dinsdag 1 september 2026

Reisverslag Canada deel vier: beren naast de weg

Zondag 16 augustus
Het hooggebergte is dus definitief uitgewuifd en maakt nu plaats voor een vulkanisch landschap waar spectaculaire watervallen onze hoofdmaaltijd vormen. Oude lavastromen en door de eeuwen uitgesleten rivierkloven bepalen hier het landschap. De talrijke watervallen zijn daarvan de meest spectaculaire erfenis. Deze attracties van Moeder Natuur zijn wat minder toegankelijk. Je moet er eerst een (kleine) wandeling voor doen om deze oerkracht in werking te zien. De start van de dag is meteen klein, maar wel bijzonder fijn: de Moul Falls. Eéntje waar je achter het water kan lopen.

De wandeling ernaartoe is zo’n 2,5 km lang en eerder gemakkelijk. Tenminste, totdat je in de buurt van deze watermassa komt. Dan gaat het plots over benenbrekende trappen en rotsen steil naar beneden. Dat zorgt er wel voor dat niet al te veel toeristen beneden staan, zeker niet om negen uur ’s ochtends. Dat geeft me de kans om als enige achter het neervallende water te staan en dat is een eigenaardig gevoel. Door de waas van het water kijk ik door de waterval in de prachtige kloof. Op een dag waarin superlatieven worden gebruikt om aan te duiden hoe krachtig en groots watervallen zijn, is dit minimalistische gevoel misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende. Grote en krachtige watervallen heb ik al op veel plekken gezien. Maar een exemplaar waar je doorkijkt? Enkel nog in IJsland. De boswandeling naar deze plaats en terug maakt de ervaring nét dat tikkeltje mooier. Alsof je een verborgen parel ontdekt die niet voor iedereen is weggelegd. Bij het teruggaan wordt dit beeld rechtgezet. Tientallen toeristen zakken af naar deze plaats. Toch is Wells Grey heel wat rustiger dan de Rocky Mountains en is het op dat gebied een verademing qua drukte.

Niet elke waterval is ontzagwekkend door zijn waterkracht. De smalle Spahats Falls denderen tachtig meter naar beneden, maar hier is het vooral de prachtige kloof die de aandacht steelt. In een omgeving die groen kleurt door de talrijke dennenbomen loopt de met water gevulde kloof als een blauwe levensader door het terrein. Mijn aandacht verschuift van het watergordijn naar het totaalplaatje: de diepte van de kloof, de lange bijna rechte lijn die de Spahats Creek heeft uitgesleten in het landschap en het panorama zelf.

Na een middagpauze bij Dutch Lake Beach gaat onze tocht onverminderd voort. Helmcken Falls is het derde exemplaar van de dag en die belichaamt als geen ander de superlatieven met cijfertjes. Met zijn 141 meter hoogteverschil is het één van de grootste waterspektakels van Canada. Ook verrassend breed trouwens: vijftien tot drieëntwintig meter. Van het uitkijkpunt waar wij staan, is dat nauwelijks waarneembaar. Reisgenoten kijken verbaasd op wanneer ik dit vertel (uiteraard wel eerst zelf opgezocht 😊). De komvormige kloof fascineert me minder dan de canyon bij Spahats Falls. Al dat natuurgeweld eist slachtoffers.

De vreemdste beslissing van de dag is om ’s avonds naar Clearwater Lake te rijden, een aantrekkelijk wildernismeer. Het ligt echter behoorlijk afgelegen en de enige weg er naartoe is over een hobbelige zandweg die bezaaid is met putten. De bestuurders van de twee auto’s beschikken over stalen zenuwen om over dit excuus van een weg te rijden terwijl 4x4’s ons in volle vaart voorbij snellen. De omgeving is uiteraard een lust voor het oog en bovendien erg verlaten. Maar moeten we hier nu echt twee uur voor rijden? Het is een vraag die ik liever niet beantwoord. Ook omdat we tamelijk laat over deze twijfelachtige weg moeten terugrijden.

Aan het einde van de avond is er nog net voldoende tijd om de Dawson Falls te bezichtigen, een minivariant van de Niagara Falls. Slechts twintig meter hoog, maar wel negentig meter breed. De vierde waterval van de dag voelt eerder aan als het afvinken van een item op een boodschappenlijstje. Zo, die hebben we ook weer gehad! De kleinste cijfers leveren vandaag uiteindelijk de meest intieme en charmante waterval op. 

Maandag 17 augustus
Elke reis kent wel een dag die wat minder is. Voor mijn Canada-reis is dat deze. Bewust zo gepland. Het is namelijk een pendeldag van Wells Grey naar Whistler. Ruim vierhonderd kilometer in de auto. Op een uurtje of vier doe je dat in België. Niet hier. Wegen draaien en keren zodanig dat het een lieve lust is. Bovendien rijden we terug richting de bergen: de Coast Mountains. Dus wat trager naar boven rijden en afremmen bij het dalen. Bij de haarspeldbochten moeten de bestuurders bovendien extra waakzaam zijn.

De landschappen onderweg hebben de reputatie om wonderschoon te zijn. Slechts een paar keren brengen de bossen, bergen en meren me nog in vervoering. In de Rockies heb ik dit allemaal al gezien. Half slaapdronken zak ik weg in dromenland om dan plots te ontwaken voor een hemels mooi meer. Het zijn de vele verbrande bomen die me nog het meest raken. Kilometers lang zie ik niks anders dan verwoeste bomen waarvan de stam een pikzwarte herinnering draagt. Het is ook een actueel probleem. Niet ver van onze route woedt er trouwens een bosbrand, maar gelukkig is die onder controle.

Voor onze middagpauze houden we traditiegetrouw halt bij een meer, Seton Lake deze keer. Ik heb nood aan beweging en wil mijn eigen wandeling uitdokteren. Komoot, mijn outdoor app, is echter offline en kan geen eigen route ontwerpen. Dan maar een stukje rond het water wandelen. Nobel idee, ware het niet dat er privégrond in de weg ligt. Het alternatief is een kleine klimpartij in het aanpalende bos. Nu ja, bos, het is een strookje met bomen dat gevangen zit tussen het meer en de hoger gelegen autoweg. Nog altijd wel vrij steil trouwens. Dat merk ik aan de touwen die hier tussen de bomen hangen. Die moeten helpen bij het klimmen. Gestaag begeef ik me naar boven. Enkele bospaadjes lonken verleidelijk naar rechts, maar die leiden me te ver weg. Naar boven en terug beneden, dat is het plan. Mijn portie lichaamsbeweging voor vandaag.

In Whistler verkennen we nog even de stad. Het plaatsje is één van de bekendste skibestemmingen van Canada, maar geniet ook naamsbekendheid van de Olympische Winterspelen in 2010. Hier werden toen verscheidene wedstrijden in verschillende disciplines gehouden. In de zomer is Whistler echter de Canadese hoofdstad van het mountainbiken. Met duizelingwekkende snelheid zie ik ervaren mountainbikers honderden meters dalen op Whistler Blackcomb. Ik word lijkbleek als ik dit zie gebeuren. Ga ik hier overmorgen mountainbiken?

Dinsdag 18 augustus
De Rockies mag ik dan wel missen, maar met de Coast Mountains krijg ik opnieuw een bergmaaltijd voorgeschoteld. Met de zogenaamde ‘Peak to Peak gondola’ word ik via een gondel naar boven gebracht. Deze keer geen epische strijd met hoogtemeters en hellingsgraden. Wel één van de langste gondelverbindingen ter wereld die me in elf minuten naar ongeveer 1860 meter hoogte brengt. Hier zal ik de Blackcomb-piek begroeten. Het bergterrein hier is net wat anders dan de Rocky Mountains. Natter en groener, maar wel even grillig en ruig.

Dat moet wachten voor dé gebeurtenis van de reis. We hebben geen beren op de weg aangetroffen, maar wel ééntje naast de weg. Een kleine zwarte beer loopt door het koele gletsjerwater van de plaatselijke rivier. Het is bessenseizoen en beren zijn nu op zoek naar dit voedsel om zich rond te eten voor hun winterslaap. Op de derde dag had ik al een beer gezien, maar de rest van de groep was dagenlang op speurtocht naar deze beestjes. Tot nu. Een kwartier lang worden de beste fotografie- en filmtalenten geëtaleerd om familie en vrienden te bewijzen dat we toch een beer hebben gezien. In Whistler zijn deze dieren klaarblijkelijk met de honderden aanwezig, want even later zien we opnieuw een zwarte beer op een veldje waar vroeger het Olympisch dorp lag. Kinderen die gaan mountainbiken kijken nauwelijks op. Beren vallen hier nauwelijks op. Tenzij ze broodjes smeren.

Na dit berengoeie intermezzo gaan over naar de orde van de dag. Na de gondeltocht krijgen we enkele wandelkaartjes mee waarop een uitgebreid netwerk van wandelpaden staat beschreven. Je kan hier wandelingen van tientallen kilometers maken, maar onze ambities reiken niet zo ver. Het wordt een combinatie van de Alpine Loop, Overlord Trail en de Lakeside Loop. Met zijn zes kilometer geen lange wandeling, maar daarom niet minder mooi. Na de wat ruigere wandelingen van de voorbije week is dit bijna het niveau van een doordeweekse gezondheidswandeling. Een ijverige zon spoort aan tot langzaam wandelen. We drinken rustig koffie, kijken naar de marmotten die zonnebaden en genieten van de weidse vergezichten die we van deze top zien. Niks moet, alles mag.

Tot het voor reisbegeleider Anouk welletjes is geweest en ze aanmaant om voort te maken.

In een vertraagd tempo verkennen we de boomgrens. Kleine naaldbomen en lage struiken flirten op deze plaats met het bestaan. De omstandigheden zijn net gunstig genoeg voor hen om hier te overleven. Het terrein is verrassend open met kleine bergmeertjes en grasachtige alpiene weides. Een kleine klim maakt de wandeling plots rotsachtiger. Via een pad naast een gletsjerbeekje belanden we in een open rotslandschap. Lakeside Loop bevindt zich aan de voet van een bergwand en oogt een stukje ruiger. Het blijft allemaal behoorlijk idyllisch. Met dank aan de zon ook, want het kwik stijgt inmiddels tot vijfentwintig graden en meer.

Daarna steken we over naar de andere berg, toepasselijk Whistler Mountain gedoopt. Hier is Lost Lake onze bestemming. Het subalpiene landschap van een uurtje geleden wordt omgeruild voor bos en varens. De naaldbomen zijn wat groter en de hellingsgraden ook. De paden worden als het moeilijkste van het gehele langlaufnetwerk genoemd. Maar ook zonder sneeuw vergen ze wat zweetdruppels om afgelegd te worden. Lost Lake ziet er overigens totaal anders uit dan Lakeside. Het oogt diepblauw door het organische materiaal dat afkomstig is van het bos.

Het mooiste is voor het laatste behouden. Met een stoeltjeslift gaat het naar de top van de wereld. Of zo wordt de top hier in het Engels toch genoemd: Top of the World Summit. De derde omgeving van de dag en opnieuw een compleet ander terrein. Puinhellingen, kale rotsen en sneeuwvelden vullen de imposante panorama’s op. Het is eveneens een uitgelezen uitkijkpunt voor de vele bergen die aan de horizon prijken. De ene met een nog eigenaardigere vorm dan de andere. Bij één berg zie ik een kleine uitstulping op de top. Die wordt de Black Tusk genoemd omdat hij doet denken aan de slagtand van een walrus. Daar is volgens mij veel fantasie voor nodig.

Het meest zenuwslopende moment vandaag is de oversteek op de Cloudraker Skybridge. Dit is een 130 meter lange hangbrug die boven de Whistler Bowl hangt. Het uitzicht op de berghelling is ongeveer hetzelfde als op andere plaatsen, met één niet onbelangrijk verschil: nu zweef je via een hangbrug boven de helling. Mensen met hoogtevrees kunnen dit amusementsstuk beter overslaan, want je kan ook onder de brug kijken. De stoeltjeslift terug naar beneden vergt ook stalen zenuwen voor mensen met hoogtevrees, maar levert misschien wel de meest spectaculaire beelden van de dag op. Een rustige dag dus en dat is maar goed ook. Morgen wordt het weer zwoegen en zweten voor mij.

maandag 31 augustus 2026

Reisverslag Canada deel drie: filosoferen over vuur en warmte

Donderdag 13 augustus
Glaciale landschappen komen in alle geuren en kleuren. Vandaag mag ik opnieuw verdwalen in een wereld die wordt bepaald door sneeuw en ijs. Van een afstand tenminste. Op de Wilcox-hike kijk ik namelijk lange tijd uit op de Athabasca-gletsjer die na elke kilometer een tikkeltje groter wordt. De ruige bergwereld van gisteren heb ik achtergelaten en ik bevind me nu in een theater van groene bergweides en alpine toendra. Nochtans bevind ik me nu op grotere hoogte dan gisteren bij de Icecline Summit waar er op lagere hoogte bitter weinig groeit. De vele microklimaten in de Canadese Rockies hebben lak aan regels die vertellen op welke hoogte wat mag groeien. En gelijk hebben ze.

