Maandag 12 januari
Thee is warm water met kruiden. Het is een mening die ik al een hele tijd ben toegedaan en na deze dag is dat idee alleen maar gesterkt. Vandaag stoppen we onderweg bij Rothschild Tea Estate bij Pussellawa in het hoogland van Sri Lanka. Dit eiland staat synoniem voor theeproductie en dan is een bezoek aan een theeplantage een vanzelfsprekendheid. Ik ben dus geen verwoed theedrinker, maar een demonstratie vind ik altijd wel interessant. Het bezoekje begint bij de theefabriek en hier legt een Singalese dame uit hoe de theeblaadjes worden geperst, gedroogd en gefermenteerd. De uitleg voelt een beetje klinisch aan. Het wordt in recordtempo afgehaspeld op een monotone manier. Dit voedt mijn gedachte dat er een aanzienlijke afstand is tussen toerist - die hier één keer komt - en verteller - die alles letterlijk tienduizend keer heeft verteld.
Om ons in te beelden hoe zwaar het leven van theeplukkers is, mogen we zelf een rondje theeblaadjes plukken. Twintig kilogram moeten de dames per dag plukken. Ik geraak op tien minuten nog niet eens aan honderd gram. Kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit. Die kwaliteit zou ook terug te vinden moeten zijn bij de diverse theeën die we achteraf proeven. Groene thee, zwarte thee, ik proef vooral smaakloze thee. Zoals ik zei: thee is warm water met kruiden. De afsluiter is andermaal een psychologisch verkoopspelletje met het aanwezige toeristenbestand. Een aanwezige verkoopster vraagt me of ik iets wil kopen, ik zeg dat ik die intentie niet heb. Why are you here then? Een filosofische vraag die ik op dat moment ook aan mezelf stel.
De dag is namelijk op dezelfde wijze begonnen. Er bestaat vanuit de groep weinig animo om het programma te volgen. Daar staat een uurtje rafting op de planning, maar een wildstromende Kitulgala kent weinig fans. Kanchi voorziet een alternatief waarvan ik koude rillingen krijg over mijn gehele lijf. Een demonstratie bij een zijdewinkel. De demonstratie is deze keer een videoband die wordt afgespeeld. Zelfs tourist traps worden geautomatiseerd dezer dagen. Het mag gezegd worden dat de zijden kledij er bijzonder fraai uitziet, maar ik draag zoiets niet. Ik koop het niet in België, dus waarom zou ik het in Sri Lanka dan wel kopen? Misschien om de tijd te doden, want een half uur wachten heeft nog nooit zo lang geduurd als hier.
Tussen de verkoopdemonstraties door rijden we van Kandy naar Nuwara Eliya dat zich in het hoogland van Sri Lanka bevindt. Op een hoogte van tweeduizend meter is Nuwara Eliya de hoogste stad van Sri Lanka. De weg ernaartoe maakt opnieuw duidelijk wat voor enorme schade de cycloon Ditwah heeft aangericht. Aardverschuivingen hebben vele huisjes weggespoeld, ontwortelde bomen versperren de wegen. In de bus zien we hoe een half ontwortelde boom wordt neergehaald. De kans op vallen is simpelweg te groot. Het contrast met deze schilderachtige omgeving kan haast niet groter zijn. De ellende die de cycloon heeft aangericht wordt moeiteloos afgewisseld met adembenemende uitkijkpunten. Theeplantages en regenwoud vinden elkaar moeiteloos in dit deel van Sri Lanka.
Rond vier uur komen we aan in Nuwara Eliya en dat betekent dat ik mijn kunsten als straatfotograaf nog eens kan vertonen. Het stadje is namelijk gekend omwille van haar Victoriaanse architectuur. Tot mijn ontgoocheling leer ik dat het slechts een korte stop is bij een fruitmarkt, postkantoor en overdekte marktplaats. Het hotel bevindt zich een vijftal kilometer buiten de stad en we moeten daar rond vijf uur arriveren. Na twee keer als een domme toerist behandeld te zijn, kan een derde keer er wel bij, zeker. Wat zeggen ze dan, derde maal is scheepsrecht?
Om de benen te strekken ga ik eten in Hawa Eliya, een dorpje dat vlak naast Nuwara Eliya ligt. In het fraaie avondrood vergaap ik me op het reusachtige Pedro Tea Estate dat gelegen is in een prachtige, glooiende vallei. Ons hotel ligt in niemandsland, maar wel attractief niemandsland. De dalende voettocht naar het dorpje Hawa Eliya duurt ruim veertig minuten, maar het geeft me positieve energie. Energie die ik de gehele dag gemist heb. Het restaurantbezoek in het dorpje levert een heerlijk gevulde maag op die me goede moed geeft voor de klim naar het hotel. Die doe ik in complete duisternis, maar gelukkig brengt het lampje van mijn smartphone redding. Enthousiast rijdende tuktuks ontwijken me net op tijd. De enige keer van de dag dat ik niet als wandelende portefeuille word gezien, maar wel om wie ik echt ben: een domme toerist die in de weg loopt.
Dinsdag 13 januari
Het einde van de wereld is magisch. Tot die figuurlijke conclusie kom ik wanneer ik de gelijknamige wandeling maak bij Sri Lanka's meest beroemde hoogvlakte, de Horton Plains. Op een uur waarvan de goden het verbieden om op te staan bega ik een zonde door dit wel te doen. Kwart voor vijf. De wekker van mijn telefoon gaat. Kleine oogjes gevolgd door een brede geeuw. Wil je de mooiste natuur van Sri Lanka bewonderen dan moet je als reiziger er wel wat voor over hebben. Wat volgt is een rit van ruim anderhalf uur over de kleinste wegen die ik in Sri Lanka heb gezien. Of eerder niet heb gezien. Buiten is het zo pikkedonker dat ik enkel de gele gloed van de koplampen waarneem. De twee chauffeurs van dienst - we zijn met twee jeeps - kennen deze route van buiten. Ze doen het haast blindelings. Ook figuurlijk welteverstaan.
Er volgt een grondige check bij de inkom van het park. Er mogen namelijk geen voedingsresten mee. En drones. Medereiziger Bas had die per ongeluk wel mee in zijn rugzak en dat is de reden waarom we een kwartier op hem wachten. Om zeven uur mogen we er toch aan beginnen en het begin belooft al veel goeds. Een open vlakte met patana-graslanden ontvangt ons hartelijk met de mooiste subalpiene vegetatie die ik in jaren heb gezien. Het lot is ons deze keer genadig en een milde winterzon eist haar stek aan de hemel op. In een zacht golvend terrein wacht het eerste hoogtepunt ons na een kilometer op. Chimney Pond is een kleine plas waar een kleine waterval in stroomt. De kunstmatige plas ligt er ietwat verloren bij in dit idyllische landschap.
Volgens mijn reisgids doet dit landschap denken aan de Schotse hooglanden, maar als ik terug mijmer naar mijn andere reizen zie ik toch meer gemeenschappelijke elementen met Nieuw-Zeeland dan Schotland. Met name de subalpiene vegetatie doet me denken aan de bergen op het zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Na drie kilometer transformeert het uitzicht. De graslanden en rhododendrons maken plaats voor een montaan woud met de werkelijk fenomenale Baker's Falls als climax. Een klein platform helpt bij het bezichtigen van deze iconische waterval. In het dichte woud horen we een luid gekrijs. Het is de onzichtbare Ceyloenhaan die zich graag laat horen. We hebben echter oog voor een andere bijzonderheid: de nelu.
Dit is de lokale naam voor een bloem die slechts om de twaalf jaar groeit en het toeval wil dat de bloeiperiode op zijn einde loopt wanneer we deze wandeling doen. Een vloed van groene struiken getooid met bloemen kleuren het bos met een paarse schakering die de nelu zo typeert. Dit is een moment van zien, horen, ruiken én voelen. De wandelaar voelt de grootsheid aan van deze plek. Ruikt de frisheid van het bos. Ziet de pracht van de flora. Het is een zintuiglijke overstroming. Mijn cerebrale cortex heeft moeite om al deze sensorische ervaringen te plaatsen. Het overweldigt me. Ik ben blij dat er nog zulke mooie plaatsen op aarde bestaan. Maar ook droevig omdat ik in de wetenschap leef dat de rest van de wandeling minder zal zijn.
De passage na het bos bevestigt dit. Zo ver het oog rijkt is er een kale vlakte. Rotsen zijn hier in de meerderheid, vegetatie laat zich slechts sporadisch zien. Het zijn kilometers die ik moet afmalen om het einde van de wereld te zien. At World's End, zo heet namelijk het beroemdste uitkijkpunt van deze wandeling. Het is eveneens de naam van deze wandeling. Een klif van bijna duizend meter gaapt naar beneden. Ik verwacht een loodrechte klif, maar het is eerder lichtjes getrapt. Het uitzicht is mooi. Deze keer vechten mijn ogen geen strijd uit met de wolken en staar ik naar het einde van de wereld. Bij het einde van de wereld ligt klaarblijkelijk een kunstmatig stuwmeer. Zo wordt het einde plots een stukje mooier.
