donderdag 3 september 2026

Reisverslag Canada deel vijf: tussen pieken en walvissen

 Woensdag 19 augustus
Zijde gij nu helemaal zot geworden?”, de reactie van een goede vriend spreekt boekdelen wanneer ik vertel dat ik ga mountainbiken in Whistler. En inderdaad, volgens mij is er toch een zekere staat van zinsverbijstering nodig om met een mountainbike een gondel op te stappen en vervolgens 1500 meter als een speer te dalen over een technisch veeleisend parcours. Logan is mijn begeleider vandaag en hij weet me gerust te stellen. Mijn tochtje gaat over de geaccidenteerde paden in het bos waar ik gisteravond nog heb gegeten aan een meertje, Lost Lake. Dus niet op de Blackcomb-piek waar ik initieel voor vreesde. Als occasioneel mountainbiker is dat voor mij voorlopig te hoog gegrepen.

Het wordt een privétour, want ik ben de enige van het hele reisgezelschap die wil mountainbiken. Dat stelt me wat gerust, want het is alweer twee jaar geleden dat ik nog op een mountainbike heb gezeten. Ook wanneer ik op reis was uiteraard. Logan legt alles haarfijn uit wat ik moet doen. Volg de ideale lijn die ik wil volgen met mijn ogen. Check. Laat de hydraulische zadelpen zakken wanneer die boven staat en ik wil dalen met mijn mountainbike. Check. Houd met één vinger aan beide handen de remmen vast. Check. Bedien de versnellingen wanneer ik het tempo wil verhogen of verlagen. Check. Ga op de trappers staan bij het afdalen. Check. Steek de ellenbogen naar buiten bij het nemen van bochten. Check. En doe dit allemaal tegelijkertijd in een fractie van een seconde bij het rijden zelf. Euh, geen check?

Ik start met de zogenaamde groene trails. Grindwegen die relatief breed zijn en in moeilijkheid enkel opvallen door hun stijging of daling. Na het leren van de beginselen is dit relatief eenvoudig. Logan vraagt of ik een blauwe trail wil doen. Natuurlijk! Mijn groeiende zelfvertrouwen krijgt tijdelijk een deuk wanneer ik een andere mountainbiker op de grond zie liggen. Hij maakt onzacht kennis met de grond bij het begin van een blauwe trail na een foute interventie. Enigszins zenuwachtig begin ik aan de singletrack. Boomwortels, stenen, een bocht in een halve kom en bruggetjes worden met mate geserveerd. Ik doorsta het moeiteloos. Dat ging wel lekker en ik snak naar meer technische paden.

Dat is geen probleem, want dit pad was het gemakkelijkste blauwe pad dat Whistler in de aanbieding heeft. De volgende afdalingen vereisen meer techniek. De bochten volgen elkaar sneller op, rijvaardigheid wordt belangrijker en het tempo wordt door Logan opgedreven. Ik volg zijn bewegingen op de voet – figuurlijk dan toch – en werk me in het zweet. We doen het even rustiger aan en via enkele grotere wegen rijden we naar Green Lake. Dit gletsjermeer in Whistler heeft – je raadt het nooit – een groene kleur en doet dienst als kleine luchthaven voor watervliegtuigen die hier opstijgen en dalen. Een granolareep en een extra fles water moet me energie geven tot de middag. Dat zal ik goed kunnen gebruiken, want het laatste uur is behoorlijk zwaar.

In plaats van afdalen, mag ik nu klimmen op de singletracks en dat is toch wel een ander paar mouwen dan dalen. Het vergt een stuk meer energie, maar is vooral technischer. Eerst is er de heilige drievuldigheid van de B: bocht, boomwortel en brug die elkaar in amper een paar seconden opvolgen. Daarna is de route bezaaid met stenen. Ergens tussen het frunniken met de hydraulische zadelpen en het nemen van een bocht gaat het mis. Ik moet afstappen. Daarna nog een keer en nog een keer. Het klimwerk is beduidend moeilijker dan dalen. Met mijn huidige rijvaardigheden stuit ik hier op mijn limiet. Dit zijn de moeilijkere paden van de blauwe trails. Dat is voor mij al meer dan waarop ik had gehoopt.

Het serene karakter van het crosscountryritje op de Lost Lake trails maant me aan tot innerlijke rust. Dit staat in schril contrast met de uitgelatenheid van de rest van de groep wanneer ik hen ontmoet om in de namiddag de wandeling naar de Stawamus Chief te doen. Dit is een bijzonder steile klim naar een uitkijkpunt over het adembenemende Howe Sound. Op Komoot heb ik gezien dat de route van het niveau T2 en T3 is, synoniem voor “knap lastig” en “het kan nog altijd lastiger”. Ik begin aan het einde van de rij en laat iedereen vrolijk passeren. Nu heb ik even geen behoefte aan decibels. Even later gaan die decibels automatisch liggen. Iedereen is druk in de weer met het overwinnen van steile trappen, rotsblokken, geërodeerde paadjes en hoogtemeters in het algemeen. Ook ik. Na een half uurtje kan ik mijn T-shirt uitwringen van al het zweet dat dit stukje textiel heeft vergaard.

Inmiddels volg ik reisgenote Gaëlle die vraagt of we bij een splitsing rechtdoor of rechts moeten gaan. Rechts gaat naar de derde piek, rechtdoor de eerste. Op Komoot volg ik het traject van de eerste piek. De verkeerde. Terwijl iedereen zichzelf naar de derde piek hijst, piloteer ik mezelf naar de eerste piek. Op het einde neemt de uitdaging toe met een open sectie van granieten rotsen. Eigenlijk moet ik met kettingen naar boven, maar dat behoud ik voor de afdaling. Ik neem een geïmproviseerd pad over de granieten rotsformaties en de laatste zweetparels worden bekroond met een pittoresk 360-gradenvergezicht over het stadje Squamish en de Howe Sound. Het grauwgrijze weer werkt echter niet mee. Foto’s zijn eerder dramatisch dan beeldschoon. Ach, ik heb toch altijd een voorkeur gehad voor ruw en rauw.

Ondertussen stromen de berichten op WhatsApp binnen. De groep is in verscheidene delen gesplitst en lukraak naar de pieken geklommen. Er zijn nu mensen op piek één, twee én drie. Voor mij is het wel genoeg geweest. Na een inspannende mountainbiketocht heb ik geen fut meer om nog bijkomende pieken te doen. Bovendien heeft de eerste piek toch het mooiste uitzicht. De klim duurde ruim één uur, maar ook de daling duurt bijna zo lang. Door de vele stenen en rotsen verloopt die tamelijk moeizaam. Bovendien moet ik ook opletten in welke richting ik ga. Door de bomen het bos niet meer zien. Of in dit geval rotsen. Met wat uitzoekingswerk lukt het me toch om zonder al te veel problemen terug naar beneden te wandelen. Moe sta ik om vijf uur ’s avonds op de parking. Nat in het zweet moet ik nog een uurtje op de rest wachten. Mijn verjaardagscadeau voor vandaag.

Donderdag 20 augustus
De laatste week van deze reis staat in het teken van Vancouver Island. Je weet wel, het eiland waarop geen Vancouver te vinden is. Wel te vinden: majestueuze cederbomen in gematigd tropisch regenwoud. Dat houdt in dat we meer moeten pendelen, een euvel waarmee ik in de laatste week wel vaker geconfronteerd zal worden. Om elf uur moeten we bij Horseshoe Bay zijn om met de ferry de oversteek te maken naar Nanaimo. Nog voor tien uur staan we al op de ferry te wachten. De inkopen kosten veel minder tijd dan gepland. Waar het eerste winkelbezoek nog een uur duurde, is dat nu slechts tien minuten. Efficiëntie heet dat. We verliezen meer tijd met het bedrijfsfilmpje dat in de plaatselijke Walmart van Squamish wordt opgenomen dan met de boodschappen zelf.

Vol ongeduld wachten we op de ferry. Niet dat de oversteek zo spannend is, maar we willen dieren spotten. Orka’s en walvissen in plaats van beren. We zitten niet op de goede plaats, want in de Strait of Georgia komen die slechts op specifieke plaatsen voor. En dat is niet op de drukst bevaarde route van deze zee-engte. Ik heb niet zo’n grote behoefte aan het spotten van deze dieren. In Antarctica heb ik bultruggen bijna op armlengte gezien. Toch kan ik mijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken en kijk ik reikhalzend naar met een ontmoeting met deze zwemmende zoogdieren. Het zal echter voor morgen zijn, want tijdens onze tocht zien we geen walvissen. Er ontplooit zich wel een subliem kustlandschap voor mijn ogen.

In de verte zie ik Vancouver liggen, maar dat behoud ik voor het einde van de reis. Nu concentreer ik me op kustlijn die bevolkt wordt door steile, beboste hellingen en hoge bergen. Howe Sound is nog verrassend groen, maar gaandeweg kent de route een meer open karakter wanneer we midden in de Strait of Georgia varen. Op het bovenste dek heb ik het beste zicht en sta ik enthousiast bij de railing. De snijdende wind giert langs mijn lichaam en de koude overtuigt me om plaats te nemen op een stoeltje. Even bekomen van de koude. Zelfs op een weinig aantrekkelijke kruk werkt deze overzettocht therapeutisch. De zee heeft een rustgevend effect op mijn gemoed. De spelende kinderen die mijn persoonlijke ruimte bezetten wat minder.

In Nanaimo verlaten we de ferry en rijden we verder naar onze kampeerplaats bij Elk Falls Campground. Een camping waar het motto “back to basics” is. Er is namelijk geen stromend water. De slogan zou ook “knus bij elkaar” kunnen zijn. Ik word namelijk aangesproken door een ranger van Parks Canada. Het blijkt een Luxemburger te zijn. Hij gebiedt ons om twee tenten op te zetten in de daarvoor voorziene grindbak. Het is twee zakdoeken groot. Met frisse tegenzin komen we aan zijn eisen tegemoet. We willen namelijk nog naar Elk Falls Provincial Park.

Ondertussen ben ik de tel kwijt hoeveel watervallen we bezocht hebben. De echte aantrekkelijkheid bestaat uit de bomen. Torenhoge, statige bomen die van dit bos een rijk der giganten maken. Ik ben al eerder in gematigd regenwoud geweest, maar nog nooit heb ik het zo overweldigend ervaren als hier. Rode cederbomen zijn de blikvangers in dit landschap, maar ook sparren zoals de douglasspar en sitkaspar kleuren deze omgeving. Tussen deze bomen groeien verschillende varens die het bos een prehistorisch karakter geven. Het voelt alsof ik een reis door de tijd maak en op de aarde van een half miljoen jaar geleden ben beland. Het reisgezelschap dat al twee weken slentert door bossen en meren heeft het gaspedaal ontdekt en neemt nauwelijks tijd om ergens te stoppen. Dat houdt me dan weer een spiegel voor: dit is een reis, geen vakantie.

Vrijdag 21 augustus
Deze ochtend blijkt opnieuw hoe afwisselend deze reis in werkelijkheid is. Een marinesafari staat op het programma. Op zoek naar bultruggen, orka’s, zeeleeuwen, zeehonden, zeeotters en een heel scala aan vogels. Maar safari’s zijn zoals beleggingen: resultaten zijn niet gegarandeerd. Campbell River is nochtans wel een goede plek om deze tocht in een zodiac – een rubberen boot met buitenmotor – te doen. Het wemelt hier van het zeeleven en het zou wel vreemd moeten lopen als we geen dieren tegenkomen. Na twee minuten hebben we meteen prijs: een Amerikaanse zeearend rust uit op een houten paaltje. Een leuke opwarmer, maar voor de echt grote dieren moeten we naar de open zee.

De bestuurster van de zodiac treedt ook op als gids. Ze kent deze wateren als haar duimpje en weet waar de walvissen zich rond deze periode ophouden. In volle vaart vliegt de rubberen boot over het water en na twintig minuten wordt de motor uitgezet. Hier dobberen we dan... Ik kijk naar links. Niks te zien. Ik kijk naar rechts. Ook niks te zien. Ik laat het spotten over aan de anderen. Gemakkelijker en ze zijn er beter in. Na vijf minuten duikt de eerste bultrug op. En daarna nog één en nog één en nog één... Het zijn negen exemplaren. We houden een respectabele afstand, maar in hun drang om hun honger te stillen, komen de bultruggen zelf dichter naar ons. We zien de wasem uit de spuitgaten komen, de kop en de staart. Fonkelende ogen verraden dat dit voor veel mensen een droom is die waarheid wordt.

De oehs en de ahs vliegen in het rond, maar een half uur hetzelfde lied zingen doet zelfs de meest enthousiaste zanger de adem verstokken. We verzinnen een nieuw lied: op zoek naar orka’s. Het gaspedaal wordt opnieuw ingeduwd en we varen naar een totaal ander gebied in de Strait of Georgia. Het duurt niet lang wanneer onze investering in tijd wordt terugbetaald. De eerste orka’s duiken in ons blikveld op. De typische rugvin en zwart-witte markering op de buik maken het overduidelijk dat dit orka’s zijn. Deze soort, de Southern Resident-orka’s, verslindt geen zeehonden. Hun dieet bestaat voornamelijk uit vis en meer bepaald chinookzalm die hier weelderig tiert. Of tierde, want ook in deze wateren komt het visbestand onder druk te staan door overbevissing.

Op de terugweg komen we nog enkele andere dieren tegen. Op een rode boei luieren een aantal zeeleeuwen die geen oog hebben voor de boten en mensen die hen spotten. In een tragikomisch moment hebben ze meer oog voor een soortgenoot die op de boei wil springen om een plaatsje te bemachtigen. Er is echter geen plaats meer en na enkele halfslachtige pogingen moet de zeeleeuw haar poging staken. In het water zien we nog het schattige hoofdje van een zeehond die nauwelijks opvalt in het grijze water. Ook veel watervogels zweven boven ons hoofd wanneer we terugkeren naar de haven. We hebben deze ochtend geluk gehad. Het gebeurt niet vaak dat men bultruggen én orka’s op één dag te zien krijgt. Deze ochtend is dus een goede belegging.

In de namiddag is het alweer een heel stuk rijden richting Tofino, maar twee stops luisteren deze kleine roadtrip op: Coombs en Cathedral Grove. Coombs ervaar ik als een verspilling van tijd. Het is een kruising van een toeristische markt en een soort kinderboerderij waar geiten op een met gras begroeid dak van een winkel staan. Dus leuk om publiek aan te trekken, maar het doel van deze plaats is geld om uit toeristische zakken te kloppen. Bij mij lukt dit enkel voor de cappuccino die meer room dan koffie is. Ik snuister in enkele boekenwinkeltjes om de tijd te doden, maar het is duidelijk dat deze stop een noodgreep is om onderweg toch iets interessants aan te bieden.

Over de tweede stop ben ik wel dolenthousiast. Cathedral Grove is een oerbos dat bestaat uit bijzonder hoge cederbomen en douglassparren die eeuwenoud zijn. Dit is de overtreffende trap van Elk Falls gisteren, want zowel de bomen, varens als omgeving zijn hier net dat tikkeltje –er: groter, hoger, dikker en toch ook wel mooier. Over deze plek heerst een oerkracht die Cathedral Grove een onaantastbaar karakter geeft. Het is alsof dit bos altijd heeft bestaan en altijd zal bestaan. Het type locatie waar je je als mens nietig voelt.

Het bos wordt getweeëndeeld door een autoweg die pal door het midden loopt. Aan de ene kant bevindt zich het oude bos en aan de andere kant het nieuwere bos. Dit nieuwe bos is nog steeds behoorlijk oud, maar kent niet de grootsheid van zijn oudere broer aan de overkant van de weg. Waar het oude bos bewondering oproept, voelt het nieuwe bos meer aan als een wandelbeleving tussen de bomen. Een uitstekend plankenpad helpt hier bij. Ik heb nu wat meer aandacht voor de vele informatieborden die hier staan en meer vertellen over deze plek. Over de bomen, de dieren die er leven en de mensen van de First Nations die hier woonden. Kortom, waarom deze plaats eigenlijk een natuurlijk kathedraal is. Ik begin langzaam te beseffen hoe sterk Canada kan verschillen op relatief korte afstand.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten