooie eigenschap wanneer je bijvoorbeeld de laatste natuurwandeling van de reis doet, een minder mooie eigenschap wanneer je om elf uur 's ochtends alweer moet vertrekken. Dat betekent dat ik dik drie uur heb om Victoria te verkennen en om de efficiëntie te benutten, doe ik dat op mijn eentje. Door het beperkte tijdsbestek wordt het vooral een sightseeing tour met een klein bezoekje aan het parlement van British Columbia. Mijn mini-citytrip begint bij de haven waar het om elf uur 's ochtends ongetwijfeld erg gezellig is, maar rond acht uur was het er vrij doods. 

Het geeft me wel de tijd om ongestoord door het centrum van Victoria te dwalen en de Britse architectuur te aanschouwen. Hoewel Victoria Canadees is, gaat deze stad er prat op dat het meer Brits is dan de Britse steden. Laat me zeggen dat Victoria vooral heel erg Victoriaans is dan dat het Brits is. Het belichaamt voornamelijk de Victoriaanse architectuur die in de negentiende eeuw tijdens de regeerperiode van koningin Victoria populair was. Bakstenen gevels met sierlijke ornamenten, asymmetrische daken en de lage schaal van gebouwen. De stad is dus niet onmiddellijk een weerspiegeling van de gehele Britse architectuur, eerder een reflectie van een bepaalde periode. Maar wat er staat, is bijzonder mooi met het Fairmont Empress Hotel als één van de grootste blikvangers. 

Het meest bijzondere aan de stad is echter typisch Canadees. In de kleine binnenhaven vind je namelijk een heuse luchthaven waar watervliegtuigen landen en stijgen. Het is tamelijk bizar om zoiets te zien in een tamelijk grote stad. Het hoogtepunt van deze ochtend is het bezoek aan het parlement van Brits Columbia. Victoria is namelijk de hoofdstad van deze provincie en heeft dus ook een apart parlement. Het gebouw zelf houdt het midden tussen imposant en potsierlijk. Om negen uur begint er een rondleiding, maar ik bezoek het parlement op eigen houtje. Time management is vandaag strak. Iktrek een beetje tijd uit om de verscheidene artefacten van de First Nations te bezichtigen. Het biedt een vlugge introductie tot de leefwereld van de oorspronkelijke bewoners van dit stukje van de wereld. 

Het gebouw zelf is echter de grote hoofdrolspeler in dit verhaal. De grote koepel, een oculus (ronde opening) dat mijn blik leidt tot de volgende verdieping waar magnifieke muurschilderingen de ruimte vullen, de statige glas-in-loodramen en het opulente parlement zelf. Kosten noch moeite zijn gespaard om dit het meest indrukwekkende gebouw van heel British Columbia te maken. En dat is goed gelukt! Drie kwartier dwaal ik door het gebouw. Verbaasd over de architectuur, benieuwd naar hoe de First Nations leefden. De rondleiding van negen uur is al een tijdje geleden begonnen en af en toe sta ik te luistervinken. De gids brengt haar verhaal met een belerende toon. Ik ben blij dat ik toch mijn eigen tempo kan aanhouden, ook al is de informatiedichtheid niet zo groot als bij een gegidst bezoek. 

Uitrusten doe ik vervolgens bij Beacon Hill Park, een park van maar liefst 74 hectaren groot. Net zoals de rest van het centrum is ook dit park gebouwd in een Victoriaanse stijl. De fantastisch aangelegde tuinen en vijvers bieden een beetje verkoeling op deze dag die toch aardig warm begint te worden. Kriskras loop ik door de paadjes die naadloos in elkaar overgaan. Er is niet echt één blikvanger in Beacon Hill Park, het park zelf is de blikvanger. Langzaam loop ik rond tien uur terug richting het hotel. Ik verken de binnenhaven op het gemak en ik drink er een koffie. Niet zo Brits dus. 

De overzettocht naar Vancouver mag absoluut niet gemist worden en dat houdt in dat we ruim één uur op voorhand aanwezig zijn bij de ferry. De tocht zelf is een tikkeltje minder geweldig dan de eerste keer. De eerste keer had ik het gevoel dat ik in Nieuw-Zeeland was, dit voelt toch een beetje meer industrieel aan. Minder natuur, meer stad. Uiteraard blijf ik overweldigd door de natuur hier, maar het voelt inmiddels wel vertrouwd aan. De gewenning die optreedt na bijna drie weken in Canada te vertoeven. Files wennen echter nooit en in Vancouver steken die meer dan ooit de kop op. Het zijn de laatste loodjes. Wanneer we ons hostel bereiken, mogen we de twee Chrysler Pacifica's uitzwaaien. Ik zal ze niet missen.  

In Downtown Vancouver zitten we in het kloppend hart van de stad. Gemakkelijk als je iets wil eten of drinken, maar veel bezienswaardigheden zijn hier niet. Dan wordt het maar een strandbezoek aan het Sunset Beach met een (niet zo) fris pintje. Met een klein groepje zitten we op een boomstronk, nippen aan een blikje bier en speuren we de omgeving af. We kijken naar het Sint-Anneke-achtige strand dat paalt aan de grote, industriële schepen die hier voor anker liggen. Naar de sportievelingen die met dit warme weer aan het hardlopen zijn in het park. Naar de durfals die onversaagd door het koude zeewater zwemmen. En ook naar het bord dat zegt "Drinking alcohol is not permitted at this beach". Mijn blikje bier is ondertussen al op.     

donderdag 3 september 2026

Reisverslag Canada deel vijf: tussen pieken en walvissen

 Woensdag 19 augustus
Zijde gij nu helemaal zot geworden?”, de reactie van een goede vriend spreekt boekdelen wanneer ik vertel dat ik ga mountainbiken in Whistler. En inderdaad, volgens mij is er toch een zekere staat van zinsverbijstering nodig om met een mountainbike een gondel op te stappen en vervolgens 1500 meter als een speer te dalen over een technisch veeleisend parcours. Logan is mijn begeleider vandaag en hij weet me gerust te stellen. Mijn tochtje gaat over de geaccidenteerde paden in het bos waar ik gisteravond nog heb gegeten aan een meertje, Lost Lake. Dus niet op de Blackcomb-piek waar ik initieel voor vreesde. Als occasioneel mountainbiker is dat voor mij voorlopig te hoog gegrepen.

Het wordt een privétour, want ik ben de enige van het hele reisgezelschap die wil mountainbiken. Dat stelt me wat gerust, want het is alweer twee jaar geleden dat ik nog op een mountainbike heb gezeten. Ook wanneer ik op reis was uiteraard. Logan legt alles haarfijn uit wat ik moet doen. Volg de ideale lijn die ik wil volgen met mijn ogen. Check. Laat de hydraulische zadelpen zakken wanneer die boven staat en ik wil dalen met mijn mountainbike. Check. Houd met één vinger aan beide handen de remmen vast. Check. Bedien de versnellingen wanneer ik het tempo wil verhogen of verlagen. Check. Ga op de trappers staan bij het afdalen. Check. Steek de ellenbogen naar buiten bij het nemen van bochten. Check. En doe dit allemaal tegelijkertijd in een fractie van een seconde bij het rijden zelf. Euh, geen check?

Ik start met de zogenaamde groene trails. Grindwegen die relatief breed zijn en in moeilijkheid enkel opvallen door hun stijging of daling. Na het leren van de beginselen is dit relatief eenvoudig. Logan vraagt of ik een blauwe trail wil doen. Natuurlijk! Mijn groeiende zelfvertrouwen krijgt tijdelijk een deuk wanneer ik een andere mountainbiker op de grond zie liggen. Hij maakt onzacht kennis met de grond bij het begin van een blauwe trail na een foute interventie. Enigszins zenuwachtig begin ik aan de singletrack. Boomwortels, stenen, een bocht in een halve kom en bruggetjes worden met mate geserveerd. Ik doorsta het moeiteloos. Dat ging wel lekker en ik snak naar meer technische paden.

Dat is geen probleem, want dit pad was het gemakkelijkste blauwe pad dat Whistler in de aanbieding heeft. De volgende afdalingen vereisen meer techniek. De bochten volgen elkaar sneller op, rijvaardigheid wordt belangrijker en het tempo wordt door Logan opgedreven. Ik volg zijn bewegingen op de voet – figuurlijk dan toch – en werk me in het zweet. We doen het even rustiger aan en via enkele grotere wegen rijden we naar Green Lake. Dit gletsjermeer in Whistler heeft – je raadt het nooit – een groene kleur en doet dienst als kleine luchthaven voor watervliegtuigen die hier opstijgen en dalen. Een granolareep en een extra fles water moet me energie geven tot de middag. Dat zal ik goed kunnen gebruiken, want het laatste uur is behoorlijk zwaar.

In plaats van afdalen, mag ik nu klimmen op de singletracks en dat is toch wel een ander paar mouwen dan dalen. Het vergt een stuk meer energie, maar is vooral technischer. Eerst is er de heilige drievuldigheid van de B: bocht, boomwortel en brug die elkaar in amper een paar seconden opvolgen. Daarna is de route bezaaid met stenen. Ergens tussen het frunniken met de hydraulische zadelpen en het nemen van een bocht gaat het mis. Ik moet afstappen. Daarna nog een keer en nog een keer. Het klimwerk is beduidend moeilijker dan dalen. Met mijn huidige rijvaardigheden stuit ik hier op mijn limiet. Dit zijn de moeilijkere paden van de blauwe trails. Dat is voor mij al meer dan waarop ik had gehoopt.

Het serene karakter van het crosscountryritje op de Lost Lake trails maant me aan tot innerlijke rust. Dit staat in schril contrast met de uitgelatenheid van de rest van de groep wanneer ik hen ontmoet om in de namiddag de wandeling naar de Stawamus Chief te doen. Dit is een bijzonder steile klim naar een uitkijkpunt over het adembenemende Howe Sound. Op Komoot heb ik gezien dat de route van het niveau T2 en T3 is, synoniem voor “knap lastig” en “het kan nog altijd lastiger”. Ik begin aan het einde van de rij en laat iedereen vrolijk passeren. Nu heb ik even geen behoefte aan decibels. Even later gaan die decibels automatisch liggen. Iedereen is druk in de weer met het overwinnen van steile trappen, rotsblokken, geërodeerde paadjes en hoogtemeters in het algemeen. Ook ik. Na een half uurtje kan ik mijn T-shirt uitwringen van al het zweet dat dit stukje textiel heeft vergaard.

Inmiddels volg ik reisgenote Gaëlle die vraagt of we bij een splitsing rechtdoor of rechts moeten gaan. Rechts gaat naar de derde piek, rechtdoor de eerste. Op Komoot volg ik het traject van de eerste piek. De verkeerde. Terwijl iedereen zichzelf naar de derde piek hijst, piloteer ik mezelf naar de eerste piek. Op het einde neemt de uitdaging toe met een open sectie van granieten rotsen. Eigenlijk moet ik met kettingen naar boven, maar dat behoud ik voor de afdaling. Ik neem een geïmproviseerd pad over de granieten rotsformaties en de laatste zweetparels worden bekroond met een pittoresk 360-gradenvergezicht over het stadje Squamish en de Howe Sound. Het grauwgrijze weer werkt echter niet mee. Foto’s zijn eerder dramatisch dan beeldschoon. Ach, ik heb toch altijd een voorkeur gehad voor ruw en rauw.

Ondertussen stromen de berichten op WhatsApp binnen. De groep is in verscheidene delen gesplitst en lukraak naar de pieken geklommen. Er zijn nu mensen op piek één, twee én drie. Voor mij is het wel genoeg geweest. Na een inspannende mountainbiketocht heb ik geen fut meer om nog bijkomende pieken te doen. Bovendien heeft de eerste piek toch het mooiste uitzicht. De klim duurde ruim één uur, maar ook de daling duurt bijna zo lang. Door de vele stenen en rotsen verloopt die tamelijk moeizaam. Bovendien moet ik ook opletten in welke richting ik ga. Door de bomen het bos niet meer zien. Of in dit geval rotsen. Met wat uitzoekingswerk lukt het me toch om zonder al te veel problemen terug naar beneden te wandelen. Moe sta ik om vijf uur ’s avonds op de parking. Nat in het zweet moet ik nog een uurtje op de rest wachten. Mijn verjaardagscadeau voor vandaag.

Donderdag 20 augustus
De laatste week van deze reis staat in het teken van Vancouver Island. Je weet wel, het eiland waarop geen Vancouver te vinden is. Wel te vinden: majestueuze cederbomen in gematigd tropisch regenwoud. Dat houdt in dat we meer moeten pendelen, een euvel waarmee ik in de laatste week wel vaker geconfronteerd zal worden. Om elf uur moeten we bij Horseshoe Bay zijn om met de ferry de oversteek te maken naar Nanaimo. Nog voor tien uur staan we al op de ferry te wachten. De inkopen kosten veel minder tijd dan gepland. Waar het eerste winkelbezoek nog een uur duurde, is dat nu slechts tien minuten. Efficiëntie heet dat. We verliezen meer tijd met het bedrijfsfilmpje dat in de plaatselijke Walmart van Squamish wordt opgenomen dan met de boodschappen zelf.

Vol ongeduld wachten we op de ferry. Niet dat de oversteek zo spannend is, maar we willen dieren spotten. Orka’s en walvissen in plaats van beren. We zitten niet op de goede plaats, want in de Strait of Georgia komen die slechts op specifieke plaatsen voor. En dat is niet op de drukst bevaarde route van deze zee-engte. Ik heb niet zo’n grote behoefte aan het spotten van deze dieren. In Antarctica heb ik bultruggen bijna op armlengte gezien. Toch kan ik mijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken en kijk ik reikhalzend naar met een ontmoeting met deze zwemmende zoogdieren. Het zal echter voor morgen zijn, want tijdens onze tocht zien we geen walvissen. Er ontplooit zich wel een subliem kustlandschap voor mijn ogen.

In de verte zie ik Vancouver liggen, maar dat behoud ik voor het einde van de reis. Nu concentreer ik me op kustlijn die bevolkt wordt door steile, beboste hellingen en hoge bergen. Howe Sound is nog verrassend groen, maar gaandeweg kent de route een meer open karakter wanneer we midden in de Strait of Georgia varen. Op het bovenste dek heb ik het beste zicht en sta ik enthousiast bij de railing. De snijdende wind giert langs mijn lichaam en de koude overtuigt me om plaats te nemen op een stoeltje. Even bekomen van de koude. Zelfs op een weinig aantrekkelijke kruk werkt deze overzettocht therapeutisch. De zee heeft een rustgevend effect op mijn gemoed. De spelende kinderen die mijn persoonlijke ruimte bezetten wat minder.

In Nanaimo verlaten we de ferry en rijden we verder naar onze kampeerplaats bij Elk Falls Campground. Een camping waar het motto “back to basics” is. Er is namelijk geen stromend water. De slogan zou ook “knus bij elkaar” kunnen zijn. Ik word namelijk aangesproken door een ranger van Parks Canada. Het blijkt een Luxemburger te zijn. Hij gebiedt ons om twee tenten op te zetten in de daarvoor voorziene grindbak. Het is twee zakdoeken groot. Met frisse tegenzin komen we aan zijn eisen tegemoet. We willen namelijk nog naar Elk Falls Provincial Park.

Ondertussen ben ik de tel kwijt hoeveel watervallen we bezocht hebben. De echte aantrekkelijkheid bestaat uit de bomen. Torenhoge, statige bomen die van dit bos een rijk der giganten maken. Ik ben al eerder in gematigd regenwoud geweest, maar nog nooit heb ik het zo overweldigend ervaren als hier. Rode cederbomen zijn de blikvangers in dit landschap, maar ook sparren zoals de douglasspar en sitkaspar kleuren deze omgeving. Tussen deze bomen groeien verschillende varens die het bos een prehistorisch karakter geven. Het voelt alsof ik een reis door de tijd maak en op de aarde van een half miljoen jaar geleden ben beland. Het reisgezelschap dat al twee weken slentert door bossen en meren heeft het gaspedaal ontdekt en neemt nauwelijks tijd om ergens te stoppen. Dat houdt me dan weer een spiegel voor: dit is een reis, geen vakantie.

Vrijdag 21 augustus
Deze ochtend blijkt opnieuw hoe afwisselend deze reis in werkelijkheid is. Een marinesafari staat op het programma. Op zoek naar bultruggen, orka’s, zeeleeuwen, zeehonden, zeeotters en een heel scala aan vogels. Maar safari’s zijn zoals beleggingen: resultaten zijn niet gegarandeerd. Campbell River is nochtans wel een goede plek om deze tocht in een zodiac – een rubberen boot met buitenmotor – te doen. Het wemelt hier van het zeeleven en het zou wel vreemd moeten lopen als we geen dieren tegenkomen. Na twee minuten hebben we meteen prijs: een Amerikaanse zeearend rust uit op een houten paaltje. Een leuke opwarmer, maar voor de echt grote dieren moeten we naar de open zee.

De bestuurster van de zodiac treedt ook op als gids. Ze kent deze wateren als haar duimpje en weet waar de walvissen zich rond deze periode ophouden. In volle vaart vliegt de rubberen boot over het water en na twintig minuten wordt de motor uitgezet. Hier dobberen we dan... Ik kijk naar links. Niks te zien. Ik kijk naar rechts. Ook niks te zien. Ik laat het spotten over aan de anderen. Gemakkelijker en ze zijn er beter in. Na vijf minuten duikt de eerste bultrug op. En daarna nog één en nog één en nog één... Het zijn negen exemplaren. We houden een respectabele afstand, maar in hun drang om hun honger te stillen, komen de bultruggen zelf dichter naar ons. We zien de wasem uit de spuitgaten komen, de kop en de staart. Fonkelende ogen verraden dat dit voor veel mensen een droom is die waarheid wordt.

De oehs en de ahs vliegen in het rond, maar een half uur hetzelfde lied zingen doet zelfs de meest enthousiaste zanger de adem verstokken. We verzinnen een nieuw lied: op zoek naar orka’s. Het gaspedaal wordt opnieuw ingeduwd en we varen naar een totaal ander gebied in de Strait of Georgia. Het duurt niet lang wanneer onze investering in tijd wordt terugbetaald. De eerste orka’s duiken in ons blikveld op. De typische rugvin en zwart-witte markering op de buik maken het overduidelijk dat dit orka’s zijn. Deze soort, de Southern Resident-orka’s, verslindt geen zeehonden. Hun dieet bestaat voornamelijk uit vis en meer bepaald chinookzalm die hier weelderig tiert. Of tierde, want ook in deze wateren komt het visbestand onder druk te staan door overbevissing.

Op de terugweg komen we nog enkele andere dieren tegen. Op een rode boei luieren een aantal zeeleeuwen die geen oog hebben voor de boten en mensen die hen spotten. In een tragikomisch moment hebben ze meer oog voor een soortgenoot die op de boei wil springen om een plaatsje te bemachtigen. Er is echter geen plaats meer en na enkele halfslachtige pogingen moet de zeeleeuw haar poging staken. In het water zien we nog het schattige hoofdje van een zeehond die nauwelijks opvalt in het grijze water. Ook veel watervogels zweven boven ons hoofd wanneer we terugkeren naar de haven. We hebben deze ochtend geluk gehad. Het gebeurt niet vaak dat men bultruggen én orka’s op één dag te zien krijgt. Deze ochtend is dus een goede belegging.

In de namiddag is het alweer een heel stuk rijden richting Tofino, maar twee stops luisteren deze kleine roadtrip op: Coombs en Cathedral Grove. Coombs ervaar ik als een verspilling van tijd. Het is een kruising van een toeristische markt en een soort kinderboerderij waar geiten op een met gras begroeid dak van een winkel staan. Dus leuk om publiek aan te trekken, maar het doel van deze plaats is geld om uit toeristische zakken te kloppen. Bij mij lukt dit enkel voor de cappuccino die meer room dan koffie is. Ik snuister in enkele boekenwinkeltjes om de tijd te doden, maar het is duidelijk dat deze stop een noodgreep is om onderweg toch iets interessants aan te bieden.

Over de tweede stop ben ik wel dolenthousiast. Cathedral Grove is een oerbos dat bestaat uit bijzonder hoge cederbomen en douglassparren die eeuwenoud zijn. Dit is de overtreffende trap van Elk Falls gisteren, want zowel de bomen, varens als omgeving zijn hier net dat tikkeltje –er: groter, hoger, dikker en toch ook wel mooier. Over deze plek heerst een oerkracht die Cathedral Grove een onaantastbaar karakter geeft. Het is alsof dit bos altijd heeft bestaan en altijd zal bestaan. Het type locatie waar je je als mens nietig voelt.

Het bos wordt getweeëndeeld door een autoweg die pal door het midden loopt. Aan de ene kant bevindt zich het oude bos en aan de andere kant het nieuwere bos. Dit nieuwe bos is nog steeds behoorlijk oud, maar kent niet de grootsheid van zijn oudere broer aan de overkant van de weg. Waar het oude bos bewondering oproept, voelt het nieuwe bos meer aan als een wandelbeleving tussen de bomen. Een uitstekend plankenpad helpt hier bij. Ik heb nu wat meer aandacht voor de vele informatieborden die hier staan en meer vertellen over deze plek. Over de bomen, de dieren die er leven en de mensen van de First Nations die hier woonden. Kortom, waarom deze plaats eigenlijk een natuurlijk kathedraal is. Ik begin langzaam te beseffen hoe sterk Canada kan verschillen op relatief korte afstand.

dinsdag 1 september 2026

Reisverslag Canada deel vier: beren naast de weg

Zondag 16 augustus
Het hooggebergte is dus definitief uitgewuifd en maakt nu plaats voor een vulkanisch landschap waar spectaculaire watervallen onze hoofdmaaltijd vormen. Oude lavastromen en door de eeuwen uitgesleten rivierkloven bepalen hier het landschap. De talrijke watervallen zijn daarvan de meest spectaculaire erfenis. Deze attracties van Moeder Natuur zijn wat minder toegankelijk. Je moet er eerst een (kleine) wandeling voor doen om deze oerkracht in werking te zien. De start van de dag is meteen klein, maar wel bijzonder fijn: de Moul Falls. Eéntje waar je achter het water kan lopen.

De wandeling ernaartoe is zo’n 2,5 km lang en eerder gemakkelijk. Tenminste, totdat je in de buurt van deze watermassa komt. Dan gaat het plots over benenbrekende trappen en rotsen steil naar beneden. Dat zorgt er wel voor dat niet al te veel toeristen beneden staan, zeker niet om negen uur ’s ochtends. Dat geeft me de kans om als enige achter het neervallende water te staan en dat is een eigenaardig gevoel. Door de waas van het water kijk ik door de waterval in de prachtige kloof. Op een dag waarin superlatieven worden gebruikt om aan te duiden hoe krachtig en groots watervallen zijn, is dit minimalistische gevoel misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende. Grote en krachtige watervallen heb ik al op veel plekken gezien. Maar een exemplaar waar je doorkijkt? Enkel nog in IJsland. De boswandeling naar deze plaats en terug maakt de ervaring nét dat tikkeltje mooier. Alsof je een verborgen parel ontdekt die niet voor iedereen is weggelegd. Bij het teruggaan wordt dit beeld rechtgezet. Tientallen toeristen zakken af naar deze plaats. Toch is Wells Grey heel wat rustiger dan de Rocky Mountains en is het op dat gebied een verademing qua drukte.

Niet elke waterval is ontzagwekkend door zijn waterkracht. De smalle Spahats Falls denderen tachtig meter naar beneden, maar hier is het vooral de prachtige kloof die de aandacht steelt. In een omgeving die groen kleurt door de talrijke dennenbomen loopt de met water gevulde kloof als een blauwe levensader door het terrein. Mijn aandacht verschuift van het watergordijn naar het totaalplaatje: de diepte van de kloof, de lange bijna rechte lijn die de Spahats Creek heeft uitgesleten in het landschap en het panorama zelf.

Na een middagpauze bij Dutch Lake Beach gaat onze tocht onverminderd voort. Helmcken Falls is het derde exemplaar van de dag en die belichaamt als geen ander de superlatieven met cijfertjes. Met zijn 141 meter hoogteverschil is het één van de grootste waterspektakels van Canada. Ook verrassend breed trouwens: vijftien tot drieëntwintig meter. Van het uitkijkpunt waar wij staan, is dat nauwelijks waarneembaar. Reisgenoten kijken verbaasd op wanneer ik dit vertel (uiteraard wel eerst zelf opgezocht 😊). De komvormige kloof fascineert me minder dan de canyon bij Spahats Falls. Al dat natuurgeweld eist slachtoffers.

De vreemdste beslissing van de dag is om ’s avonds naar Clearwater Lake te rijden, een aantrekkelijk wildernismeer. Het ligt echter behoorlijk afgelegen en de enige weg er naartoe is over een hobbelige zandweg die bezaaid is met putten. De bestuurders van de twee auto’s beschikken over stalen zenuwen om over dit excuus van een weg te rijden terwijl 4x4’s ons in volle vaart voorbij snellen. De omgeving is uiteraard een lust voor het oog en bovendien erg verlaten. Maar moeten we hier nu echt twee uur voor rijden? Het is een vraag die ik liever niet beantwoord. Ook omdat we tamelijk laat over deze twijfelachtige weg moeten terugrijden.

Aan het einde van de avond is er nog net voldoende tijd om de Dawson Falls te bezichtigen, een minivariant van de Niagara Falls. Slechts twintig meter hoog, maar wel negentig meter breed. De vierde waterval van de dag voelt eerder aan als het afvinken van een item op een boodschappenlijstje. Zo, die hebben we ook weer gehad! De kleinste cijfers leveren vandaag uiteindelijk de meest intieme en charmante waterval op. 

Maandag 17 augustus
Elke reis kent wel een dag die wat minder is. Voor mijn Canada-reis is dat deze. Bewust zo gepland. Het is namelijk een pendeldag van Wells Grey naar Whistler. Ruim vierhonderd kilometer in de auto. Op een uurtje of vier doe je dat in België. Niet hier. Wegen draaien en keren zodanig dat het een lieve lust is. Bovendien rijden we terug richting de bergen: de Coast Mountains. Dus wat trager naar boven rijden en afremmen bij het dalen. Bij de haarspeldbochten moeten de bestuurders bovendien extra waakzaam zijn.

De landschappen onderweg hebben de reputatie om wonderschoon te zijn. Slechts een paar keren brengen de bossen, bergen en meren me nog in vervoering. In de Rockies heb ik dit allemaal al gezien. Half slaapdronken zak ik weg in dromenland om dan plots te ontwaken voor een hemels mooi meer. Het zijn de vele verbrande bomen die me nog het meest raken. Kilometers lang zie ik niks anders dan verwoeste bomen waarvan de stam een pikzwarte herinnering draagt. Het is ook een actueel probleem. Niet ver van onze route woedt er trouwens een bosbrand, maar gelukkig is die onder controle.

Voor onze middagpauze houden we traditiegetrouw halt bij een meer, Seton Lake deze keer. Ik heb nood aan beweging en wil mijn eigen wandeling uitdokteren. Komoot, mijn outdoor app, is echter offline en kan geen eigen route ontwerpen. Dan maar een stukje rond het water wandelen. Nobel idee, ware het niet dat er privégrond in de weg ligt. Het alternatief is een kleine klimpartij in het aanpalende bos. Nu ja, bos, het is een strookje met bomen dat gevangen zit tussen het meer en de hoger gelegen autoweg. Nog altijd wel vrij steil trouwens. Dat merk ik aan de touwen die hier tussen de bomen hangen. Die moeten helpen bij het klimmen. Gestaag begeef ik me naar boven. Enkele bospaadjes lonken verleidelijk naar rechts, maar die leiden me te ver weg. Naar boven en terug beneden, dat is het plan. Mijn portie lichaamsbeweging voor vandaag.

In Whistler verkennen we nog even de stad. Het plaatsje is één van de bekendste skibestemmingen van Canada, maar geniet ook naamsbekendheid van de Olympische Winterspelen in 2010. Hier werden toen verscheidene wedstrijden in verschillende disciplines gehouden. In de zomer is Whistler echter de Canadese hoofdstad van het mountainbiken. Met duizelingwekkende snelheid zie ik ervaren mountainbikers honderden meters dalen op Whistler Blackcomb. Ik word lijkbleek als ik dit zie gebeuren. Ga ik hier overmorgen mountainbiken?

Dinsdag 18 augustus
De Rockies mag ik dan wel missen, maar met de Coast Mountains krijg ik opnieuw een bergmaaltijd voorgeschoteld. Met de zogenaamde ‘Peak to Peak gondola’ word ik via een gondel naar boven gebracht. Deze keer geen epische strijd met hoogtemeters en hellingsgraden. Wel één van de langste gondelverbindingen ter wereld die me in elf minuten naar ongeveer 1860 meter hoogte brengt. Hier zal ik de Blackcomb-piek begroeten. Het bergterrein hier is net wat anders dan de Rocky Mountains. Natter en groener, maar wel even grillig en ruig.

Dat moet wachten voor dé gebeurtenis van de reis. We hebben geen beren op de weg aangetroffen, maar wel ééntje naast de weg. Een kleine zwarte beer loopt door het koele gletsjerwater van de plaatselijke rivier. Het is bessenseizoen en beren zijn nu op zoek naar dit voedsel om zich rond te eten voor hun winterslaap. Op de derde dag had ik al een beer gezien, maar de rest van de groep was dagenlang op speurtocht naar deze beestjes. Tot nu. Een kwartier lang worden de beste fotografie- en filmtalenten geëtaleerd om familie en vrienden te bewijzen dat we toch een beer hebben gezien. In Whistler zijn deze dieren klaarblijkelijk met de honderden aanwezig, want even later zien we opnieuw een zwarte beer op een veldje waar vroeger het Olympisch dorp lag. Kinderen die gaan mountainbiken kijken amper op. Beren vallen hier nauwelijks op. Tenzij ze broodjes smeren.

Na dit berengoeie intermezzo gaan over naar de orde van de dag. Na de gondeltocht krijgen we enkele wandelkaartjes mee waarop een uitgebreid netwerk van wandelpaden staat beschreven. Je kan hier wandelingen van tientallen kilometers maken, maar onze ambities reiken niet zo ver. Het wordt een combinatie van de Alpine Loop, Overlord Trail en de Lakeside Loop. Met zijn zes kilometer geen lange wandeling, maar daarom niet minder mooi. Na de wat ruigere wandelingen van de voorbije week is dit bijna het niveau van een doordeweekse gezondheidswandeling. Een ijverige zon spoort aan tot langzaam wandelen. We drinken rustig koffie, kijken naar de marmotten die zonnebaden en genieten van de weidse vergezichten die we van deze top zien. Niks moet, alles mag.

Tot het voor reisbegeleider Anouk welletjes is geweest en ze aanmaant om voort te maken.

In een vertraagd tempo verkennen we de boomgrens. Kleine naaldbomen en lage struiken flirten op deze plaats met het bestaan. De omstandigheden zijn net gunstig genoeg voor hen om hier te overleven. Het terrein is verrassend open met kleine bergmeertjes en grasachtige alpiene weides. Een kleine klim maakt de wandeling plots rotsachtiger. Via een pad naast een gletsjerbeekje belanden we in een open rotslandschap. Lakeside Loop bevindt zich aan de voet van een bergwand en oogt een stukje ruiger. Het blijft allemaal behoorlijk idyllisch. Met dank aan de zon ook, want het kwik stijgt inmiddels tot vijfentwintig graden en meer.

Daarna steken we over naar de andere berg, toepasselijk Whistler Mountain gedoopt. Hier is Lost Lake onze bestemming. Het subalpiene landschap van een uurtje geleden wordt omgeruild voor bos en varens. De naaldbomen zijn wat groter en de hellingsgraden ook. De paden worden als het moeilijkste van het gehele langlaufnetwerk genoemd. Maar ook zonder sneeuw vergen ze wat zweetdruppels om afgelegd te worden. Lost Lake ziet er overigens totaal anders uit dan Lakeside. Het oogt diepblauw door het organische materiaal dat afkomstig is van het bos.

Het mooiste is voor het laatste behouden. Met een stoeltjeslift gaat het naar de top van de wereld. Of zo wordt de top hier in het Engels toch genoemd: Top of the World Summit. De derde omgeving van de dag en opnieuw een compleet ander terrein. Puinhellingen, kale rotsen en sneeuwvelden vullen de imposante panorama’s op. Het is eveneens een uitgelezen uitkijkpunt voor de vele bergen die aan de horizon prijken. De ene met een nog eigenaardigere vorm dan de andere. Bij één berg zie ik een kleine uitstulping op de top. Die wordt de Black Tusk genoemd omdat hij doet denken aan de slagtand van een walrus. Daar is volgens mij veel fantasie voor nodig.

Het meest zenuwslopende moment vandaag is de oversteek op de Cloudraker Skybridge. Dit is een 130 meter lange hangbrug die boven de Whistler Bowl hangt. Het uitzicht op de berghelling is ongeveer hetzelfde als op andere plaatsen, met één niet onbelangrijk verschil: nu zweef je via een hangbrug boven de helling. Mensen met hoogtevrees kunnen dit amusementsstuk beter overslaan, want je kan ook onder de brug kijken. De stoeltjeslift terug naar beneden vergt ook stalen zenuwen voor mensen met hoogtevrees, maar levert misschien wel de meest spectaculaire beelden van de dag op. Een rustige dag dus en dat is maar goed ook. Morgen wordt het weer zwoegen en zweten voor mij.

maandag 31 augustus 2026

Reisverslag Canada deel drie: filosoferen over vuur en warmte

Donderdag 13 augustus
Glaciale landschappen komen in alle geuren en kleuren. Vandaag mag ik opnieuw verdwalen in een wereld die wordt bepaald door sneeuw en ijs. Van een afstand tenminste. Op de Wilcox-hike kijk ik namelijk lange tijd uit op de Athabasca-gletsjer die na elke kilometer een tikkeltje groter wordt. De ruige bergwereld van gisteren heb ik achtergelaten en ik bevind me nu in een theater van groene bergweides en alpine toendra. Nochtans bevind ik me nu op grotere hoogte dan gisteren bij de Icecline Summit waar er op lagere hoogte bitter weinig groeit. De vele microklimaten in de Canadese Rockies hebben lak aan regels die vertellen op welke hoogte wat mag groeien. En gelijk hebben ze.

“Ah, een oude bekende”, roep ik enthousiast tegen de groep wanneer de wandeling, net zoals gisteren, begint met een bospad dat steil omhoog gaat. De gezichten die op halfzeven staan, delen mijn enthousiasme niet. Nochtans ontzien de paden hier de benen wat meer. Ze zijn wat breder dan gisteren, minder lang, maar vooral ook minder steil. De gedachte aan opnieuw stijve beenspieren wordt na een kwartiertje al ingeruild voor mooiere afleiding: een decor van bergpieken en gletsjers dat omhuld is in een sluier van wolken. Slechts flarden zien we van de plaatselijke pieken en een eenzame zonnevlek die geprojecteerd is op een bergflank doorbreekt dit patroon van dramatiek. Elke dag worden we onthaald op steeds nieuwe beelden van de Rockies.

Ik heb echter meer oog voor de plaatselijke toendra die hier verrassend groen is. Lage struiken sieren hier de omgeving, hoewel dat de sneeuw hier kan blijven liggen tot eind juli. Voor een plaatselijke kudde dikhoornschapen is dit hun thuis. In de verte zie ik hen gretig eten van de plaatselijke struiken en graszodes. De bergweides worden door de schapen professioneel kort gehouden. Door de koude wellicht ook. Het bergpad dat ik volg, slijt door het landschap. Een meanderende bruine lijn van zand contrasteert fel met het landschap dat doorspekt is met de meest diverse schakeringen in groen. Af en toe ontwaar ik ook andere kleuren: het wit en grijs van de Athabasca-gletsjer die steeds aan de horizon blijft plakken. Of het geel en paars van wilgenroosjes die van dit landschap een kleurenboek maken. Weliswaar met slechts een handvol kleurpotloden.

Op grotere hoogtes heerst de bergtoendra. Enkel de meest taaie vegetatie weet hier te overleven. En als die weten te overleven, worden ze alsnog opgegeten door dikhoornschapen. Wat een smeerlappen! Het landschap wordt hier wat minder aantrekkelijk. Kale berghellingen, meer rots. Helaas zonder de spectaculaire ruigte van gisteren. Een eenzaam bergmeertje probeert de illusie hier hoog te houden dat we ons op ruw terrein bevinden. Vergeleken met gisteren is dat kinderspel. De ster die schittert aan het firmament is de Athabasca-gletsjer. Ik kijk uit op de enorme landtong van de gletsjer. Zo enorm als vroeger is die niet meer. In helaas veel te rasse stappen trekt de gletsjer zich terug. Ik vraag me af hoe lang dit koninkrijk van ijs en sneeuw zal standhouden. Zoals bekend heeft Koning Winter het tegenwoordig niet gemakkelijk op deze planeet. Het is interessant gespreksvoer voor de daling naar beneden.

We rijden ook naar de voet van de gletsjer zelf. Ik word begroet met een bordje: 1992. Wat later zie ik een bordje staan met 2001. En daarna nog een hele resem anderen. De bordjes duiden per jaar aan tot waar de Athabasca-gletsjer kwam. Het geeft kippenvel om te zien hoeveel afstand er is tussen de huidige grens van de gletsjer en de bordjes. En niet op de juiste manier. Als ik eerlijk moet zijn, geeft heel deze plek me een vies gevoel. In de verte zie ik een piepkleine bus zich een weg banen over de gletsjer om toeristen naar de top van de gletsjer te brengen. Zo kunnen ze een gletsjerwandeling doen. Lekker meedoen aan de vernietiging van de gletsjer. Ik moet mezelf echter niet vrijpleiten. Ook ik maak deel uit van dit probleem, al gebruik ik geen bus om naar de top van een gletsjer te rijden. Het is de dualiteit van deze tijd: als een goede huisvader zorg dragen voor ons milieu, maar tegelijk rekening houden met economische belangen. De tijd zal uitwijzen wat het belangrijkste is.

Te veel moet ik ook niet filosoferen, want inmiddels zijn we terug op pad. Bij de Icefields Parkway komen we opnieuw een waterval tegen. De Tangle Creek Falls. Nou, dat ziet er leuk uit! Vijf minuten later wil iedereen opnieuw in de auto zitten. Op naar de volgende watervallen: de Sunwapta Falls en de Athabasca Falls. Hier weet het waterspektakel wel mijn aandacht vast te houden. Vooral de kracht waarmee de Sunwapta Falls zich laten neerstorten in een diepe kloof is van een zeldzame schoonheid. De harmonie tussen water en kloof resulteert in een grillig canyonlandschap. Turbulent water heet de waterval in de lokale taal. Ik snap waarom. De Athabasca Falls komen daarna hoofdzakelijk als bijzaak. Een waterval die 23 meter hoog is en 18 meter breed is. Op deze reis is het slechts een fotostop.

Vrijdag 14 augustus
Ik heb gelezen over de bosbranden van 2024 in Jasper. Maar liefst 32.000 hectare is er in vlammen opgegaan in de omgeving van Jasper NP. Bossen, maar ook delen van de stad zelf. Het klinkt abstract totdat we gisteravond in de buurt van Jasper komen. Kilometerlang zie ik kale plekken waar ooit vegetatie was en verbrande bomen die de relikwieën zijn van de rampspoed van twee jaar geleden. Onze campsite, Wapiti Campground, werd ook getroffen en doet nu eerder denken aan een savanne dan aan een bos in de Canadese wildernis. Waarom deze kampeerplaats zo heet, wordt snel duidelijk. Twee wapiti’s luieren in de schaduw wanneer we naar de ons toegewezen plaatsen rijden. Het dorre, hoge gras wuift ons vriendelijk toe. Ik zou het bijna een lieftallige plaats noemen als ik niet wist wat zich hier twee jaar geleden afspeelde. In België blijven we ook niet gevrijwaard van dit leed. Net op deze dag startte de grootste natuurbrand in meer dan een eeuw. Drieduizend hectare worden vernietigd door de brand. Het wordt onbedoeld het thema van de dag.

Na twee wat stevigere hikes wordt deze vrijdag wat rustiger. Een tochtje op Maligne Lake en een verkenning van het plaatselijke stadje staan op de planning. Eerst is er echter ontbijt bij Medicine Lake dat eigenlijk geen meer is. Het is eigenlijk een ondergronds rivierennetwerk van spleten en grotten in kalksteen. Bij genoeg smeltwater zie je het meer, maar in de nazomer en herfst verdwijnt het smeltwater en dus ook het meer. Het water wordt namelijk leeggepompt door de vele zinkgaten. Bij het ontbijt kijken we echter vrolijk uit op het meer. Het water komt zestien kilometer verder terug aan de oppervlakte bij Maligne Canyon. Normaal gezien bezoeken we dit ook, maar dat is nu gesloten. De impact van de bosbranden twee jaar geleden.