Na een langere pauze begeef ik me alleen op pad. Een klein rotsachtig singletrack pad verbindt de twee uitkijkpunten At Worlds End en Mini World's End. Het kan op deze route best wel druk worden, maar nu heb ik deze plek even alleen voor mezelf. Door het dikke struikgewas en bomen kijk ik uit op de patana-grasvelden die ik anderhalf uur geleden doorkruiste op dit plateau. Af en toe prijkt er een plas tussen de struiken. Ik hoor de geluiden van zangvogels. Vogels waarvan ik de naam niet ken en niet wil kennen. Hun gezang is het enige wat ik nodig heb om dit deel van de route op te luisteren. Ik en de natuur. De natuur en ik. Totdat dertig seconden later er een groepje rumoerige wandelaars aankomt. Het vogelgezang is overstemd. Ik ben afgestemd. Afgestemd om dit lawaai te negeren.
Het volgende uitkijkpunt is dus mini en zo ervaar ik het ook. Het perspectief is wat minder, de daling naar beneden ook. Nog steeds mooi, maar ik voel me als een postbode die de ene brief na de andere in een bus deponeert. Het voelt wat routineus aan. Ik stop hier dus niet lang en ik begin aan de laatste kilometers van deze wandeling. De route is nauwelijks negen kilometer lang. Het meest technische stuk breekt aan. Het is een beetje opletten voor rotsen en stenen. Het gaat eveneens gestaag omhoog. De wandeling wordt een stukje wilder. Bloemen en bossen maken plaats voor ruwheid. De route krijgt een vleugje avontuur mee. Niet dat ik hier behoefte aan heb na mijn zware klim in de Knuckles Mountain Range twee dagen geleden.
Bij deze route in de Horton Plains heb ik constant genoten, bij mijn vorige route constant gevochten. Met mezelf, met de omgeving. Daarom vullen deze wandelingen elkaar ook zo mooi aan. Tegen mijn medereizigers vertel ik dat het één van de mooiste wandelingen is die ik ooit heb gedaan. Ik denk niet dat ik dat zou gezegd hebben als ik de wandeling in de Knuckles Mountain Range zou gemist hebben. De Horton Plains voelen aan als een sensorische overweldiging waarvan ik kan genieten in positieve zin omdat ik mijn limieten heb opgezocht twee dagen geleden. Soms moet je afzien om te weten wat genieten is. Met deze filosofische gedachte in het hoofd keer ik terug naar het hotel. De rest van de dag wordt opnieuw pendelen.
Met het kleine busje dalen we uit de hoogvlakte en zien we regelmatig nog de sporen die de cycloon Ditwah heeft achtergelaten. Soms zit ik met een verstokte adem te kijken naar deze onheilspellende beelden. Ook al heb ik het eerder gezien. In Ella, een lokaal backpackersparadijs, houden we een langere stop. Normaal gezien staat er ook een bezoek aan het pelgrimsoord Kataragama op het programma, maar niemand kan zich hier nog warm voor maken. De Culturele Driehoek heeft ook mij genekt. Ik geef mijn ogen de kost in het bruisende Ella. Er volgt daarna opnieuw een fotostop bij de Ravana Ella Falls. Een waterval van vijfentwintig meter hoog die zich graag laat fotograferen.
De lange dag eindigt nabij Tissamaharama, een plek waarvan het toeristisch levensbestaan is ontleend aan haar nabijheid van het Yala NP. In de late namiddag is iedereen slaapdronken. Het vroege opstaan eist slachtoffers. Met krampachtige benen kan ik me uit het busje werken waar opnieuw een prachtig lodge mijn overnachtingsstek is. Ik heb echter meer oog voor het zwembad. Wat baantjes trekken in het openluchtzwembad bij een temperatuur van twintig graden na zoveel uren in de bus. Heerlijk! Dat denken de muggen ook als ze in mij hun zwemmend avondmaal zien.
Woensdag 14 januari
Doembeelden spoken op in mijn hoofd wanneer we 's ochtends bij de ingang van het Yala NP staan. Een rij met een ontelbare hoeveelheid jeeps vult de horizon waar in de verte de inkom prijkt. Dit nationale park heeft de hoogste kans op het spotten van luipaarden en is daarom verreweg het populairste park van Sri Lanka. Gisteren werd ik al moedeloos bij de gedachte om samen met de grote massa door het park te rijden en nu blijkt die realiteit zelfs erger te zijn. Ben ik hier dus om kwart over vijf voor opgestaan? Maar kijk, teleurstelling en blijdschap zijn soms twee kanten van dezelfde munt, want het wordt snel duidelijk waarom dit park zo populair is. Het heeft namelijk veel meer te bieden dan enkel luipaarden.
Het is de omgeving die me in bekoring leidt. Het park bestaat uit een unieke mix van halfdroge savanne met groene struikbossen en wetlands. Zo rijdt onze jeep in vijf minuten van koperrode aarde die doet denken aan Australië, naar dicht groen struikgewas van doornstruikbossen waarin baby-olifantjes verscholen zitten tot het iconische Elephant Rock waar een kudde waterbuffels hun naam alle eer aan doet door af te koelen in een groot meer. Yala NP bevindt zich vlakbij de Indische Oceaan waardoor het dit uniek ecosysteem krijgt. Het landschap is een plaatje, maar het wildlife is dat ook. Op uitzondering van die ene stierolifant na...
De gigantische kolos is namelijk op zoek naar eten en werkt vanuit een hinderlaag mooi alle jeeps af. Letterlijk. De olifant wacht totdat er zich een lange rij aan jeeps heeft ontwikkeld en daarna gaat hij als een volleerde professionele shopper alle jeeps af die niet wegkunnen. Walking dinner, maar dan letterlijk. Wij zijn ook aan de beurt en ik kan je verzekeren dat wanneer je reisbegeleider zegt dat je je rugzak moet verbergen omdat er een olifant van vier ton op je afkomt je toch wel even verbijsterd bent. Ik toch alleszins. En aan de blikken van mijn reisgenoten te zien, ben ik niet de enige. Onze chauffeur blijft koelbloedig en parkeert de jeep achteruit om vervolgens plankgas te geven om de dikhuid voorbij te snellen. Tijdens de rest van de rit heb ik gevloekt op het talmend rijgedrag van de chauffeur, maar dit heeft hij perfect gedaan.
De rest van de rit is echter wel ontspannend met het spotten van heel veel wild. Olifanten dus, maar ook een jakhals, krokodillen, waterbuffels en een heleboel vogels: bijeneters, diverse ijsvogels, endemische zangvogels en maraboes. En dat in immer wijzigende locaties. Ondanks dat dit een druk park is, heb ik me niet echt geënerveerd aan de grote drukte hier. Behalve dus bij het binnengaan van het park in de ellenlange file. En daarom is Yala NP misschien wel de mooiste safari van deze reis. Soms hangt het er van af hoe de munt valt: teleurstelling of blijdschap.
Slechts vijf personen zijn deze ochtend meegegaan en dat betekent dat we het overige vijftal jaloers moeten maken met onze goednieuwsshow van hoe prachtig deze safari is. Het geeft hen geen kans om op te scheppen over het feit dat ze rustig hebben kunnen uitslapen op deze toch wel vermoeiende reis. We bevinden ons nu in het zuiden van Sri Lanka en dat is op de thermometer te zien. Voor tien uur wordt de dertig graden al overschreden. In het gekoelde minibusje is het 2,5 uur rijden tot Galle, de laatste culturele stop van deze reis. Galle is een fortstad dat oorspronkelijk werd opgericht door de Portugezen, maar daarna is overgenomen door de Hollanders die de Portugezen hebben verdrongen.
Het is toch wel bizar om zo'n fort in Europese stijl te zien in een Aziatisch land. Nog meer bizar zijn de grote, versterkte muren die bestaan uit een combinatie van koraal en graniet. Zelfs de onaandachtige kijker ziet al snel de sporen van het koraal in de muren. Verder is de architectuur van het fort vrij traditioneel naar Europese maatstaven: bastions, een voorraadkamer, uitkijkposten en rijen met kanonnen. In het fort zelf huist er een kleine stad met een klokkentoren, vuurtoren en zelfs een gereformeerde Nederlandse kerk. In deze kerk bevinden er zich grafstenen in de vloer waarop spreuken staan in het oud-Nederlands.
Ik wil het stadje graag zelf op eigen tempo verkennen, maar de tijd is beperkt. Mijn frisse zin ook. De hitte sloopt me toch een beetje en ik ben blij dat ik opnieuw in het gekoelde minibusje kan plaatsnemen. Dagenlang heb ik gesmacht naar een stralende zon, maar dit exemplaar doet dat toch met net iets te veel overgave. Na dit cultuurbad snak ik nu naar een zwembad. We brengen de laatste uren in het busje door om uiteindelijk naar onze laatste bestemming te rijden, Hikkaduwa. In deze badplaats brengen we onze twee laatste nachten door. Het voelt beetje als een ontlading aan. Dit is een absolute topdag, maar een dagje rust kan iedereen wel appreciëren nu.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten