Zaterdag 22 augustus
Klaarblijkelijk ben ik legendarisch. Twee jaar geleden ben ik op weinig gracieuze wijze in een gletsjermeer getuimeld bij een kajaktocht in Noorwegen met een reis van Beyond Borders. Sindsdien leef ik als fikse waarschuwing dat men voorzichtig moet zijn bij het navigeren met een tweepersoonskajak. Dat is niet onmiddellijk de wijze waarop ik herinnerd wil worden, maar om Oscar Wilde te citeren: “The only thing worse than being talked about is not being talked about”. Dat belet me er niet van om nu een nieuwe poging te ondernemen. Net als bij het mountainbiken doe ik dat als einzelgänger van de groep. Een Duitse vader treedt op als mijn gelegenheidsstuurman aangezien ik hem naar de achterste positie dirigeer. De plaats waar de pedalen staan om het roer te bedienen, een taak die ik zelf niet zie zitten.
Een Belgische schone is vrij verrassend mijn gids voor deze ochtend. Ze komt graag naar Canada en kajakt nog liever. Ik ben in goede handen dus, want kajakken op zee is toch voor stoere bonken. Het ontembare water van de zee, de harde wind die van geen ophouden weet en metershoge golven die enkel met de allerbeste precisie bedwongen kunnen worden. Dat is het beeld dat ik heb over zeekajakken, maar het plaatje bij Clayoquot Sound ziet er in realiteit wel totaal anders uit. Het water bij de oevers is opvallend ondiep, de enige golfjes zijn afkomstig van watervliegtuigen die opstijgen en het is windstil deze ochtend. Mijn kajaktocht op het Noorse gletsjermeer met de bijna onuitspreeklijke naam Styggevatnet was moeilijker en zwaarder dan deze tocht.
Het begin verloopt wat aarzelend, maar na tien minuten gaan de drie kajaks al vlot langs de verscheidene eilandjes die hier liggen. Het beeld van een kleine kajak op een kalme zee omringd door natuur en wilde kustlijnen schreeuwt ontsnapping aan de drukte uit. Die sereniteit klopt grotendeels. Totdat een watervliegtuig met een hels kabaal vertrekt en je geconfronteerd wordt met de golven die deze toestellen achterlaten. Maar toegegeven, dat gebeurt slechts sporadisch. Het is toch de rust die ik associeer bij deze kajaktocht. Al peddelend van eiland naar eiland varen, speuren naar de zeesterren die zich bevinden bij het zelfuitgeroepen Starfish Channel en de oorverdovende stilte proeven wanneer ik me midden op zee bevind. En af en toe zwoegen omdat mijn Duitse bootgenoot meer aandacht heeft voor het maken van foto’s dan peddelen in de kajak. Het is een prijs die ik wil betalen om niet aan het roer te staan. Letterlijk en figuurlijk.
Na anderhalf uur kajakken, zetten we terug voet aan wal bij Meares Island. Het eiland staat bekend om het oudgroeiwoud dat hier sinds het begin der tijden staat. De Belgische gids is een vat vol kennis en vertelt honderduit over deze plek. Hoe oud rode cederbomen kunnen worden, waarom ze een kribbe van leven worden genoemd, wie de Tla-o-qui-aht zijn en zelfs welke rituelen hier er op middernacht bij een volle maan worden uitgevoerd (tip: het heeft iets te maken met naakt rond een boom dansen). Na Elk Falls en Cathedral Grove heb ik wel voldoende gematigd regenwoud gezien, maar met deze informatie kijk ik toch met een ander perspectief naar deze locatie.
De wandeling over het plankenpad dat er schots en scheef bijligt, duurt ongeveer één uur. Vervolgens duurt het opnieuw één uur om terug naar de startplaats te varen. We hanteren nu een andere route. Bij de eilandjes is het water echt wel ondiep. Ik kom bijna vast te zitten, hoewel ik toch tientallen meters verwijderd ben van een eiland. Ook het vele kelp dat op het water drijft, bezorgt me kopbrekens. Bij elke peddelslag heb ik wel een deel van deze groene en bruine smurrie mee. In de verte denken we een zeeotter te zien. We varen ernaartoe, maar het blijkt vals alarm te zijn. We ontdekken op deze plek per toeval wel een zeehond die door het water zwemt. Het onverwachte omarmen, dat is waarvoor deze kajaktocht staat bij mij.
De andere reisgenoten verkiezen een lange excursie naar warmwaterbronnen die nog tot de avond duurt. Ik heb dus met andere woorden nog de hele namiddag om mijn eigen ding te doen. Het plaatsje Tofino heeft niet veel te bieden en na een koffie speur ik op mijn telefoon naar een wandeling die ik hier kan doen. Het wordt een luswandeling die gebaseerd is op de Tonquin Trail. Deze trail verkent de capricieuze kustlijn van Pacific Rim NP, maar ik begin bij regenwoud dat zich bevindt in het binnenland. Het is te zeggen, een bos dat zich op anderhalve kilometer van de kust bevindt. Hier vallen de vele grindwegen op die in een wirwar van paden een labyrint vormen. Gevelde bomen verraden dat hier aan houtkap wordt gedaan. Informatieborden verkondigen dan weer dat de natuur hier beschermd wordt. Acties spreken echter luider dan woorden, dus ik heb moeite om dit te geloven.
Het is markant hoe rustig het hier is, terwijl Tofino toch een toeristische bestemming is. Die rust verdwijnt even later als sneeuw voor de zon wanneer ik een drukke autoweg volg die me terug naar de camping leidt waar we verblijven. Het is hier dat de echte wandeling begint. Ik voel het witte strandzand aan mijn tenen, stap in hoogtij door de getijdenpoelen met mijn waterschoenen en klim via rotsige paadjes langs het kustregenwoud dat deze wandeling pittiger maakt dan de doorsnee kustwandeling. Het is een mooie opwarmer voor de West Coast Trail die ik volgend jaar wil doen. Plankenpaden maken het leven gemakkelijker en overbruggen de moeilijkste punten. Regelmatig stop ik om een foto te maken: van de dramatische rotsen, de mooie vergezichten of de drukte op het strand. Met een lengte van acht kilometer en een duurtijd van anderhalf uur is deze wandeling niet lang, maar smaakt het wel naar meer. Nu is dit slechts een proevertje.
Zondag 23 augustus
Deze reis van Beyond Borders wordt gekenmerkt door een stevig portie natuur, maar als cultuurliefhebber wil ik ook mijn dorst lessen met een stevige scheut cultuur. Ik wil graag wat meer te weten komen over de First Nations-volkeren die hier wonen, hoe de kolonisatie van Canada tot stand kwam, de verre geschiedenis van het land en toch ook wel de architectuur van de steden. Mijn reisgids prijst Victoria aan als een stad waar je best even de tijd voor neemt om ze te ontdekken. En laat tijd net iets zijn wat ik vandaag niet heb. De autorit van Tofino naar Victoria duurt namelijk langer dan verwacht.
De laatste natuurwandeling van deze reis wordt gemaakt bij Ucluelet waar de Lighthouse Trail ons opnieuw langs regenwoud brengt. Het is opnieuw een aangename moeting met het Canadese regenwoud dat ik ondertussen al ken en bemin. De kronkelende takken van rode cederbomen die in elkaar vervlochten zijn, de intieme inhammen van de ruige kustlijn, het kelp dat het strand besmeurt met zijn alomtegenwoordige aanwezigheid en minuscule zeediertjes die zich ophouden in getijdenpoelen. Het karakter van deze wandeling is net iets anders dan de vorige hikes op Vancouver Island. Minder groots, meer maritiem. De woudreuzen blijven spectaculair. Boomstammen met een diameter van twee meter en een kruim vijftig meter boven mijn hoofd blijft een spectaculair beeld. Maar de aandacht verschuift. Naar de vergezichten over het water. Naar de kustlijn en het strand. Naar de rotsige eilandjes die deze plek haar wilde haren geven. En ook naar de witte vuurtoren die er als een wit-rood misbaksel ietwat mistroostig bijstaat bij deze natuurbeleving.
Zoals altijd wil ik uitgebreid de tijd nemen om verwonderd naar deze plek te kijken. Dat ziet er niet in. De groep wil vooruit. In mijn hoofd hoor ik:
Opzij opzij opzij
Maak plaats maak plaats maak plaats
Wij hebben ongelofelijke haast
Het liedje van Herman Van Veen speelt door mijn gedachten wanneer ik stop bij een mooi uitkijkpunt en de rest alweer vertrekt. Niet dat ik er rekening mee houd. Ik weet waar we geparkeerd zijn met de auto's en ik heb het kaartje van de route. Ik ga niet opzij, ik maak geen plaats en ik heb geen ongelofelijke haast. Ik doe het rustig aan en wandel op mijn eigen tempo. Even later is de onthaasting ook bij de reisgenoten ingezet en kijken ze vol belangstelling naar de wonderbaarlijke rotsen en getijdenpoelen op een doodlopend strand. We zijn niet naar Canada gekomen om gejaagd door tropisch regenwoud te stormen. Het is een idee waar nu iedereen in kan berusten.
Bij Sproat Lake houden we een pauze en worden de tenten voor een laatste keer nog eens uitgeworpen. De Canadese zomerzon geeft verstek, maar ook met een fikse bewolking kunnen de natte tenten drogen. De volgende kampeerders zullen ons dankbaar zijn. Richting Victoria is het opnieuw even improviseren met het opzoeken van interessante bezienswaardigheden. De keuze is gevallen op Kinsol Trestle waar een enorme houten spoorwegbrug een relikwie is van decennia geleden. Het stond toen symbool voor de bloei van een opkomende natie. Nu is het een aandenken aan het turbulente verleden van Canada waarbij de houten brug zelfs dreigde gesloopt te worden. In 2011 werd deze enorme houten constructie echter gerenoveerd en gered van de sloophamer. Het ziet er leuk uit, de overspanning van de Koksilah River-vallei is imposant, maar het kan me niet echt bekoren. Ik wil naar Victoria voor mijn cultuurbad. Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb een ongelofelijke haast!
Ik heb dat wel, maar de bestuurders van de auto's in de files hebben dat veel minder. Files dus. Na bijna drie weken in Canada te bivakkeren, ben ik bijna vergeten dat die ondingen ook nog bestaan. Bij de steden is het telkens raak. Bij elk verkeerslicht is het aanschuiven. Het zijn er een aantal, maar in mijn verbeelding zie ik een tienvoud. De lange uren in de auto beginnen door te wegen. De laatste dagen hebben we veel in de auto gezeten. Te veel naar mijn zin. En daar is deze autorit de anti-climax van. Maar traag lukt ook en uiteindelijk bereiken we ons hotel rond de klok van vijf uur 's avonds.
Even de tijd nemen om Victoria te verkennen zit er vandaag niet meer in. Morgen ook niet. We vertrekken dan om elf uur 's ochtends zodat we zeker op tijd zijn voor de ferry naar Vancouver. Mijn cultuurbad wordt eerder een flitsdouche. Deze avond wordt opgeofferd aan het diner en een pubbezoek. Dat is ook cultuur :-)
Maandag 24 augustus
Mooi weer vandaag
Ik doe alles vandaag liever traag
Waar gisteren Herman Van Veen door mijn frontale cortex galmt, is dat nu Bart Kaëll. Het is mooi weer en dat spoort het reisgezelschap - dat er duidelijk één is van uitersten - aan tot traagheid. Een mooie eigenschap wanneer je bijvoorbeeld de laatste natuurwandeling van de reis doet, een minder mooie eigenschap wanneer je om elf uur 's ochtends alweer moet vertrekken. Dat betekent dat ik dik drie uur heb om Victoria te verkennen en om de efficiëntie te benutten, doe ik dat op mijn eentje. Door het beperkte tijdsbestek wordt het vooral een sightseeing tour met een klein bezoekje aan het parlement van British Columbia. Mijn mini-citytrip begint bij de haven waar het om elf uur 's ochtends ongetwijfeld erg gezellig is, maar rond acht uur was het er vrij doods.
Het geeft me wel de tijd om ongestoord door het centrum van Victoria te dwalen en de Britse architectuur te aanschouwen. Hoewel Victoria Canadees is, gaat deze stad er prat op dat het meer Brits is dan de Britse steden. Laat me zeggen dat Victoria vooral heel erg Victoriaans is dan dat het Brits is. Het belichaamt voornamelijk de Victoriaanse architectuur die in de negentiende eeuw tijdens de regeerperiode van koningin Victoria populair was. Bakstenen gevels met sierlijke ornamenten, asymmetrische daken en de lage schaal van gebouwen. De stad is dus niet onmiddellijk een weerspiegeling van de gehele Britse architectuur, eerder een reflectie van een bepaalde periode. Maar wat er staat, is bijzonder mooi met het Fairmont Empress Hotel als één van de grootste blikvangers.
Het meest bijzondere aan de stad is echter typisch Canadees. In de kleine binnenhaven vind je namelijk een heuse luchthaven waar watervliegtuigen landen en stijgen. Het is tamelijk bizar om zoiets te zien in een tamelijk grote stad. Het hoogtepunt van deze ochtend is het bezoek aan het parlement van Brits Columbia. Victoria is namelijk de hoofdstad van deze provincie en heeft dus ook een apart parlement. Het gebouw zelf houdt het midden tussen imposant en potsierlijk. Om negen uur begint er een rondleiding, maar ik bezoek het parlement op eigen houtje. Time management is vandaag strak. Iktrek een beetje tijd uit om de verscheidene artefacten van de First Nations te bezichtigen. Het biedt een vlugge introductie tot de leefwereld van de oorspronkelijke bewoners van dit stukje van de wereld.
Het gebouw zelf is echter de grote hoofdrolspeler in dit verhaal. De grote koepel, een oculus (ronde opening) dat mijn blik leidt tot de volgende verdieping waar magnifieke muurschilderingen de ruimte vullen, de statige glas-in-loodramen en het opulente parlement zelf. Kosten noch moeite zijn gespaard om dit het meest indrukwekkende gebouw van heel British Columbia te maken. En dat is goed gelukt! Drie kwartier dwaal ik door het gebouw. Verbaasd over de architectuur, benieuwd naar hoe de First Nations leefden. De rondleiding van negen uur is al een tijdje geleden begonnen en af en toe sta ik te luistervinken. De gids brengt haar verhaal met een belerende toon. Ik ben blij dat ik toch mijn eigen tempo kan aanhouden, ook al is de informatiedichtheid niet zo groot als bij een gegidst bezoek.
Uitrusten doe ik vervolgens bij Beacon Hill Park, een park van maar liefst 74 hectaren groot. Net zoals de rest van het centrum is ook dit park gebouwd in een Victoriaanse stijl. De fantastisch aangelegde tuinen en vijvers bieden een beetje verkoeling op deze dag die toch aardig warm begint te worden. Kriskras loop ik door de paadjes die naadloos in elkaar overgaan. Er is niet echt één blikvanger in Beacon Hill Park, het park zelf is de blikvanger. Langzaam loop ik rond tien uur terug richting het hotel. Ik verken de binnenhaven op het gemak en ik drink er een koffie. Niet zo Brits dus.
De overzettocht naar Vancouver mag absoluut niet gemist worden en dat houdt in dat we ruim één uur op voorhand aanwezig zijn bij de ferry. De tocht zelf is een tikkeltje minder geweldig dan de eerste keer. De eerste keer had ik het gevoel dat ik in Nieuw-Zeeland was, dit voelt toch een beetje meer industrieel aan. Minder natuur, meer stad. Uiteraard blijf ik overweldigd door de natuur hier, maar het voelt inmiddels wel vertrouwd aan. De gewenning die optreedt na bijna drie weken in Canada te vertoeven. Files wennen echter nooit en in Vancouver steken die meer dan ooit de kop op. Het zijn de laatste loodjes. Wanneer we ons hostel bereiken, mogen we de twee Chrysler Pacifica's uitzwaaien. Ik zal ze niet missen.
In Downtown Vancouver zitten we in het kloppend hart van de stad. Gemakkelijk als je iets wil eten of drinken, maar veel bezienswaardigheden zijn hier niet. Dan wordt het maar een strandbezoek aan het Sunset Beach met een (niet zo) fris pintje. Met een klein groepje zitten we op een boomstronk, nippen aan een blikje bier en speuren we de omgeving af. We kijken naar het Sint-Anneke-achtige strand dat paalt aan de grote, industriële schepen die hier voor anker liggen. Naar de sportievelingen die met dit warme weer aan het hardlopen zijn in het park. Naar de durfals die onversaagd door het koude zeewater zwemmen. En ook naar het bord dat zegt "Drinking alcohol is not permitted at this beach". Mijn blikje bier is ondertussen al op.





