In de ochtend wacht me een boottochtje op Maligne Lake naar Spirit Island. Ik ben er wat sceptisch over. Bijna honderd euro voor een boottocht van anderhalf uur op een meer. Maar het internet is lyrisch over dit meer en misschien ga ik spijt krijgen als ik het niet doe. Het is een redenering die veel reisgenoten volgen. De boottocht en het bezoek aan het piepkleine Spirit Island stellen lichtjes teleur. Maligne Lake is het grootste meer van de Rockies, maar afgezien van zijn omvang is het gewoon meer van hetzelfde. En op letterlijk vijf minuten heb je Spirit Island doorkruist. Het geeft me echter wel de kans om op het kleine dek van de boot uit te waaien. De omgeving gelijkt hier op de Noorse fjorden. Dus helemaal hetzelfde? Nee, dat is ook niet waar.

Interessanter is de uitleg die Simon geeft. Een Brit die in gesofistikeerd Engels alles haarfijn uitlegt. Zijn huis werd twee jaar geleden getroffen door de bosbranden. Dat is een goede zaak. Volgens hem. Hij vertelt gretig over de positieve impact van bosbranden. Ze vernietigen de oude bomen die beletten dat er nieuwe bomen en planten groeien. Het is bovendien beter voor de biodiversiteit. De oorspronkelijke bevolking hier doet dit al duizenden jaren. We moeten dus niet zomaar blind de mainstream media geloven wanneer die zeggen dat bosbranden slecht zijn. Er schuilt ongetwijfeld een grond van waarheid in. Maar wat met de dieren? Wat met de economische schade? Wat met de enorme hoeveelheid rook die de lucht in wordt gekatapulteerd? Vragen die ik naar hem wil toewerpen, maar niet doe. Ik ben niet zo vurig als hij.

De namiddag is normaal gezien voorzien voor een bezoek aan Maligne Canyon, maar dat feestje gaat dus niet door. In plaats daarvan wordt het een bezoek aan Jasper en vooral het plaatselijke wassalon. De groep voert er een collectieve wassessie uit. Ik heb dit al enkele dagen eerder gedaan in Golden. Dan maar lanterfanten in Jasper. De weinigzeggende winkelstraat is niet aan mij besteed. Ik dwaal wat verder af en ik zie het station. Dat zegt me wat meer. In het stationsgebouw hangen posters van het begin van de twintigste eeuw die Europese immigranten een nieuw leven beloven. Een boerderij met een hele lap grond. Deze mensen moesten alles letterlijk opnieuw opbouwen en ik verveel me een beetje omdat ik moet wachten op een wasbeurt. Een luxeprobleem.

Zaterdag 15 augustus
Een andere dag, een ander uitzicht op de Rocky Mountains. In Mount Robson Provincial Park ontmoeten we een ander, vriendelijker gezicht van de Rockies. Aan de vochtige westkant bevindt zich een boslandschap dat de schijn wekt dat je in de subtropen bent. Statige bomen die tientallen meters hoog zijn, een tapijt van varens aan de oever van de Robson-rivier, mossen die de plaatsen tussen de bomen bevolken en de blauwgroene rivier zelf die met veel kabaal naar beneden dendert. Het magnum opus is toch wel de kathedraal onder de bergen: Mount Robson. Deze berg mag zich de hoogste berg van de Canadese Rockies noemen. Ik geraak maar niet uitgekeken op de bergtop van deze natuurkathedraal. Het woord 'bergtop' is misschien wat ongelukkig gekozen, want een langgerekt plateau is de piek van deze berg. Ik heb wel wat geluk. De hemel is behoorlijk helder en ik heb vrij zicht op de top. Dat is een rariteit.

Ik koesterde het plan om een erg stevige dagwandeling naar Emperor Falls en weer terug te maken. In cijfers uitgedrukt: 32 km en een duizendtal hoogtemeters. Enthousiastelingen kan ik nog wel vinden, maar logistiek wordt het dan een nachtmerrie. Terug naar het oorspronkelijke plan dus: een etappe naar Kinney Lake en terug. Ook leuk. Deze route is eerder gemakkelijk en kan zelfs met de mountainbike worden afgelegd tot aan het meer. Mijn tempo is nu wat gemoedelijker met veel pauzes. Het brede bospad nodigt niet uit tot verstilling. Nochtans stop ik af en toe om de wilde Robson River te fotograferen. Bij een hangbrug over de rivier wijzigt het patroon gestaag. Kleinere bospaadjes nemen het over, soms gaat het al wat steiler omhoog, maar er wordt altijd gepauzeerd om het oogverblindende Kinney Lake te fotograferen vanuit verschillende standpunten.

Met medereiziger Erwin vorm ik vaak de kopgroep van dit wandelgezelschap en we hebben een aardige voorsprong uitgebouwd. Goed voor vijf kilometer extra – heen en terug weliswaar – op deze wandeling. Na het meer ontvouwt er zich een ander landschap dat de eerste kenmerken vertoont van een bergwereld. Via het bovenpad tref ik een beek aan die stroomt naar de lager gelegen delta, bospaadjes worden nog kleiner en steiler, de vlakte opent zich met ontelbaar veel stenen en rotsen, morenen plakken tegen Mount Robson die plots veel dichterbij aanvoelt en bij het benedenpad keren we via de droge bodem van het meer terug naar Kinney Lake. Het smaakt naar meer, maar dat zit er dus helaas niet in.

De verplichte zwemstop aan het meer laat ik aan me voorbijgaan. Ik kijk uit naar waar we vanavond verblijven: Wells Grey. We verblijven er op een ranch die uitgebaat wordt door een Canadees met Vlaamse roots die nog steeds Nederlands spreekt. De omgeving doet volgens het internet denken aan Yellowstone, maar dan zonder geisers. Ik weet niet wat ik me moet inbeelden bij een geiserloze Yellowstone. Maar ergens vind ik het ook jammer om de Canadese Rocky Mountains nu al te verlaten. Acht dagen zijn we er geweest. Ik kan hier gerust nog wel enkele dagen langer verblijven. Dan zal het wel voor een volgende keer zijn op eigen initiatief. Nu resten me nog ruim tien dagen om de rest van West-Canada te ontdekken.