“Ah, een oude bekende”, roep ik enthousiast tegen de groep wanneer de wandeling, net zoals gisteren, begint met een bospad dat steil omhoog gaat. De gezichten die op halfzeven staan, delen mijn enthousiasme niet. Nochtans ontzien de paden hier de benen wat meer. Ze zijn wat breder dan gisteren, minder lang, maar vooral ook minder steil. De gedachte aan opnieuw stijve beenspieren wordt na een kwartiertje al ingeruild voor mooiere afleiding: een decor van bergpieken en gletsjers dat omhuld is in een sluier van wolken. Slechts flarden zien we van de plaatselijke pieken en een eenzame zonnevlek die geprojecteerd is op een bergflank doorbreekt dit patroon van dramatiek. Elke dag worden we onthaald op steeds nieuwe beelden van de Rockies.

Ik heb echter meer oog voor de plaatselijke toendra die hier verrassend groen is. Lage struiken sieren hier de omgeving, hoewel dat de sneeuw hier kan blijven liggen tot eind juli. Voor een plaatselijke kudde dikhoornschapen is dit hun thuis. In de verte zie ik hen gretig eten van de plaatselijke struiken en graszodes. De bergweides worden door de schapen professioneel kort gehouden. Door de koude wellicht ook. Het bergpad dat ik volg, slijt door het landschap. Een meanderende bruine lijn van zand contrasteert fel met het landschap dat doorspekt is met de meest diverse schakeringen in groen. Af en toe ontwaar ik ook andere kleuren: het wit en grijs van de Athabasca-gletsjer die steeds aan de horizon blijft plakken. Of het geel en paars van wilgenroosjes die van dit landschap een kleurenboek maken. Weliswaar met slechts een handvol kleurpotloden.

Op grotere hoogtes heerst de bergtoendra. Enkel de meest taaie vegetatie weet hier te overleven. En als die weten te overleven, worden ze alsnog opgegeten door dikhoornschapen. Wat een smeerlappen! Het landschap wordt hier wat minder aantrekkelijk. Kale berghellingen, meer rots. Helaas zonder de spectaculaire ruigte van gisteren. Een eenzaam bergmeertje probeert de illusie hier hoog te houden dat we ons op ruw terrein bevinden. Vergeleken met gisteren is dat kinderspel. De ster die schittert aan het firmament is de Athabasca-gletsjer. Ik kijk uit op de enorme landtong van de gletsjer. Zo enorm als vroeger is die niet meer. In helaas veel te rasse stappen trekt de gletsjer zich terug. Ik vraag me af hoe lang dit koninkrijk van ijs en sneeuw zal standhouden. Zoals bekend heeft Koning Winter het tegenwoordig niet gemakkelijk op deze planeet. Het is interessant gespreksvoer voor de daling naar beneden.

We rijden ook naar de voet van de gletsjer zelf. Ik word begroet met een bordje: 1992. Wat later zie ik een bordje staan met 2001. En daarna nog een hele resem anderen. De bordjes duiden per jaar aan tot waar de Athabasca-gletsjer kwam. Het geeft kippenvel om te zien hoeveel afstand er is tussen de huidige grens van de gletsjer en de bordjes. En niet op de juiste manier. Als ik eerlijk moet zijn, geeft heel deze plek me een vies gevoel. In de verte zie ik een piepkleine bus zich een weg banen over de gletsjer om toeristen naar de top van de gletsjer te brengen. Zo kunnen ze een gletsjerwandeling doen. Lekker meedoen aan de vernietiging van de gletsjer. Ik moet mezelf echter niet vrijpleiten. Ook ik maak deel uit van dit probleem, al gebruik ik geen bus om naar de top van een gletsjer te rijden. Het is de dualiteit van deze tijd: als een goede huisvader zorg dragen voor ons milieu, maar tegelijk rekening houden met economische belangen. De tijd zal uitwijzen wat het belangrijkste is.

Te veel moet ik ook niet filosoferen, want inmiddels zijn we terug op pad. Bij de Icefields Parkway komen we opnieuw een waterval tegen. De Tangle Creek Falls. Nou, dat ziet er leuk uit! Vijf minuten later wil iedereen opnieuw in de auto zitten. Op naar de volgende watervallen: de Sunwapta Falls en de Athabasca Falls. Hier weet het waterspektakel wel mijn aandacht vast te houden. Vooral de kracht waarmee de Sunwapta Falls zich laten neerstorten in een diepe kloof is van een zeldzame schoonheid. De harmonie tussen water en kloof resulteert in een grillig canyonlandschap. Turbulent water heet de waterval in de lokale taal. Ik snap waarom. De Athabasca Falls komen daarna hoofdzakelijk als bijzaak. Een waterval die 23 meter hoog is en 18 meter breed is. Op deze reis is het slechts een fotostop.

Vrijdag 14 augustus
Ik heb gelezen over de bosbranden van 2024 in Jasper. Maar liefst 32.000 hectare is er in vlammen opgegaan in de omgeving van Jasper NP. Bossen, maar ook delen van de stad zelf. Het klinkt abstract totdat we gisteravond in de buurt van Jasper komen. Kilometerlang zie ik kale plekken waar ooit vegetatie was en verbrande bomen die de relikwieën zijn van de rampspoed van twee jaar geleden. Onze campsite, Wapiti Campground, werd ook getroffen en doet nu eerder denken aan een savanne dan aan een bos in de Canadese wildernis. Waarom deze kampeerplaats zo heet, wordt snel duidelijk. Twee wapiti’s luieren in de schaduw wanneer we naar de ons toegewezen plaatsen rijden. Het dorre, hoge gras wuift ons vriendelijk toe. Ik zou het bijna een lieftallige plaats noemen als ik niet wist wat zich hier twee jaar geleden afspeelde. In België blijven we ook niet gevrijwaard van dit leed. Net op deze dag startte de grootste natuurbrand in meer dan een eeuw. Drieduizend hectare worden vernietigd door de brand. Het wordt onbedoeld het thema van de dag.

Na twee wat stevigere hikes wordt deze vrijdag wat rustiger. Een tochtje op Maligne Lake en een verkenning van het plaatselijke stadje staan op de planning. Eerst is er echter ontbijt bij Medicine Lake dat eigenlijk geen meer is. Het is eigenlijk een ondergronds rivierennetwerk van spleten en grotten in kalksteen. Bij genoeg smeltwater zie je het meer, maar in de nazomer en herfst verdwijnt het smeltwater en dus ook het meer. Het water wordt namelijk leeggepompt door de vele zinkgaten. Bij het ontbijt kijken we echter vrolijk uit op het meer. Het water komt zestien kilometer verder terug aan de oppervlakte bij Maligne Canyon. Normaal gezien bezoeken we dit ook, maar dat is nu gesloten. De impact van de bosbranden twee jaar geleden.

In de ochtend wacht me een boottochtje op Maligne Lake naar Spirit Island. Ik ben er wat sceptisch over. Bijna honderd euro voor een boottocht van anderhalf uur op een meer. Maar het internet is lyrisch over dit meer en misschien ga ik spijt krijgen als ik het niet doe. Het is een redenering die veel reisgenoten volgen. De boottocht en het bezoek aan het piepkleine Spirit Island stellen lichtjes teleur. Maligne Lake is het grootste meer van de Rockies, maar afgezien van zijn omvang is het gewoon meer van hetzelfde. En op letterlijk vijf minuten heb je Spirit Island doorkruist. Het geeft me echter wel de kans om op het kleine dek van de boot uit te waaien. De omgeving gelijkt hier op de Noorse fjorden. Dus helemaal hetzelfde? Nee, dat is ook niet waar.

Interessanter is de uitleg die Simon geeft. Een Brit die in gesofistikeerd Engels alles haarfijn uitlegt. Zijn huis werd twee jaar geleden getroffen door de bosbranden. Dat is een goede zaak. Volgens hem. Hij vertelt gretig over de positieve impact van bosbranden. Ze vernietigen de oude bomen die beletten dat er nieuwe bomen en planten groeien. Het is bovendien beter voor de biodiversiteit. De oorspronkelijke bevolking hier doet dit al duizenden jaren. We moeten dus niet zomaar blind de mainstream media geloven wanneer die zeggen dat bosbranden slecht zijn. Er schuilt ongetwijfeld een grond van waarheid in. Maar wat met de dieren? Wat met de economische schade? Wat met de enorme hoeveelheid rook die de lucht in wordt gekatapulteerd? Vragen die ik naar hem wil toewerpen, maar niet doe. Ik ben niet zo vurig als hij.

De namiddag is normaal gezien voorzien voor een bezoek aan Maligne Canyon, maar dat feestje gaat dus niet door. In plaats daarvan wordt het een bezoek aan Jasper en vooral het plaatselijke wassalon. De groep voert er een collectieve wassessie uit. Ik heb dit al enkele dagen eerder gedaan in Golden. Dan maar lanterfanten in Jasper. De weinigzeggende winkelstraat is niet aan mij besteed. Ik dwaal wat verder af en ik zie het station. Dat zegt me wat meer. In het stationsgebouw hangen posters van het begin van de twintigste eeuw die Europese immigranten een nieuw leven beloven. Een boerderij met een hele lap grond. Deze mensen moesten alles letterlijk opnieuw opbouwen en ik verveel me een beetje omdat ik moet wachten op een wasbeurt. Een luxeprobleem.

Zaterdag 15 augustus
Een andere dag, een ander uitzicht op de Rocky Mountains. In Mount Robson Provincial Park ontmoeten we een ander, vriendelijker gezicht van de Rockies. Aan de vochtige westkant bevindt zich een boslandschap dat de schijn wekt dat je in de subtropen bent. Statige bomen die tientallen meters hoog zijn, een tapijt van varens aan de oever van de Robson-rivier, mossen die de plaatsen tussen de bomen bevolken en de blauwgroene rivier zelf die met veel kabaal naar beneden dendert. Het magnum opus is toch wel de kathedraal onder de bergen: Mount Robson. Deze berg mag zich de hoogste berg van de Canadese Rockies noemen. Ik geraak maar niet uitgekeken op de bergtop van deze natuurkathedraal. Het woord 'bergtop' is misschien wat ongelukkig gekozen, want een langgerekt plateau is de piek van deze berg. Ik heb wel wat geluk. De hemel is behoorlijk helder en ik heb vrij zicht op de top. Dat is een rariteit.

Ik koesterde het plan om een erg stevige dagwandeling naar Emperor Falls en weer terug te maken. In cijfers uitgedrukt: 32 km en een duizendtal hoogtemeters. Enthousiastelingen kan ik nog wel vinden, maar logistiek wordt het dan een nachtmerrie. Terug naar het oorspronkelijke plan dus: een etappe naar Kinney Lake en terug. Ook leuk. Deze route is eerder gemakkelijk en kan zelfs met de mountainbike worden afgelegd tot aan het meer. Mijn tempo is nu wat gemoedelijker met veel pauzes. Het brede bospad nodigt niet uit tot verstilling. Nochtans stop ik af en toe om de wilde Robson River te fotograferen. Bij een hangbrug over de rivier wijzigt het patroon gestaag. Kleinere bospaadjes nemen het over, soms gaat het al wat steiler omhoog, maar er wordt altijd gepauzeerd om het oogverblindende Kinney Lake te fotograferen vanuit verschillende standpunten.

Met medereiziger Erwin vorm ik vaak de kopgroep van dit wandelgezelschap en we hebben een aardige voorsprong uitgebouwd. Goed voor vijf kilometer extra – heen en terug weliswaar – op deze wandeling. Na het meer ontvouwt er zich een ander landschap dat de eerste kenmerken vertoont van een bergwereld. Via het bovenpad tref ik een beek aan die stroomt naar de lager gelegen delta, bospaadjes worden nog kleiner en steiler, de vlakte opent zich met ontelbaar veel stenen en rotsen, morenen plakken tegen Mount Robson die plots veel dichterbij aanvoelt en bij het benedenpad keren we via de droge bodem van het meer terug naar Kinney Lake. Het smaakt naar meer, maar dat zit er dus helaas niet in.

De verplichte zwemstop aan het meer laat ik aan me voorbijgaan. Ik kijk uit naar waar we vanavond verblijven: Wells Grey. We verblijven er op een ranch die uitgebaat wordt door een Canadees met Vlaamse roots die nog steeds Nederlands spreekt. De omgeving doet volgens het internet denken aan Yellowstone, maar dan zonder geisers. Ik weet niet wat ik me moet inbeelden bij een geiserloze Yellowstone. Maar ergens vind ik het ook jammer om de Canadese Rocky Mountains nu al te verlaten. Acht dagen zijn we er geweest. Ik kan hier gerust nog wel enkele dagen langer verblijven. Dan zal het wel voor een volgende keer zijn op eigen initiatief. Nu resten me nog ruim tien dagen om de rest van West-Canada te ontdekken.

zondag 30 augustus 2026

Reisverslag Canada deel twee: geveld door een houten trap

Maandag 10 augustus
Een ongeluk zit in een klein hoekje. Dat leer ik in hoogst eigen persoon wanneer ik bij de Johnston Canyon de trap afdaal. Nonchalant met mijn handen in de broekzak neem ik de treden. Links, rechts, links, rechts, *krak*. Op de perfect liggende houten trap slaag ik erin om mijn voet om te slaan in een mooie winkelhaak van negentig graden. Tegemoetkomende wandelaars zien het gebeuren en hun grimas is nog veelzeggender dan de mijne. "Are you alright?", luidt de retorische vraag. "No, I'm not alright", luidt het niet-retorische antwoord. Op deze reis wandel ik over sneeuwvelden, ijs, gletsjers, morenen, rotsblokken, boomwortels en geërodeerde bospaadjes. Maar het is een onnozele houten trap die me heeft geveld. 

Voor even. 

Ik ben dan wel een klungelachtige wandelaar, maar wel een geharde wandelaar. Het is niet de eerste keer dat me dit overkomt. Of de laatste keer. En hoe onhandig ik ook ben, er is me nog nooit iets ernstigs overkomen en ik laat zo'n fait divers als dit daar geen verandering in brengen. Enkele uren later spring ik onder zachte dwang vrolijk mee met de rest van de bende in Eagle Net Park, een soort trampolinepark bij de Golden Skybridge. Slim is het niet, maar ik heb ook nooit beweerd dat ik een slimme wandelaar ben. 

Deze ochtend vertrekken we uit Banff en de Johnston Canyon is een uurtje later onze bestemming. We krijgen onverwacht het gezelschap van een muildierhert dat in het struikgewas zijn ontbijt verorbert. Even later wordt dit beeld overtroffen door een absurd moment. Een grijze wolf jogt vrolijk mee met andere auto's op de autoweg. Het dier maakt geen aanstalten om te stoppen of in het naburige bos te verdwijnen. Dergelijke momenten zijn de reden waarom ik naar Canada ben gekomen. 

Om acht uur 's ochtends is de Johnston Canyon nog niet zo druk. Het begin stelt teleur, maar naarmate ik dichter bij de Lower Falls kom, word ik steeds enthousiaster over de kloof. De verschillende sedimentlagen, de ruigheid van de rotsen, de kleine cascades in de beek en de grote rotswanden van de kloof overtuigen bijna elke wandelaar. Dat merk ik ook aan het aantal bezoekers, want dat groeit elke minuut zienderogen. Het echte meesterwerk moet nog komen bij de Upper Falls. Een schilderij op rots met gele, oranje en roestbruine tinten dat het decor vormt van de dertig meter hoge waterval. Het ziet er miljoenen jaren oud uit. En dat is het ook. Toch enerveert de drukte me soms die ook hier weer de ervaring wat naar beneden haalt. Het echte zorgenkind is echter mijn rechtervoet die enkel op weerbarstige wijze naar de auto terugkeert.  

De lunchstop voor vandaag is bij Emerald Lake. Alweer zo'n prachtig turquoise gletsjermeer. Ik vraag me luidop af waarom we gisteren zoveel moeite hebben gedaan om Lake Louise en Moraine Lake te bezoeken als je dergelijke meren letterlijk rechts van de weg vindt. Parkeren is zoals altijd wel een hele opgave. De beproefde tactiek is eigenlijk verrassend simpel. De doorstroming is zo groot dat er voortdurend auto's vertrekken en aankomen. Wacht simpelweg op een vertrekkende auto en je kan zijn plek probleemloos innemen. Emerald Lake is qua epiek misschien niet het mooiste meer van de Rockies, maar nog altijd bijzonder prachtig. Uiteindelijk neem ik hier amper foto's. De turquoise bergmeren verslaan me in hun hoeveelheid. 

Op weg naar de volgende kampeerplaats in Golden is er nog even tijd voor een leuk intermezzo bij Lower Spiral Tunnel Viewpoint. Ik bespaar je de volledige uitleg, maar door knap ingenieurswerk, tunnels en hoogteverschillen kan je hier een Canadese goederentrein op verscheidene hoogtes zien en lijkt het alsof de trein zichzelf kruist. Zonder passerende trein is dit plaatje overigens weinig bijzonder. Mét trein is het wel behoorlijk interessant. Voor tien minuten althans, want de Canadese goederentreinen zijn zo lang en rijden hier zo traag dat het wel erg lang duurt vooraleer je alles ziet passeren. Tegen dan moeten we echter verder rijden. 

Canada is een westers land, maar de prijzen vallen hier behoorlijk goed mee. Toch zijn sommige dingen hier duur zoals de inkomprijs bij de Golden Skybridge. Ruim dertig euro om over twee hangbruggen te lopen, dat is wel vrij stevig. Het uitzicht is echter wel spectaculair. De hoogste hangbrug zweeft honderddertig meter boven de kloof en geldt daarmee als Canada's hoogste hangbrug. De tweede hangbrug ligt lager en is korter. Ondertussen heb ik mezelf nog even gepijnigd in het trampolinepark hier. Kwestie van toch iets of wat waarde voor mijn geld te krijgen. Ook al is het met een verstuikte voet. Ik ben trouwens ook een gierige wandelaar.   
 
Dinsdag 11 augustus
Twee jaar geleden heb ik een nieuw talent van mij ontdekt: ik kukel heel gemakkelijk het water in. Bij een reis naar Noorwegen is me dat namelijk twee keer gelukt. Eén keer bij het raften waar een stroomversnelling me aanmaande om even een frisse duik te nemen. En een paar dagen later opnieuw bij het varen met een tweepersoonskajak waarvan een kajak die eigenlijk niet kan kapseizen toch is gekapseisd. Het is nog altijd een mysterie hoe dit heeft kunnen gebeuren. Sindsdien ben ik toch wat voorzichtig met alles wat te maken heeft met water en daar valt rafting zeker onder. De activiteit voor vandaag: rafting op een ijskoude gletsjerrivier! 

Ik was toch wat beducht voor dit riviertochtje en daarom had ik op voorhand informatie opgezocht. Het blijkt dat de Kicking Horse River toch net iets kalmer en braver is dan de Dagali waar ik twee jaar geleden bijna in verdronk - want ja, zo erg was het eigenlijk. Na de verplichte formaliteiten zoals de briefing, instructies en het twee keer aantrekken van de wetsuit word ik samen met de rest van de groep met een aftandse Amerikaanse gele schoolbus naar de beginplaats gebracht. Hier wordt het reisgezelschap in twee groepen gesplitst: één van zes personen en een tweede van vier personen. Er kunnen namelijk maar acht personen op één raft. 

De ochtendsessie is een opwarmertje. Er is slechts één rapid van klasse twee. Dat is niet overdreven zwaar, maar de eerste kennismaking doet mijn zelfvertrouwen toch wel zakken. Dit was toch wel wat wilder dan wat ik verwachtte. Het is echter de enige noemenswaardige stroomversnelling van de ochtend. De rest van de tijd dient om de instructies te leren, te genieten van de omgeving en een waterveldslag uit te vechten met jongetjes van tien jaar. Eén exemplaar schept er een diabolisch genoegen in om met zijn peddel gletsjerwater naar onze raft te slaan. Enkele reisgenoten wensen hem een gewisse verdrinkingsdood en zijn niet te beroerd om daarbij eigenhandig te helpen. Stuurman Austin heeft dit in de gaten en piloteert onze raft naar kindervrije wateren. Leuk, maar het echte werk wacht in de namiddag wanneer zestien rapids op ons staan te wachten, variërend van klasse twee tot en met klasse vier. 

Eerst moet ik aan een persoonlijk dilemma werken. Ik heb op deze reis tot dusver veel te gezond gegeten en dat is uiteraard niet goed. Een goede vetkuur met hamburger, ketchup en een slaatje dat amper die naam waardig is mijn lunch voor vandaag. Het zit standaard bij deze excursie in. Negen mensen zijn niet komen opdagen en hun hamburgers liggen onaangeroerd op de barbecue. Het vlees is bestemd voor de ijverige medewerkers van deze raftingtocht, maar een tweede hamburger zou wel zeker binnen gaan. 

Tijdens de tweede helft van de tocht wordt de Kicking Horse River wat wilder. Austin toont zich echter een uitstekende stuurman én kapitein. Haarfijn legt hij uit welke rapid er komt en wat er gedaan moet worden. Iedereen is ingepakt met drie of vier lagen om zich te beschermen tegen het ijskoude gletsjerwater. Austin is getooid in open sandalen, een dunne broek en een shirtje. Hij hoort eerder thuis bij een beachparty dan bij een raftingtocht. Vakkundig loodst hij ons door de diverse stroomversnellingen. Three left, back, hold on! Zijn commando's worden onmiddellijk opgevolgd. Zelfs de meest dissidente types zijn hier volgzame kuddedieren. Niemand wil hier in het ijskoude water belanden. Uiteindelijk valt alles nog vrij goed mee. 

Het meest verraderlijke moment bevindt zich zelfs buiten de raft. Tijdens een pauze meren we kort aan bij een inham met een watervalletje. Het water transformeert hier echter tot een draaikolk en reisgenote Julie wordt ei zo na met het water meegesleurd. Gelukkig zijn de anderen waakzaam en bieden ze een reddende hand. Na deze korte pauze somt Austin een heel draaiboek op van wat we moeten doen en oefenen we dit gretig in. Deze passage zou naar verluidt vrij technisch en moeilijk zijn. Maar kijk, ook hier geraken we zonder kleerscheuren door. Wel niet met droge kleren, want ondertussen zijn we aardig nat geworden. Het gletsjerwater voelt inmiddels lauw aan na een paar uur raften. We zijn echter al bij het einde en met de gele schoolbus rijden we terug naar het hoofdkwartier waar we de foto's en filmpjes kunnen bekijken. 

Het is inmiddels een traditie geworden dat we onze dag afsluiten bij een meertje en deze keer is de eer weggelegd voor Cedar Lake. Voor één keer geen gletsjermeer, maar een gewoon zoetwatermeer inclusief aanlegsteiger. Het water is niet te koud en dit is dan ook de enige keer dat ik zwem in een meertje. Aan het einde van de avond worden we voor de eerste keer geconfronteerd met regen wanneer we tapas aan het eten zijn. Het weer was de voorbije dagen wel vaker grauw en grijs, maar het is de eerste keer dat het (zacht) regent. Het is dus in alle opzichten een natte dag geweest.   
  
Woensdag 12 augustus
Deze reis met Beyond Borders heb ik om een aantal redenen gekozen, maar één van de hoofdredenen is toch wel de wandeling van de Iceline Trail die als één van de meest betoverende routes van Yoho National Park én Canada wordt genoemd. Wij doen een aangepaste versie die ons naar de Iceline Summit brengt en terug. Deze route komt dus met andere woorden met hoge verwachtingen en het heeft alle verwachtingen waargemaakt. Want miljaar, wat is dit toch weer een pareltje van de zuiverste wandelsoort geworden. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik denk toch dat dit wel mijn mooiste wandeling van het jaar is. Een mooi predicaat, want ik heb al heel wat moois gezien dit jaar in eigen land, Zweden en Sri Lanka.

Voor de route echt begint, maken we nog een klein uitstapje naar de Takakkaw Fals. Voor een waterval van 360 meter hoog wil ik wel eens een omweg van negenhonderd meter maken. De waterval doet zijn naam - het betekent zoveel als "magnifiek" - alle eer aan, maar de waterval weet pas echt te imponeren als het in beeld gebracht kan worden met de bovenliggende Daly Glacier die de waterval met zijn smeltwater voedt. Het totale bergplaatje van gletsjer, dennenbossen, waterval en rotsen schreeuwt als geen ander Rockies uit. Yoho NP wordt vaak overgeslagen in een trip door Canada, maar wat mij betreft is dit één van de absolute kroonjuwelen van de Canadese Rocky Mountains. Ook omdat het begin van de Iceline Trail uitpakt met een al bijna even fabelachtig beeld van de Cathedral Mountain die met zijn tafelbergachtige vorm en vlakke rotsplateau als een reus boven het landschap uittorent. 

De trail dient wel met het nodige respect behandeld te worden, want met name de eerste helft gaat behoorlijk steil omhoog. Via zigzaggende bospaadjes gaat het telkens steiler omhoog en dat gedurende honderden meters. Niet iedereen is een geoefend wandelaar en dat vertaalt zich in stramme beenspieren en geslaakte noodkreten die verkondigen dat men helemaal kapot is. Het zegt meer over hoe steil de paden hier zijn dan over de conditie van de reisgenoten. En spoiler: iedereen heeft de top van de Iceline Summit gehaald en dat is zonder meer knap te noemen als je niet gewend bent om dergelijke bergwandelingen te doen. 

De pracht van de wandeling begint pas in de tweede helft. Het hoogste deel van de route loopt namelijk over een rotsige richel direct onder meerdere gletsjers en ijsvelden van de President Range. Je wandelt dus min of meer langs de lijn van het ijs. Gek genoeg verandert het landschap hier in kale rotsvlaktes, maar die zijn op hun beurt een stuk diverser dan je zou denken. In de subalpiene rotsvelden groeien pioniersbloemen en struiken. Subalpiene weiden duiken plots op tussen kale plekken waar je dat het minst verwacht. Onder de grens van ijs en gletsjers tref ik turquoise bergmeertjes aan die gevormd worden door smelt- en regenwater. Tussen de morenen zie ik kleine smeltstroompjes, sneeuwvelden, depressies, rotsplaten en smeltwatervlaktes. Bij elke nieuwe bocht stap ik in een andere wereld. Samen met Erwin loop ik vooruit op de groep. We zeggen amper iets. Deze beelden zeggen meer dan eender welke zin. 

We bereiken de top waar we moeten zijn, maar een snijdende wind overtuigt ons om na een kwartier terug te gaan. Na een tijdje wandelen, komen we de rest tegen. Ik ga terug mee met hen. Dat betekent alles opnieuw doen. Dat is de beloning die ik krijg voor het sneller wandelen dan de rest. Want dit twee keer zien, is zintuiglijk genot in de puurste zin van het woord. Samen met de groep keer ik daarna terug naar beneden. Ik doe het rustig aan. Ik kijk toch uit met mijn omgeslagen rechtervoet van twee dagen geleden. Bij het stijgen gaat dit vlot, maar ik heb toch wat schrik bij het dalen. De nonchalance van twee dagen is verdwenen. Ik doe alles traag, voorzichtig en secuur. Mijn rechtervoet is me dankbaar.

De daling verloopt wat sneller. Al het moois is inmiddels al bewonderd. Nu is het uitkijken bij de rotsachtige stukken. Een onheilspellend pad gaat wel heel hard naar beneden. Medereizigster Sarah vraagt of we hier zijn gepasseerd. Ik denk het wel, maar dat blijkt niet te kloppen. Bij de stijging hebben we een al even onheilspellende trap genomen. Terug bij de voet van de Takakkaw Falls is iedereen diep onder de indruk van deze route. Helemaal terecht overigens. De dag belooft alleen maar mooier te worden, want vandaag rijden we langs de Icefields Parkway die één van de mooiste autowegen ter wereld wordt genoemd. Deze autoweg is namelijk een langgerekt paradijs voor natuurliefhebbers met blauwe meren, taloze gletsjers, spectaculaire bergtoppen en vele watervallen en kloven. 

Bow Lake
is één van de hemelsblauwe meren waar we stoppen. Hier merk ik dat de verzadigingsgraad steeds grotere proporties begint aan te nemen. "Het is zeker mooi, maar...", spookt er door mijn hoofd. De blauwtinten van het meer vallen in het niet bij al het andere blauw dat ik bij eerdere meren heb gezien. Dat betekent niet dat mijn grens is bereikt, want aan het einde van de dag word ik helemaal omvergeblazen door Peyto Lake. De intensiteit van het blauw concurreert met de mooiste kleuren die ik al in de natuur heb gezien en ook de vorm van het gigantische meer draagt bij aan de appreciatie van het meer. Via een uitgebreid uitkijkplatform krijg ik ruim de tijd om het langwerpige meer te bezichtigen. Het is moeilijk om het mooiste meer op deze reis te benoemen, maar Peyto Lake is in ieder geval een significante kanshebber. 

Bij Weeping Wall sta ik met de tranen in de ogen. Zijn we hier voor gestopt? Over de wand waar zich normaal een scherm van dunne watervallen bevindt, gaapt een grote leegte. De huilende bergwand zal er met watervallen beslist geweldig uitzien, maar nu is het een rotswand zoals duizenden andere. Het laatste uitkijkpunt van de dag is andermaal een meertje: Waterfowl Lake Viewpoint. Net zoals bij Bow Lake ben ik niet onder de indruk. Dat hoeft ook niet. Met de Iceline Summit en Peyto Lake heb ik al twee absolute kroonjuwelen van de Canadese Rockies gezien vandaag. En een kroon met te veel juwelen wordt te patserig.

zaterdag 29 augustus 2026

Reisverslag Canada deel één: rust en contemplatie

Verandering van spijs doet eten, zegt het spreekwoord en dat is zeker bij mij van toepassing. Vorig jaar maakte ik een unieke culturele tocht door China, Tibet, Nepal en India. Een reis die me diep heeft geraakt door haar emotionele intensiteit. Het was een echte ontdekkingstocht van gebedshuizen, tempels, paleizen, de leefwijzen van mensen en broeierige metropolen. In 2026 maak ik de omgekeerde beweging: op zoek naar rust en contemplatie in de Canadese natuur. Iets wat in augustus niet zo eenvoudig blijkt te zijn. 

Vrijdag 7 augustus
Voor alles is er een eerste keer
. Na deze dag mag ik deze platitude eindelijk zelf gebruiken. Al tientallen keren heb ik probleemloos gevlogen. Tot nu. De vlucht van Brussel naar Calgary via Montreal heeft een slachtoffer geëist: mijn trekkingrugzak. Die is ergens achtergebleven in het vagevuur van luchthavenland en nu moet ik hopen dat mijn rugzak alsnog op de juiste plaats terechtkomt. Hoe heeft het zover kunnen komen? 

Het begin van de dag heeft er wellicht iets mee te maken. Op vervelende wijze word ik 's ochtends geconfronteerd met de veiligheidsprocedures in de luchthaven van Zaventem die behoorlijk streng blijken te zijn. Een persoon is op de vlucht naar Montreal ingecheckt, maar daagt uiteindelijk niet op. Dan volgt de tamelijk draconische maatregel dat zijn bagage ook uit het ruim van het vliegtuig verwijderd moet worden. De beloofde tien minuten worden uiteindelijk twee ontzettend lange uren.  Alle bagage wordt eerst vakkundig uitgeladen en daarna opnieuw in het vliegtuig geladen. Een perfect begin van een spelletje mens-erger-je-niet, want de overstap in Montreal duurt welgeteld twee uur. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt de aansluitende vlucht voor het gemak met vijf minuten vervroegd. 

Dat betekent dus dat we in een te kloppen recordtijd de douaneprocedures mogen doorworstelen. Dat verloopt verrassend vlot, want in een reiswereld die de digitalisering omhelst én passioneel kust, mogen we voortaan alles zelf invullen. En als je vliegtuig met twee uur is vertraagd, kan dat behoorlijk snel gaan dus. Tien hypernerveuze Belgen tokkelen op een informatiepaneel al hun informatie die ze inmiddels van buiten kennen. Deze keer zijn we als het Amerikaans leger: we laten niemand achter. Als beloning rolt er een stukje papier uit de printer dat als voedsel dient voor de bureaucratische molen. De ongeïnteresseerde douaneambtenaars helpen door met ontzettend veel onverschilligheid te vragen wat we hier komen doen. De toerist uithangen! Met wie. Samen met de groep. Twee magische stellingen die ons de toegang tot Canada bezorgen. Wie zegt dat bureaucratie altijd lastig moet zijn? De medewerkers bij het autoverhuurbedrijf klaarblijkelijk. 

Want hier wordt ons geduld opnieuw op de proef gesteld. Elke komma, elk puntje en elke puntkomma moet op de juiste plaats staan om onze twee huurauto's af te halen. En dat duurt en duurt... De tijd is hier acht uur vroeger dan in België. Het zorgt ervoor dat we alsnog alles binnen één dag kunnen regelen. Soms heeft bureaucratie een dag van 32 uur nodig om alles gedaan te krijgen. Nou alles, bijna alles misschien. In de digitale papiermolen van de luchthaven van Calgary verneem ik dat mijn rugzak de transfer niet heeft gehaald. Op de app van Air Canada kan ik de lijdensweg van mijn rugzak - of beter gezegd mijn lijdensweg - volgen. Om 23 uur landt mijn bagage op de luchthaven, om één uur 's nachts wordt het naar mijn hotel verstuurd en om drie uur 's nachts hoor ik de verlossende deurbel. Het is de bureaucratie die aanbelt. Mét rugzak.        

Zaterdag 8 augustus
Ik moet iets bekennen. Als tienjarige was ik een filatelist. Het klinkt net iets deftiger dan postzegelverzamelaar. Ik plakte toen gretig postzegels van heinde en verre in de daarvoor bestemde boeken en ééntje verwees naar de Olympische Winterspelen die in 1988 plaatsvonden in Calgary. Dat is het enige waarvan ik deze Canadese stad ken. Daar blijft het ook bij, want vandaag vertrekken we onmiddellijk naar Banff in de Canadese Rocky Mountains. We zijn in dit geval tien gelijkgestemde Belgische zielen die met de reisorganisatie Beyond Borders drie weken door Canada trekken. In de augustuseditie is er geen Stampede Festival voorzien en dat laat ik met veel plezier aan mij voorbijgaan. Ik heb geen behoefte aan Amerikaanse toestanden waar iedereen getooid is met cowboyhoed en in stampende countrymuziek naar wilde rodeo's kijkt. Die Amerikaanse toestanden maak ik overigens wel mee bij de plaatselijke bakker. Alleen zoetigheden gaan hier over de toonbank. En liefst in  porties van zestien ounces. Enkel bij het ontvangen van deze suikerbommen blijkt hoeveel dit werkelijk is: 454 gram. Amerikaanse ongezondheid midden in Canada.       

De eerste tien dagen of zo worden de nachten al kamperend doorgebracht en dat betekent ook je eigen potje koken. We stoppen bij Walmart om inkopen te doen: droge voeding, voeding in blik, droog brood en cornflakes zijn de voornaamste ingrediënten. Nee, culinair hoogstand is het niet. Wel verbindend. De dagelijkse kookavonden zijn een moment om samen gezellig te verbroederen. En om het eten te vervloeken. Het blijft gastronomisch de variant van astronautenvoeding. De laatste belangrijke stop is de liquor store. Want ook Belgen in het buitenland blijven bourgondisch. 

In de namiddag arriveren we in het plaatsje Banff, de plaats bij uitstek om het gelijknamige nationale park te verkennen. Nadat de tent is opgezet, doen we dat in bescheiden formaat. Vlak naast de camping ligt namelijk Tunnel Mountain waar de top op ons wacht na een klim van ongeveer tweehonderd meters. Het is een korte wandeling. Of dat het mooi is, zijn de meningen verdeeld. De aarzelende gezichten verraden toch dat er meer spektakel wordt verwacht. Enkele dagen later geeft medereiziger Erwin toe dat hij het toch wat tegenvallend vond. Is dit nu Canada? Helaas wel, want Canada wordt geteisterd met een enorme rookontwikkeling door de talrijke bosbranden die hier plaatsvinden. Het geeft de lucht een heiig karakter, een soort van smog dat panorama's verft in een waas van onaantrekkelijkheid en kleurloosheid. En daar sta je dan aan de top: uitkijkend over een prachtige vallei, gedrenkt in walmen van rook en vuur.    

Later brengen we een bezoekje aan het stadje en dat valt heel erg goed mee. De Bow River deelt het plaatsje in twee en zorgt voor enkele pittoreske momenten. Met name de bruggen die over de rivier liggen, zijn dankbare onderwerpen om gefotografeerd te worden. Het decor van een uitgestrekt groen park, kristalheldere rivier en elegante bruggen brengen toch al het eerste streepje ongerepte Canadese natuur. Al is het deze keer wel in eerder bescheiden formaat.  

Canada heet één van de mooiste natuurbestemmingen ter wereld te zijn, maar weet het reisgezelschap inclusief mezelf nog niet helemaal te imponeren. Toch maken we er het beste van. We genieten van de kleine dingen. Brutale eekhoorns die nootjes eisen, worden op hun wenken bediend. Het bord dat zegt dat je geen wildlife mag voeren op boete van vijfhonderd Canadese dollar maakt weinig indruk. De kampeerplaats imponeert trouwens ook. We zitten middenin de prachtige natuur bij een Canadees dennenbos en stiekem is het hier eigenlijk mooier dan het nabijgelegen Tunnel Mountain. Natuur moet niet altijd wild of ongerept zijn.

Zondag 9 augustus
Misschien wel de mooiste dag van deze reis noemde ik deze derde dag. En nu de reis is afgelopen, blijf ik bij deze bewering. Nochtans is het een dag met contrasten, frustraties en drukte. Maar ook met ruimte voor spontaniteit, onverwachte ontmoetingen en een zee van rust. En dat maakt de beleving van deze dag wellicht zo speciaal. Zoals ik tegen anderen heb verteld op deze reis: "Soms moet je iets negatief ervaren om de goede dingen nog meer te appreciëren". En dat is op deze dag zeker gebeurd. 

Op papier belooft het inderdaad alvast een mooie dag te worden. We bezoeken namelijk twee absolute parels van bergmeren: Lake Louise en Moraine Lake. Hun omschrijving leest als een boek in een fantasiewereld. Turquoiseblauwe meren die omringd zijn met scherpe bergtoppen die rijzen vanaf de oevers en bedekt zijn met een indrukwekkende sneeuwlaag. De achtergrond van Lake Louise wordt bovendien gedomineerd door de indrukwekkende ijsmassa van Victoria Glacier. Foto's doen geloven dat het afbeeldingen zijn van een sprookjesboek, maar het zijn toch echt wel foto's die ik zelf heb genomen. Het minder leuke nieuws is dat deze plaatsen zowat onder de voet worden gelopen door toeristen. Parkeren is bijna een onbegonnen zaak en daarom rijden we er met een busje ernaartoe. De limiterende factor is tijd. We krijgen 75 minuten per meer. Genoeg tijd om foto's te nemen, te weinig tijd om de omgeving deftig te verkennen met een hike. 

Op dergelijke momenten is het gemakkelijk om de frustraties de vrije loop te laten. Ik kan klagen dat ik de legendarische wandeling van de Plain of Six Glaciers mis. Een hike die begint bij Lake Louise maar gestaag ruiger wordt en wandelaars brengt naar een buitenaards landschap van morenen en gletsjers. In plaats daarvan sta ik minutenlang aan de oever van Lake Louise dat ik moet delen met honderden anderen. Visueel behoort dit tot het allermooiste wat ik al gezien heb in mijn leven. Qua beleving is het echter bijzonder matig. Ik erger me aan het feit dat ik geen plaats heb, het geroezemoes zorgt voor een kabaal en de nervositeit van deze mierenhoop maakt mezelf nerveus. Er is echter hoop: een korte wandeling leidt naar een ogenschijnlijk mooi uitkijkpunt, Fairview Lookout. Na een kwartier stijgen, beland ik bij het uitkijkpunt. Het kijkt uit over de mensenzee waar ik daarnet nog was en over Fairmont Château Lake Louise, een bombastisch hotel dat in 1924 werd gebouwd om de welgestelde klasse aan te trekken. Het uitkijkpunt kijkt dus met andere woorden de verkeerde richting uit. Naar de massa, niet naar het meer.

In zeven haasten spoeden we ons naar beneden om op tijd bij de bus te zijn. Die brengt ons naar Moraine Lake. Alweer zo'n pareltje van absolute drukte. Hier is het nog erger omdat bijna alle mensen over de gelijknamige morenen - steenpuin dus - lopen. Het panorama heet hier nog indrukwekkender te zijn door de tien bergpieken die Moraine Lake omkransen. Stuk voor stuk bergreuzen die groter zijn dan drieduizend meter en gereflecteerd worden in het feeërieke water. Ja, het is adembenemend. Nee, het is geen topervaring. Het voelt aan als chique dineren in een sterrenrestaurant om vlak daarna het kleinste kamertje te bezoeken omdat je darmklachten hebt. Ik wil hier mijn ogen de kost geven, contempleren, genieten, me laten onderdompelen. In plaats daarvan erger ik me aan toeristen die vechten voor het mooiste plekje, de herrie en de onbeschoftheid van sommigen. Ook hier zijn de plaatjes mooi, maar de ervaring niet. 

Gek genoeg vind ik mijn rust en contemplatie wel later die dag. Samen met reisgenote Gaëlle trekken we er alleen op uit bij een wandeling van tien kilometer naar de Sundance Canyon. Hier ontdek ik de andere kant van Banff. Reusachtige pieken die ik nu eens niet moet delen met honderden anderen, een pad dat slechts sporadisch wordt bevolkt met andere mensen, de Bow River waar het smaragdgroene water contrasteert met het meer turquoise-kleurende meertje dat er vlak naast ligt of een snelstromende beek die links van mij ligt. Het is een eenvoudig mozaïeklandschap. Niet dramatisch zoals Lake Louise of episch zoals Moraine Lake. Maar wel authentiek. En dat is beter dan drama en epiek. Zeker als je dat al in overvloedige kwantiteit hebt gehad in de voormiddag. 

De Sundance Canyon stelt ook niet teleur. Het doet me wat denken aan de streek van Klein-Zwitserland in het Luxemburgse Müllerthal, maar dan wat groter uitgevallen. Langs de reusachtige rotswand stroomt de Sundance-kreek in hoog verval naar beneden. We wandelen langs bruggetjes, rotsen en kleine paadjes naar boven. Het is net wat avontuurlijker dan de klimmetjes die ik de voorbije dagen heb gedaan. Bij het verlaten van de kloof, wordt het laatste menselijke gezelschap vaarwel gezegd. Dolend door de singletracks van dit dennenbos keren we terug naar het beginpunt van de kloof. Het werkt verstillend. Iets wat ik bij het begin van de dag absoluut niet zou verwachten. 

De absolute ster van de dag is misschien wel de meest onverwachte ontmoeting van de reis. We keren via dezelfde weg terug tot we plots iets zien bewegen. Wat ruist er daar in het struikgewas? Het blijkt een zwarte beer te zijn. Daar heb ik me bij de derde dag Canada niet aan verwacht... Ik voel me niet op mijn gemak en heb toch wat schrik. Gaëlle heeft minder schrik om te fungeren als lunchbox van de beer en zou het liefst van al dichterbij komen. Gelukkig beschikt ze over een telefoon met goede videofunctie waarbij ze de beer van dichtbij kan filmen. Een groepje van Franstalige Canadezen voor ons heeft minder geluk en bevindt zich op enkele meters van de beer. In twee tijden verjagen ze het dier. Als toemaatje krijgen we bij het einde van de wandeling nog een muildierhert te zien. Een dag vol verrassingen, waarin schoonheid plots erg relatief blijkt.

zondag 2 augustus 2026

De noordelijke Kungsleden (sectie Abisko - Nikkaluokta)

Drie jaar is het geleden dat ik nog een trekking heb gedaan. Maar dan was het wel meteen ééntje van het formaat 'expeditie zonder weerga'. Een trektocht door het Karakoramgebergte naar K2 basecamp en de Gondogoro La in Pakistan. Sindsdien doe ik het wat kalmer aan. Hier en daar dagtochten op trails in de Benelux en ook veel wandelingen wanneer ik in het buitenland ben. Maar deze zomerperiode kon ik niet aan de kriebels weerstaan en boekte ik een weekje trekking in de Zweedse wildernis van de Kungsleden. Totaal onvoorbereid. Wat misschien niet eens zo'n slechte instelling was. De Kungsleden laat zich namelijk van haar mooiste kant zien wanneer ze jou kan verrassen. En dat deed ze bij mij heel erg. 

Maandag 13 juli

Van

Abisko

Naar

Abiskojaure

Afstand

15,3 km

Hoogtemeters

247 m

Tijd

3u18


Over zes dagen gaat de zon onder. Mijn Garmin attendeert me erop dat ik in het arctische gedeelte van Zweden ben. Bij Abisko begint mijn trekking door de Kungsleden, het koningspad. Het laatste stukje Europese wildernis wordt gezegd. Wanneer ik aan deze trekking begin, ben ik eigenlijk niet voorbereid. Ik wist dus niet dat de hutten geen stromend water kennen, dat er geen elektriciteit is en dat telefoonbereik onbestaande is. Want enkel wilden in de wildernis willen geen stromend water, elektriciteit en telefoonbereik. Bij het beginpunt van Abisko Turiststation doe ik mijn laatste inkopen, een gasflesje. Toch bekruipt me een gevoel, onderhuids en ongemakkelijk, dat ik iets vergeten ben. Het spookt door mijn hoofd, maar ik kan het niet plaatsen. Ik laat het los.

Ik begin dus totaal onvoorbereid aan de Kungsleden. Bij het begin blijkt dit een zegen te zijn. Het pad van de Kungsleden nodigt me uit om naar links te gaan. Ik hoor echter een enorme oerkracht, een debiet dat een ontelbare watermassa naar beneden laat storten. Het is de Abisko Canyon. In de diep uitgesleten kloof raast de Abiskojåkka-rivier als een bezetene. Ik volg het pad. Een uitkijkplatform staat me toe om de schilderachtige rivier vast te leggen. Ik volg het pad: steile wanden rijzen uit het water, cascades demonstreren de kracht van de rivier, het turquoise water betovert me. Ik ben één kilometer van de waterval zelf. Het mooiste van de Kungsleden op deze dag is niet de Kungsleden. Deze kleine vorm van spontaniteit maakt me blij. Met mijn eigen ogen onverwachte dingen ontdekken.

Ik moet echter stroomopwaarts. De eerste etappe van de Kungsleden naar Abiskojaure belooft een gemakkelijke te worden. Ik doe er ook maar 3u15 over. Dertien kilometer voor de officiële route en de twee kilometer die ik er zelf aan heb toegevoegd. Toch parelt het zweet van mijn hoofd na dertig minuten wandelen. Ook in het hoge noorden kan het relatief warm worden met negentien graden. Ik doe mijn grote backpack even uit. De jas verdwijnt in mijn rugzak. Even later volgt hetzelfde recept. Deze keer voor mijn trui. Stiekem zijn het ook rustmomenten. Rust om even te bekomen van de inspanning. Maar vooral ook rust om te genieten van de omgeving. Ik bevind me in een waterrijk gebied. "Het lijkt op de Hoge Venen", vertel ik tegen mezelf. "Ja, maar dan veel mooier en ongerepter", krijg ik als repliek. Ook van mezelf.

Stroompjes kabbelen hier op alle plaatsen. Mooie hangbruggen maken het mogelijk om ze droogvoets te trotseren. De eerste hangbrug fotografeer ik in volle overgave, na de derde is de magie van zo'n constructie toch wat minder groots. Het landschap heet hier wat minder spectaculair te zijn. Het valt me absoluut niet tegen. Het begin kent een intimere sfeer. Rechts van mij de kolkende Abiskojåkka-rivier. Links kleine berkenboompjes. Hooguit een paar meter hoog, dun en door de wind in de meest diverse vormen aangemeten. Kleurrijke fjällbloemen sieren het decor tussen de bomen. Een tapijt van gele lis en paarse dovenetel. Het geraas van de rivier dooft. Stroomopwaarts wordt ze breder en kalmer. Maar nooit ongetemd.

Het pad wordt langzaam moeilijker. De vlonders bij het begin worden na een aantal kilometers verruild voor een rotspad met keien. Langzaam transformeert het op haar beurt naar een grindpad. Even later gebeurt weer het omgekeerde. De bergtoendra van de fjälls, het arctische landschap van de hoogvlakte boven de boomgrens, is er nog niet. Dat hoeft ook niet. Ik waan me inmiddels in een Middeleeuws sprookjesbos. Een verlaten pad schampt een rots die bedekt is met groen korstmos. Het pad meandert naar een top, de horizon is vlakbij. Het landschap opent zich voor mijn ogen. En daar, op dat moment, bedenk ik iets. "Wat ben ik nu hemelsnaam in Abisko Turiststation vergeten te kopen". Ik blijf het antwoord schuldig.

Het geaccidenteerd parcours brengt me naar hoger gelegen sferen. Bijna vijfhonderd meter boven de zeespiegel om exact te zijn. Ik kijk uit over het uitgestrekte Abiskojaure. Vertaald: het meer van Abisko. Qua vindingrijkheid kan dit zich meten met historici. Zij noemden de dynastieke strijd tussen de Fransen en Engelsen van 1137 tot 1453 de Honderdjarige Oorlog. Ze duurde 116 jaar. Maar het meer van Abisko heeft geen vindingrijkheid nodig. Het komt toe met haar meest elementaire eigenschap: sereniteit. Hier wacht ook mijn eerste overnachting in een hut. Ik word op gelach onthaald wanneer ik vraag of ik mijn powerbank kan opladen. De enige stroom die je hier vindt, is die van de Abiskojåkka-rivier. Geïmproviseerde latrines buiten zijn uitgerust met een rol WC-papier. De enige vorm van luxe hier.

STEKSKES!! Het antwoord op mijn vraag die me al de hele dag tormenteert. Ik wil mijn droge voeding klaarmaken met mijn gasbrander. Maar dan moet je natuurlijk eerst wel vuur hebben. Dat miste ik dus al de gehele dag. Maar het vuur voor de Kungsleden brandt inmiddels wel.

Dinsdag 14 juli

Van

Abiskojaure

Naar

Alesjaure

Afstand

21,7 km

Hoogtemeters

605 m

Tijd

5u41


Ik sta hier in de barre fjälls van arctisch Zweden. Het voelt alsof ik een spelletje aan het spelen ben op mijn telefoon. Een rotspad overspoeld met de wildste stenen en rotsen daagt me uit. Tien bonuspunten als ik het haal. Een vlonderpad glinstert onder een dun laagje water. Mijn volgende level. Hier ga ik met zekere tred door. Alweer een hindernis genomen. Mijn hersenen belonen me met een dopamine-golfje na elke micro-overwinning. Geen wonder dat hiken zo verslavend is.

Turquoise dat krachtig stroomt. Melkachtig dat over de oppervlakte raast. Smaragdgroen dat aan de horizon flonkert. Teal dat de bodem kleurt. Grauwgrijs dat dreigt van de gletsjers. Een kleurenconsulent kan zich volop uitleven bij het identificeren van de kleuren van de rivieren Alesätno en de meertjes rondom Alesjaure. Ik sta aan een top en kijk uit over de imposante vallei. Dit netwerk van rivieren en meertjes slingert zich als een adder door de vallei. Ik vergaap me aan de kleurschakeringen van blauw en groen. Met opengesperde mond sta ik daar. Enigszins omdat ik toch wat moe ben van een tamelijk steile klim. Maar vooral omdat ik verstild sta bij zoveel natuurschoon. De Scandinavische natuur is hier puur. Pure schoonheid. Pure wildernis. Pure woestheid.

Alles is hier ongefilterd. Dat merk ik aan de vele waterlopen. Ik draag amper water bij me. Ik schep het gewoon op van de vele beekjes die ik hier tegenkom. Mijn water is ongefilterd. Net als deze natuur: onvervalst en onweerstaanbaar. Hier drink ik rechtstreeks van het landschap. Dronken van stenen en stilte. Waar de eerste dag een kennismaking is met de Kungsleden, bevind ik me nu volop in het hart. Bergtoendra zover mijn ogen kunnen reiken. Af en toe onderbroken door granieten bergwanden, watervallen en gletsjers. De lucht kleurt grauw en grijs. Het past wonderwel in deze rauwe wereld.

Toch begint mijn reis naar de bergwereld eerder rustig. Het pad naar boven is weliswaar steil, maar de rest van het landschap mist de grimmige noordse ongereptheid die ik associeer met de Kungsleden. Open vlaktes die uitnodigen om te kamperen. Het pad is nog verrassend goed bewandelbaar. Een kleed van gele en paarse bloemen vormt een natuurlijk schilderij op de contrasterende toendra. Ik zie een hangbrug die een schuimende rivier overspant. Hier slaat de stemming om. Hier eindigt de gematigdheid en beginnen de fjälls. Ruw en rauw.

Rotsblokken worden groter en frequenter. Ze liggen niet langer op het pad. Ze zijn het pad nu. Modder wordt een vaste metgezel. Eéntje die ik kilometerslang meesleur met mijn wandelschoenen. Waterlopen zoals beken en riviertjes betekenen voor mij nu lopen door water. Meestal gemakkelijk, soms door een razernij van waterstofdioxiden. Niet vallen is nu belangrijker dan mijn voeten droog houden. Maar de voeten blijven wonderwel droog. Ook de dreigende hemel wil zijn neerslachtigheid met me delen. Ik haal de volgende hut net op tijd vooraleer het begint te regenen.

Ik ben niet gehaast. Er is een boot die deze etappe met vijf kilometer verkort. Voor zeventig euro wel. Gemakzucht heeft zijn prijs. Ik ervaar ondertussen dat mijn dopamines samen dansen met endorfines, serotonines en noradrenalines in een complex chemisch proces. Ik word verliefd. Op de fjälls, maar ook op Alesjaure. Het meer dat zich nu links van mij bevindt. In een huwelijk tussen water en toendra zweef ik over de vlonders, waad ik door de beken en paradeer ik over de paden die inmiddels steenvrij zijn. Het wandelen verloopt naar het einde toe wat eenvoudiger. Het helpt bij het koesteren van deze wandeling. Mijn liefdesrelatie met het landschap wordt intenser. Ik wil meer. Meer water, meer fjäll. En zoals bij verliefdheden gaat, is meer daarom niet beter. Dat merk ik morgen.

Woensdag 15 juli

Van

Alesjaure

Naar

Sälka

Afstand

+/- 28 km

Hoogtemeters

+/- 800 m

Tijd

7u45


Was het nu 26 of 28? Het kan de naam van een spelprogramma zijn. In mijn geval is het eerder giswerk over hoe lang deze etappe eigenlijk nu is. Het magnum opus van deze sectie van de Kungsleden brengt me van Alesjaure naar Sälka via de Tjäktja-pas, het hoogste punt van mijn trektocht. Het gure weer lijkt mijn Garmin meer zorgen te baren dan mezelf. Na bijna vijf uur stappen ben ik namelijk al mijn gegevens kwijt. Via het touchscreen heb ik - of de regen - onbedoeld mijn gegevens gewist. Het overkomt me al voor de tweede keer op een paar maanden tijd. Ik denk dat ik toch eens moet leren om het touchscreen te desactiveren op regendagen.

Voor de goede orde: ik vermoed dat deze etappe ongeveer 28 km lang is, ongeveer 800 hoogtemeters telt en ik heb er ongeveer 7u45 over gedaan. Reken er echter op dat dit traject zelfs tien uur en langer kan duren. Ik bevind me in het hart van de Kungsleden. De arctische wildernis toont zich hier in haar vol ornaat: een snijdende wind, onophoudelijke regen, koude en een terrein dat steeds moeilijker wordt. Bergwandelaars halen hier energie uit. Dit is ook de thuis van de rendieren. Tussen Alesjaure en Tjäktja zie ik een roedel. Majestueus kijken ze me aan. Nederig kijk ik naar hen. Hun gewei dragen ze als een trotse kroon, een beloning om in deze ruigte rond te dolen. Over de typische vlonders moet ik wel vooruit. De rendieren vluchten naar links. Ik wil hun habitat niet verstoren. Maar ik moet wel vooruit. Ik draag geen kroon die bewijst dat ik kan leven door weer en wind.

Vandaag is ook de eerste echte ontmoeting met de talloze waterlopen. Die variëren van kalm tot kolkend en van klein tot imposant. Eén ding hebben ze echter gemeenschappelijk: ik moet erdoor. Eerst probeer ik mijn schoenen droog te houden. Geen goed idee. Ik glij meteen uit over de grote keien. Bij de tweede poging ben ik wat doortastender. Ik plaats mijn schoenen pardoes in het water. Geen compromis. Verrassend genoeg blijven mijn voeten tamelijk droog. Ik tel deze beken. Het zijn er één, twee, drie, vier, ... Ik stop met tellen, het zijn er simpelweg te veel. Eigenlijk is het een puzzel. Een herkenningsopdracht. Een oefening in logisch denken. Gebruik de breedste strook, daar waar het water het minst krachtig stroomt. Herken de stenen die ondersteuning bieden. Speur naar voetsporen van andere wandelaars. Wanneer ik een riviertje ben gepasseerd, zie ik in de verte een nog groter exemplaar dat op me wacht. "Waarom heb ik geen gaiters meegenomen", denk ik dan. Omdat ik totaal onvoorbereid naar hier kwam uiteraard.

De eerste zestien kilometers of zo gaan eigenlijk verbazingwekkend vlot vooruit, ondanks de aangekondigde hoogtemeters. De rivieroversteken vergen wat concentratie, de klimmetjes wat zweetdruppels, maar het terrein is hier nog vriendelijk voor de wandelaar. Ik krijg volop de tijd om te genieten. Van het mystieke karakter van de nabij gelegen bergreuzen die bedekt zijn met een sprei van mist. Dit is geen verlaten gebied meer. Dit is nu het land van de trollen en de dwergen. Wildstromende rivieren meanderen naar beneden. Soms starten ze van de gletsjers, watervallen en sneeuwvelden die ik hoog aan de bergtoppen zie. Het voelt hier niet koud, het is hier koud. In België is het nu 35 graden of zo. Ik prijs me gelukkig dat ik hier ben.

Na een kleine vier uur beland ik bij de Tjäktja-hut. Ik hoop een cola te kopen, maar er is helaas geen winkeltje hier. Ik sla een praatje met de huttenwaard die dit kleine complex onder zijn hoede heeft. Hij hakt hout in korte broek. Het is vijf graden. Hij zegt dat er een drinkbus staat met versgemaakte frambozenlimonade. Geplukt van bessen die hier groeien. Ik laat het me smaken. Ik werp ook nog een blik op de kleine, maar spectaculaire waterval die hier naar beneden stort. "Nog drie of vier uur", roep ik tegen de huttenwaard wanneer hij vraagt of ik naar Sälka ga. Ik weet nog niet dat het moeilijkste stuk zich nu aankondigt.

Het bergterrein wordt steeds prominenter. Rotsblokken en stenen plaveien mijn pad. Elke stap wordt ongemakkelijker. Ook ongelijk. Ik plaats dan mijn voet links tussen de rotsblokken, de volgende stap maak ik een grote boog om op een steen te staan, vervolgens zet ik mijn linkervoet weer een stuk lager. Fysiek is het niet vermoeiend. Mentaal des te meer. Geconcentreerd ben ik bezig met het ontrafelen van de ideale lijn. Ik ben niet zoals water. Water zoekt de weg van de minste weerstand. Ik beschik helaas niet over dat talent. Soms stop ik. Gewoon. Omdat het kan. Ik haal mijn telefoon boven. Ik film dit steenveld. Want één beeld meer zegt dan duizend woorden. En dan ga ik verder. Op het einde van de dag heb ik een klein beetje pijn aan mijn rechterschouder. De vele ongelijke stappen doen ook mijn backpack in alle richtingen meebewegen.

Dan is het tijd voor de bergpas van Tjäktja. De markeringen op de Kungsleden zijn altijd goed te noemen. Hier is het een beetje zoeken. In de verte zie ik de schuilhut, daar moet ik naartoe. Maar hoe? Over de bergstroom die naar beneden valt? Over het sneeuwveld dat er onaangeroerd bijligt. Ik ben opnieuw op zoek naar de ontbrekende puzzelstukjes. Die zijn er. Maar het vergt wat moeite om ze te zien. Achteraf blijkt de passage van deze bergpas nog relatief eenvoudig te zijn. Achteraf bekeken, zegt men weleens. Het moeilijkste stuk blijkt daarna te liggen. De daling is net zoals de Kungsleden: scherp en onvergeeflijk. Recht naar beneden is goed voor één gratis valpartij. Ik bedank voor het aanbod. Ik zoek zigzaggend van links naar rechts een weg. Als die niet bestaat, creëer ik die wel. Via rotsen, graszodes en geërodeerde paadjes beland ik beneden. Missie geslaagd.

In de verte zie ik een enkel blauw en oranje stipje eenzaam in de fjälls bewegen. Het zijn de wandelaars die mij voorgaan. Vechtend met de regen die dit berglandschap heeft herschapen tot één grote modderpoel. Balancerend op de typische vlonders die nu gevaarlijk glad zijn. Springend van steen tot steen in deze puinhoop van rotsblokken. Ik denk terug aan mijn drie of vier uur die ik al voorspellend zei tegen de huttenwaard van de Tjäktja-hut. Het worden uiteindelijk vier uren. Ondertussen moet ik nog een uurtje door de fjälls dwalen. Vechtend, balancerend en springend. Als een blauw stipje voor de wandelaars achter mij die net van de Tjäktja-pas komen. Ik ben blij als ik bij de Sälka-hut arriveer. Want ik ben afgemat. Niet fysiek, wel mentaal. De voortdurende puzzel van waar ik mijn voeten moet zetten. Bij de steenvelden, bij de rivieroversteken, bij de dalingen. Nu zet ik mijn voeten bij de houtstoof. Dat vergt geen puzzel die opgelost moet worden.

Donderdag 16 juli

Van

Sälka

Naar

Kebnekaise

Afstand

26,1 km

Hoogtemeters

735 m

Tijd

7u45


Serendipiteit: de kunst om per toeval iets waardevols te ontdekken terwijl je eigenlijk naar iets anders op zoek bent. Het overkomt me op deze vierde dag van de Kungsleden. Na de stevige wandeling van gisteren heb ik mijn portie rotsachtig terrein wel achter de kiezen voor deze week. De hut bij Singi is naar verluidt een verlaten eiland in een zee van rotsen en steenpuin. Daarom opteer ik voor de bergpas over de Guobirvággi. De beste beslissing van de week.

Het ritme van de berghutten gaat ook tijdens mijn derde nacht onverminderd door. Om zes uur ontwaak ik. Inpakken, even een sanitaire stop doen en snel wat water halen. Het refrein dat ik al drie ochtenden lang zing. Het couplet klinkt deze keer anders. Ik ontbijt niet. Mijn noedels zijn op en mijn blik tonijn houd ik voor later. Op een lege maag vertrek ik om kwart over zes door de gapende leegte van dit berglandschap. Ik kom even later ook collega's tegen met een lege maag. Het zijn de muggen die zwerven bij het stilstaande water van enkele fraaie meertjes. Het weer vandaag is wat milder, geen harde windvlagen meer, maar wel zachte briesjes. De onheilspellende wolken zijn verdwenen. De zon staat als een gigantische schijnwerper aan het firmament. Dat maakt dat het weer muggenweer is. En ik ben het ontbijt. Na een heldhaftige veldslag met het plaatselijke insectenbestand roep ik hulp in. Mijn flesje Deet van het Kruidvat. De muggen trekken zich terug. Ik heb nu meer tijd om dit fraaie schouwspel te bewonderen. Een bundel zonnestralen forceert een doorgang door het wolkendek. Een prachtige zonnevlek fleurt deze vallei op. De meertjes reflecteren de pieken van de fjälls. Het idyllische landschap waar natuurfotografen van dromen en waar ik nu midden in sta. Soms voelt het hiken van de Kungsleden aan als een privilege.

Op een geaccidenteerd terrein dein ik als een golf over de paden. Op en neer. Op en neer. Eerst gaat mijn jas uit. Het enige vocht dat ik op deze dag tegenkom, parelt uit mijn zweetklieren. Later gaat ook mijn trui uit. Inmiddels ben ik er al aan gewend dat mijn kleren naar zweet ruiken. Ikzelf ook trouwens. Een delta van bergstroompjes snijdt als een mes door boter in dit terrein. Wildstromende rivieren zijn echter voorzien van hangbruggen die ik al talloze keren ben tegengekomen op de Kungsleden. Ik moet hooguit een kalm beekje oversteken. Het waden is vandaag kinderspel. Hoewel ik in T-shirt loop, is het niet erg warm. Toch word ik warm. Van de inspanningen. Van het bergdecor en de groene bergtoendra die mij prikkelen. Schaduwen van wolken projecteren zich op bergwanden. Een open blauwe hemel ontvouwt zich voor mij. Het landschap is hetzelfde als gisteren, het uitzicht totaal anders. De mooiste momenten zijn wanneer ik bovenaan een plateau sta. Dan word ik getrakteerd op de mooiste panorama's.

Mijn tredzekerheid ligt nu iets hoger dan gisternamiddag. Het bergachtige terrein heeft uiteraard natuurpaden voor mij in petto. Die bestaan zoals verwacht uit steenpuin. Maar ook grindwegen waar ik dat niet verwacht. Het vergt een tikkeltje minder concentratie. Meer rust voor mijn brein. Op een schuilhut hoor ik mensen. Het zijn trekkers die de hut gebruiken als gratis slaapplaats. Ik gebruik het als gratis toilet. Zelfs zonder ontbijt krijg ik in een plotse opwelling last van de darmen. Het buitentoilet brengt echter sanitaire redding. Na één kilometer kom ik bij de splitsing. Links naar de hoogteroute door Guobirvággi. Rechts naar Singi. Ik verkies dus de eerste optie. Om de steenpuinvelden te vermijden. Omdat het korter is. Officieel drie kilometer, de huttenwaard van Sälka vertelde me gisteren dat het echter één kilometer is. In het midden van zo'n trail doet het er eigenlijk weinig toe.

Waarom het een hoogteroute is, wordt snel duidelijk. Een weinig aantrekkelijk tweesporenpad leidt me in een halve ovaal naar boven. Ik verwacht elk moment een tractor, de sporen lijken gevormd te zijn door plaatselijke boeren. Maar die zijn er uiteraard niet. Ik heis mezelf een weg naar boven. Letterlijk. De stijging van tweehonderd meter kost me meer moeite dan ik wil toegeven. Ik bevind me hier wel op onbekend terrein, ik heb namelijk de officiële Kungsleden verlaten. Geen rode markeringen, wel steenmannetjes die me de weg vertellen. Samen met mijn gezond verstand en de voetsporen van andere wandelaars zijn zij mijn gids op deze bergpaden. Soms is er geen pad en moet je zoeken in het terrein naar de meest logische doorgang. Die is er altijd.

Na de saaie opening van deze hoogteroute regisseert de Guobirvággi als een volleerd regisseur een prachtig bergtheater voor mij. Het klassieke landschap van de Kungsleden wordt verlaten voor een wereld van spiegelmeertjes, granieten bergflanken en alpiene weides. Ik krijg spontaan een déjà-vu naar de Alta Via 1 waar ik ook uitrustte in groene weides. De spectaculaire bergwanden die ik anders in de verte zie, bevinden zich hier op enkele tientallen meters van mij. Met grote nederigheid begeef ik me naast deze reuzen. De spiegelmeertjes zijn hier azuurblauw. Niet grauwgrijs zoals in de vallei. Zou dat komen omdat ze gevoed worden door de kletterende watervallen die naar beneden storten uit de bergen? Het zijn momenten waar één beeld meer zegt dan duizend woorden.

Ongerept is het woord dat bij me opkomt in deze off-grid versie van de Kungsleden. Geen vlonderpaden of markeringen, wel kleine kloofjes met een diepte van twee meter waar in een meanderende waterloop het water naar beneden stroomt. Deze waterlopen oversteken is hachelijk werk soms. Steil omlaag om in het kloofje te belanden en opnieuw steil omhoog om het kloofje te verlaten. Dat verscheidene keren opnieuw. Steenpuinvelden zijn hier ook. Beperkt in formaat, maar wel ongetemd. Het landschap is hier ruwer. Met de zon hoog aan de hemel kan ik eigenlijk niet verloren lopen. In guur weer lijkt me dit veel waarschijnlijker. Wanneer ik daal, is dit mijn laatste kans om deze adembenemende weidse vergezichten te koesteren.

Na vijftien kilometer sluit ik aan bij het originele traject van de Kungsleden. Vijf uur heb ik helemaal alleen in dit decor getrokken. Ik stop even bij de splitsing waar de Kungsleden samenkomt met de route komend van Guobirvággi. De illusie dat ik alleen op dit traject ben, wordt meteen doorprikt. Twee dames kom ik tegen wanneer ik uitrust op een rots. Ik beantwoord hun blik met een instemmende lach. De lach die vertelt dat ik een andere, mooiere wereld heb gezien dan hen aangezien ze van de Singi-hut komen. Dit is geen arrogantie. Dit is serendipiteit.

De paden hier zijn naar goede gewoonte old school Kungsleden: vlonderpaden over drassige stukken, steenpuinvelden met modderachtige fragmenten en natuurpaden bedekt met rotsen. Aan mijn rechterzijde vind ik opnieuw een snelstromende rivier. Ik bevind me nu in de wereld van de Kebnekaise, de hoogste berg van Zweden. Deze tweeduizend meter hoge berg vereist een stevige klim over bijzonder rotsachtig terrein, maar hier is dat niet aan de orde. Integendeel, hoe dichter ik bij mijn eindbestemming kom, hoe opener het terrein wordt. Grote grindpaden ontvangen tientallen wandelaars en klimmers. Het zijn mensen die hier in de buurt wandelen of komen van de westelijke route van de Kebnekaise. Zo'n legertje klimmers snijdt me de pas af. Antiserendipiteit: de kunst om per toeval iets nadeligs te ontdekken. Ik schakel een versnelling hoger en haal hen in. De eindmeet is in zicht. Denk ik.

Dat blijkt de laatste kilometers behoorlijk tegen te vallen. Na zeven uur wandelen snak ik naar de eindbestemming. Ik krijg er echter een grillig bergterrein voor terug. Over rotsachtig terrein moet ik zelfs nog goed opletten waar ik mijn schoenen zet. Eén keer moet ik zelfs met mijn achterwerk van een rots springen. Nee, de eenvoudige wandelweg waarvan ik droomde, is dit niet. Wel een prachtig landschap trouwens. De rotsvelden, de kloofjes, het wilde water. Daar waar ik anders over droom, vervloek ik nu. De wispelturige geest van iemand die 26 kilometer over de Kungsleden wandelt. Om twee uur 's middags ben ik bij mijn eindbestemming: Kebnekaise Mountain Station. Klaar voor een rustdag. En misschien kwaad op mezelf omdat ik de laatste kilometer heb vervloekt en er te snel ben doorgegaan. De lijn van serendipiteit en antiserendipiteit is soms dun.

Vrijdag 17 juli

Van

Kebnekaise Mountain Station

Naar

Tarfala en terug naar Kebnekaise Mountain Station

Afstand

18,6 km

Hoogtemeters

770 m

Tijd

5u35


In Kebnekaise Mountain Station heb ik weer even contact met de buitenwereld. Ik heb elektriciteit om mijn GSM op te laden. Ik verwen mezelf met een appetijtelijk driegangenmenu in het restaurant. En het meest van al geniet ik nog van de douche die ik vier dagen lang heb moeten missen. Vandaag wordt het een rustdag. Het plan om de Kebnekaise zelf te beklimmen heb ik laten varen. Te veel wind, mist en stenen. Het alternatief wordt de Tarfala-vallei. Een turquoise gletsjermeer in een iconisch landschap dat wordt gevoed door drie gletsjers. Maar wat heet rusten. Ook deze wandeling strandt uiteindelijk op 18 kilometer, 770 hoogtemeters en een duur van 5,5 uur. Met mijn dagrugzak wordt het wel een stuk lichter wandelen.

Ik vertrek vandaag om negen uur. Het voelt bijna misdadig aan na de vroege vertrekken van de afgelopen dagen. Kebnekaise Mountain Station is bijna een klein dorp in de Zweedse wildernis. Helikopters brengen mensen naar de top van de hoogste berg van Zweden. Bergbeklimmers beproeven hun geluk met eigen spierkracht. Maar je kan hier ook uitgebreid wandelen of aan bouldering doen. Dus genoeg te zien en te doen in de buurt en dat maakt dat er hier een heel netwerk aan paadjes ligt. Op goed geluk volg ik het kaartje op Komoot. Ik zie een hoop mensen voor mij. Uiteraard ben ik niet te beroerd om hen voorbij te steken. Ze moeten maar niet in mijn weg lopen. Een blik van verontwaardiging is mijn deel. Het laat me koud. Het blijkt echter een rij wachtenden te zijn voor de helikoptervlucht. Met het schaamrood op de wangen, maak ik rechtsomkeert. Op zoek naar het juiste pad. Dat vind ik nu wel. Het blijken de eerste twee kilometer van mijn volgende etappe te zijn naar Nikkaluokta.

Deze etappe is wat makkelijker omdat het de bergwereld van de Kungsleden verlaat. Dat merk ik. Een verzameling vlonderpaden brengt me gestaag naar beneden. De eerste twee kilometer gaat verbazingwekkend vlot. Ik ontwaar hier de flora die ik vier dagen eerder zag bij Abisko. Bosjes van berken, bloemen en struikgewas. Vervolgens is er maar één juiste weg: naar boven. Links van mij is er de Tarfalajokk. De zoveelste kolkende rivier die mijn pad kruist. Ik volg de rivier stroomopwaarts. Dit is het gemakkelijke stuk. Natuurpaden die baden in het wit van berkenboompjes en het groen van toendrastruiken. Af en toe is er een plas met modder die ik moet overwinnen. Soms een rots waar ik over moet stappen. Sporadisch moet ik het pad zoeken omdat ik te dicht bij de oever van de rivier ben en het pad zwenkt onverwachts naar rechts. Het klinkt wild, maar het voelt eerder gematigd aan. De beschaving is niet ver af. Dat merk ik aan de elektriciteitspalen. Die duiken in het rechterdeel van mijn blikveld op.

Via hangbruggen ga ik eerst naar links en dan opnieuw naar rechts. Het is een dubbele poort die de alpiene wereld aankondigt. Gestaag slingert het pad zich als een reusachtige anaconda langs morenen, rotsblokken, stroompjes, kloven en grind naar boven. Het groen transformeert tot tinten van grijs, bruin en zwart. Het landschap schreeuwt somberheid uit. Het weer ook. De vallei van Tarfala is berucht omwille van haar gierende wind en die bijt in mijn huid. Ik trek mijn regenjas extra strak aan. De regen spat tegen mijn bril. Ik zet hem af, ga verder en maak het glaswerk proper. Wanneer ik mijn bril terug opzet, duurt het welgeteld een handvol seconden voordat die weer troebel is door het regenwater. Het is duidelijk dat de weergoden op deze plek nooit rusten.

Bijna geruisloos ga ik over in een ander universum. Dat van de gletsjers die ik bijna kan voelen door hun koude. Dat van de gletsjermeren waarvan ik soms flarden van kan opvangen. En dat van de ijselijke wind die hier door de vallei jaagt op zijn prooi: wandelaars. Ik zie een enorm grote, zwarte waterslang liggen. Voor verloren gelopen wandelaars de ultieme markering. Het brengt me naar het Stockholm Research Station. Sinds 1949 doet deze universiteit onderzoek naar de Storglaciären, Isfallsglaciären en Kebnepakteglaciären. De drie gletsjers vormen een spectaculair uitzicht bij de Tarfalahut die één kilometer verder ligt. Omhuld in dichte mist zie ik dat de bergpieken een dambord vormen van gletsjerijs en stenen. Even later weet ik waarom.

In de ruigte van deze kleine bergwoestijn ben ik amper een levende ziel tegengekomen. In het onderzoeksstation bespeur ik niemand. Onderweg heb ik amper één persoon gezien. Het terrein en het weer zijn dan ook weinig uitnodigend. Net als op dag drie ben ik bezig met een mentale puzzel waar ik mijn voeten moet zetten. De puzzelstukjes zijn nu wel gemakkelijker. Regelmatig zie ik zoden gras die eilandjes van stabiliteit vormen in deze morenen. Mijn test van geduld wordt eindelijk beloond wanneer ik het gletsjermeer van Tarfala zie. Het bestaat uit verscheidene kleurschakeringen. Bij goed weer tenminste. Nu zie ik enkel de turquoise kleur die in een wereld van grauw en grijs toch wat atmosfeer uitademt.

Ik word weggeblazen hier. Figuurlijk door de weemoedige uitstraling van deze plek. Maar ook letterlijk door de wind die hier stormachtig raast. Het weerhoudt me er niet van om een praatje te slaan met de plaatselijke huttenwaard. Die is blij om een wandelaar te zien. Hij weet me te vertellen dat ik toch wel een beetje een durfal ben. Slechts twee mensen verblijven hier. En twee anderen heeft hij nog gezien. Ik bevind me in een exclusief gezelschap. Het vervolgverhaal beklijft me toch meer. De kranige zestiger vertelt over hoe de drie grote gletsjers de gehele bergpieken bestrijkten. Over het terugtrekken van de gletsjertong die ieder jaar een fractie korter wordt. Over paden waar ijsspleten steeds gevaarlijker worden door opwarming. Met pijn in het hart vertelt hij over een prachtige gletsjer die nu helemaal is verdwenen. Zijn blik staat op oneindig, maar zijn woorden zijn gevormd met tranen. De wereld is in verandering, maar helaas niet op de goede manier. Ik kan zijn verhaal enkel beantwoorden met een stilzwijgen dat veelzeggend is.

De terugweg belooft gemakkelijker te worden, maar in beperkte mate. Het blijkt dat ik op deze etappe hetzelfde tempo loop als tijdens de overige dagen. De bodem leent zich hier niet voor snelwandelarij. Hoewel ik nu geen grote trekkingrugzak meedraag, maakt het eigenlijk weinig uit. Op mijn terugweg verbaas ik mezelf hoe lang deze route toch wel is. Bij het stijgen lijken de morenen, rotsvelden en natuurpaden helemaal niet zo lang te zijn. Bij het dalen moet ik echter terugkomen op mijn mening. Het geeft me wel de gelegenheid om deze omgeving te appreciëren. De ietwat kleurloze - sommige kwatongen zouden misschien zelfs zeggen troosteloze - wereld wordt bevolkt met enkele curiosa. Zoals enkele metershoge ronde rotsblokken die het terrein afbakenen. "Tot hier en niet verder", lijken ze te zeggen. Ik respecteer hun autoriteit.

De grootste uitdaging is echter het weer. Dat laat zich zien in zijn meest grillige vormen. De harde wind en motregen ben ik inmiddels gewoon. Maar met een magische vingerknip is dat plots verdwenen en staat de zon aan het zenit. Zelfs in het koude klimaat van het boreale Zweden kan het kwik plots spectaculair stijgen. Ik begin het warm te krijgen en wil even stoppen om mijn jas uit te trekken. Dat is echter niet nodig. Met diezelfde vingerknip heeft de magie van de zon plaatsgemaakt voor de wind en regen van enkele minuten geleden. Het is symptomatisch voor hoe onvoorspelbaar het weer hier is. De Tarfalajokk dendert naar beneden. De alpiene poort van de twee hangbruggen belooft beter weer. Het is ijdele hoop. Ook bij de berkenbomen en toendrastruiken houdt de koude wind me in een ongemakkelijke klem. Eigenlijk is dat zo gek niet. Ik ben geklommen tot 1140 meter en zelfs honderden meters lager onderga ik de rauwe natuurwetten van het plaatselijke bergterrein.

Bij de laatste twee kilometers wordt het landschap opnieuw wat vriendelijker voor de kuiten. Gestaag volg ik de vlonderpaden terug om naar Kebnekaise Mountain Station te wandelen. Ik ben terug in de bewoonde wereld. Het krioelt van de mensen die van en naar Kebnekaise gaan. Om half drie 's middags ben ik opnieuw binnen. Later ontmoet ik in mijn slaapzaal enkele Zweden die naar de top van de Kebnekaise wilden gaan. Het is hen niet gelukt. Te veel wind, mist en stenen. Ik vertelde over mijn avontuur naar Tarfala. Veel wind, mist en stenen. Maar nooit te.

Zaterdag 18 juli

Van

Kebnekaise Mountain Station

Naar

Nikkaluokta

Afstand

19,5 km

Hoogtemeters

240 m

Tijd

4u36


Dezelfde etappe, een andere werkelijkheid. Dat merk ik gedurende mijn verblijf van twee dagen bij Kebnekaise Mountain Station. Bij het diner op de eerste dag ontmoet ik iemand die naar de top van de Kebnekaise gaat de dag erna. Vier uur. Meer had hij niet nodig om van Nikkaluokta naar hier te wandelen. De dag erna ontmoet ik een groepje uitgeputte mensen. Ze komen net terug van de klim naar de Kebnekaise. Hun poging strandt in de mist, wind en stenen. Geen wonder. Ook zij waren de dag voordien uit Nikkaluokta vertrokken. Maar liefst tweeëndertigduizend stappen hadden ze gedaan om naar Kebnekaise Mountain Station te wandelen. Op de Kungsleden is geen enkele etappe hetzelfde. Voor niemand. Dus ook niet voor mij.

Ik breek er een beetje mijn hoofd over, want ik zit met een puzzel in mijn hoofd. Deze keer niet waar ik mijn voeten tussen de rotsen moet zetten. Wel over hoe ik de tijd best invul. Rond vijf uur wacht er namelijk de bus naar Kiruna. Ik wil zeker niet te laat arriveren, maar ook niet te vroeg. Ik gok op een vertrek om tien uur 's ochtends. Dan kan ik rustig ontbijten, inpakken en ontspannen vooraleer ik aan de laatste wandeldag begin. Bij aanvang ontmoet ik een oude bekende: de vlonders die ik gisteren al heb gedaan. Ik ken hun zachtmoedig karakter. Lichtjes stijgend, maar voornamelijk dalend. Af en toe glimlach ik tegen een rotsblok waar ik over moet. Ik kijk in de lucht. Ik zie een rode helikopter door de lucht klieven. Diezelfde helikopter waarvoor ik gisteren een heel rijtje wachtenden heb voorgedrongen. Het lijkt alsof de hemel de laatste dag van de Kungsleden samen met mij viert. Ze is op haar blauwst. Alles straalt rust uit. Tijdelijk toch.

Mijn odyssee uit deze wereld van bergtoendra doet denken aan de openingsetappe. Dat is niet gek, want zowel Abisko als Nikkaluokta gelden als toegangspoorten tot deze wildernis en de overgang begint kalmpjes. Het echte werk begint pas één dag later. Niettemin zitten er best wel pittige stukken op deze etappe. De zon maakt het behoorlijk warm voor me. De vele rotsblokken die hier het pad bedekken nog meer. Het behoort inmiddels echter tot het vaste beeld van de Kungsleden. Kleine klimmetjes maken deze stukken toch vermoeiender. Van de uitlooproute die ik voor ogen heb, blijft momenteel weinig over. Ik houd even halte om wat te rusten en te drinken. Ondertussen zie ik iemand met snelle tred mij passeren. Het is de man die twee dagen eerder op vier uur naar Kebnekaise Mountain Station wandelde. Met dit tempo gaat hij het zelfs sneller doen.

Met 19,5 kilometer is deze route beslist niet kort te noemen. Voor mensen die dit echt niet zien zitten, bestaat er een cheatcode. Net zoals bij dag twee is er namelijk een boot die zes kilometer over het plaatselijke meer vaart. En net als bij dag twee tegen een veel te hoge prijs. Elke kilometer zie ik een bord verschijnen hoeveel kilometer het nog tot deze boot is. Zes kilometer, vijf kilometer. Regelrechte psychologische oorlogsvoering tegen vermoeide wandelaars. Bij mij gebeurt het omgekeerde: ik krijg energie. Het zonnetje en de blauwe hemel stemmen me gelukkig. Ik fotografeer een veldje van katoenbloemen die fotogeniek voor een tafelberg liggen. Ik bewonder in de open valleien de vele wandelaars uit omgekeerde richting die hun frisheid omzetten in een mooie glimlach. Het is nectar voor mijn energiespiegel.

Deze etappe sleurt nochtans een slechte reputatie met haar mee. Ze is naar verluidt monotoon. Ik ben het er volmondig oneens mee. Open valleien, beekjes, kleurrijke bloemen, bergwanden en een groot meer. Gooi deze woorden in eender welk wandelverslag en je beleeft een topwandeling. Niet bij de Kungsleden. Hikers zijn hier inmiddels verworden tot verwende nesten. Alleen tevreden met het allerbeste. Dat is deze route niet, maar wel zonder meer mooi. De waardering wordt bij mij ook groter naarmate de vele vlonders me helpen bij het overwinnen van het terrein. Het is duidelijk dat dit pad niet alleen bestemd is voor wandelaars op de Kungsleden. Veel dagjestoeristen komen hier ook. Zij krijgen meer comfort dan de wandeltoerist die de Kungsleden doet, zoals ik. Ik laat het me welgevallen.

Langzaam wordt het pad groter: van een singletrack natuurpad groeit het naar een breed grindpad dat als een grootvader zijn gehele wandelfamilie omarmt. De slechte reputatie van deze route komt voornamelijk hier vandaan. Voor mij zorgt het voor mentale rust. Gewoon even op automatische piloot wandelen zonder me zorgen te maken of ik mijn voet verstuik of verloren loop. Dat voelt lekker na vijf dagen mentale inspanning. Verreweg mijn grootste vermoeidheid deze week. Bij het pontje waar de veerboot mensen afzet, stuit ik op een grote verrassing. Ik zie een knap staaltje van post-moderne architectuur in Scandinavische stijl. Het restaurant Enoks verwacht je niet op deze plek, zes kilometer voor Nikkaluokta. Hamburgers met rendier zijn hun specialiteit, maar ik houd het bij een simpele koffie. Ik kijk even naar de klok. Het is kwart over één. Die bus om vijf uur ga ik zonder problemen halen.

Het laatste kwart van deze wandeling is meer contemplatief. Ik kijk terug op de herinneringen die ik heb gemaakt onderweg. Over het totale gebrek aan voorbereiding. Over de serendipiteit op dag één en dag vier bij het ontdekken van de Abisko Canyon en de hoogteroute langs Guobirvággi. Over de imposante kudde rendieren die ik zag op dag drie. Ik nader Nikkaluokta. De grindweg wordt nog breder en drukker. Toch vergeet ik ook hier niet om te genieten van de natuur die nog steeds volop aanwezig is. De zoveelste kolkende rivier, de zoveelste vlonder, de zoveelste granieten bergwand. Zoveelste is hier een ordinaal getal dat wandelgeluk uitdrukt.

Ik ben aan het einde. In de verte prijkt het bordje Nikkaluokta op een ietwat bizarre palenconstructie. Wandelaars nemen er hun verplichte afscheidsfoto. Of is het een foto van het begin? Ik let er niet op. Ik heb enkel oog voor de bushalte die hier ergens is. Ze is moeilijk te missen volgens de uitleg die ik heb gekregen. Toch ben ik wat zenuwachtig, want na een etappe van bijna twintig kilometer heb ik niet veel zin om nog te zoeken naar een bushalte. Dat is niet nodig. Nikkaluokta is slechts een verzameling van een restaurant en een aantal chalets. De bushalte is zoals Rome. Alle wegen leiden er naartoe. Eenmaal aangekomen, stop ik ook de tijd. 4,5 uur heb ik over deze wandeling gedaan, of wel goed voor tweeëndertigduizend stappen. Wat was het ook alweer? Dezelfde etappe, maar een andere werkelijkheid.

Conclusie
Zonder verwachtingen ben ik aan de Kungsleden begonnen en wat ben ik onderweg toch verliefd geworden op deze arctische streek. De wind was snijdend, de koude bijtend en het weer guur. En dat maakt deze tocht zo mooi. Dit is een bergwereld die glimlacht als de zon schijnt, maar bulderlacht als het weer somber is. Dit is het beste decor voor de bergtoendra en vele stroompjes die je hier vindt. Voor mij vroeg het soms wel mentaal uithoudingsvermogen op dag drie en vier. Lange dagen waar vooral het voetenwerk tussen de morenen een onophoudelijke concentratie vraagt. Maar eenmaal aangekomen geniet ik des te meer van de wandeling. Mijn uitstap naar Tarfala is hierop de ideale aanvulling. Deze gletsjerwereld brengt iets wat ik nog niet op de Kungsleden tegenkwam: nog meer ruigte en nog meer slecht weer. En ik had het niet anders gewild.