Donderdag 13 augustus
Glaciale landschappen komen in alle geuren en kleuren. Vandaag mag ik opnieuw verdwalen in een wereld die wordt bepaald door sneeuw en ijs. Van een afstand tenminste. Op de Wilcox-hike kijk ik namelijk lange tijd uit op de Athabasca-gletsjer die na elke kilometer een tikkeltje groter wordt. De ruige bergwereld van gisteren heb ik achtergelaten en ik bevind me nu in een theater van groene bergweides en alpine toendra. Nochtans bevind ik me nu op grotere hoogte dan gisteren bij de Icecline Summit waar er op lagere hoogte bitter weinig groeit. De vele microklimaten in de Canadese Rockies hebben lak aan regels die vertellen op welke hoogte wat mag groeien. En gelijk hebben ze.
“Ah, een oude bekende”, roep ik enthousiast tegen de groep wanneer de wandeling, net zoals gisteren, begint met een bospad dat steil omhoog gaat. De gezichten die op halfzeven staan, delen mijn enthousiasme niet. Nochtans ontzien de paden hier de benen wat meer. Ze zijn wat breder dan gisteren, minder lang, maar vooral ook minder steil. De gedachte aan opnieuw stijve beenspieren wordt na een kwartiertje al ingeruild voor mooiere afleiding: een decor van bergpieken en gletsjers dat omhuld is in een sluier van wolken. Slechts flarden zien we van de plaatselijke pieken en een eenzame zonnevlek die geprojecteerd is op een bergflank doorbreekt dit patroon van dramatiek. Elke dag worden we onthaald op steeds nieuwe beelden van de Rockies.
Ik heb echter meer oog voor de plaatselijke toendra die hier verrassend groen is. Lage struiken sieren hier de omgeving, hoewel dat de sneeuw hier kan blijven liggen tot eind juli. Voor een plaatselijke kudde dikhoornschapen is dit hun thuis. In de verte zie ik hen gretig eten van de plaatselijke struiken en graszodes. De bergweides worden door de schapen professioneel kort gehouden. Door de koude wellicht ook. Het bergpad dat ik volg, slijt door het landschap. Een meanderende bruine lijn van zand contrasteert fel met het landschap dat doorspekt is met de meest diverse schakeringen in groen. Af en toe ontwaar ik ook andere kleuren: het wit en grijs van de Athabasca-gletsjer die steeds aan de horizon blijft plakken. Of het geel en paars van wilgenroosjes die van dit landschap een kleurenboek maken. Weliswaar met slechts een handvol kleurpotloden.
Op grotere hoogtes heerst de bergtoendra. Enkel de meest taaie vegetatie weet hier te overleven. En als die weten te overleven, worden ze alsnog opgegeten door dikhoornschapen. Wat een smeerlappen! Het landschap wordt hier wat minder aantrekkelijk. Kale berghellingen, meer rots. Helaas zonder de spectaculaire ruigte van gisteren. Een eenzaam bergmeertje probeert de illusie hier hoog te houden dat we ons op ruw terrein bevinden. Vergeleken met gisteren is dat kinderspel. De ster die schittert aan het firmament is de Athabasca-gletsjer. Ik kijk uit op de enorme landtong van de gletsjer. Zo enorm als vroeger is die niet meer. In helaas veel te rasse stappen trekt de gletsjer zich terug. Ik vraag me af hoe lang dit koninkrijk van ijs en sneeuw zal standhouden. Zoals bekend heeft Koning Winter het tegenwoordig niet gemakkelijk op deze planeet. Het is interessant gespreksvoer voor de daling naar beneden.
We rijden ook naar de voet van de gletsjer zelf. Ik word begroet met een bordje: 1992. Wat later zie ik een bordje staan met 2001. En daarna nog een hele resem anderen. De bordjes duiden per jaar aan tot waar de Athabasca-gletsjer kwam. Het geeft kippenvel om te zien hoeveel afstand er is tussen de huidige grens van de gletsjer en de bordjes. En niet op de juiste manier. Als ik eerlijk moet zijn, geeft heel deze plek me een vies gevoel. In de verte zie ik een piepkleine bus zich een weg banen over de gletsjer om toeristen naar de top van de gletsjer te brengen. Zo kunnen ze een gletsjerwandeling doen. Lekker meedoen aan de vernietiging van de gletsjer. Ik moet mezelf echter niet vrijpleiten. Ook ik maak deel uit van dit probleem, al gebruik ik geen bus om naar de top van een gletsjer te rijden. Het is de dualiteit van deze tijd: als een goede huisvader zorg dragen voor ons milieu, maar tegelijk rekening houden met economische belangen. De tijd zal uitwijzen wat het belangrijkste is.
Te veel moet ik ook niet filosoferen, want inmiddels zijn we terug op pad. Bij de Icefields Parkway komen we opnieuw een waterval tegen. De Tangle Creek Falls. Nou, dat ziet er leuk uit! Vijf minuten later wil iedereen opnieuw in de auto zitten. Op naar de volgende watervallen: de Sunwapta Falls en de Athabasca Falls. Hier weet het waterspektakel wel mijn aandacht vast te houden. Vooral de kracht waarmee de Sunwapta Falls zich laten neerstorten in een diepe kloof is van een zeldzame schoonheid. De harmonie tussen water en kloof resulteert in een grillig canyonlandschap. Turbulent water heet de waterval in de lokale taal. Ik snap waarom. De Athabasca Falls komen daarna hoofdzakelijk als bijzaak. Een waterval die 23 meter hoog is en 18 meter breed is. Op deze reis is het slechts een fotostop.
Vrijdag 14 augustus
Ik heb gelezen over de bosbranden van 2024 in Jasper. Maar liefst 32.000 hectare is er in vlammen opgegaan in de omgeving van Jasper NP. Bossen, maar ook delen van de stad zelf. Het klinkt abstract totdat we gisteravond in de buurt van Jasper komen. Kilometerlang zie ik kale plekken waar ooit vegetatie was en verbrande bomen die de relikwieën zijn van de rampspoed van twee jaar geleden. Onze campsite, Wapiti Campground, werd ook getroffen en doet nu eerder denken aan een savanne dan aan een bos in de Canadese wildernis. Waarom deze kampeerplaats zo heet, wordt snel duidelijk. Twee wapiti’s luieren in de schaduw wanneer we naar de ons toegewezen plaatsen rijden. Het dorre, hoge gras wuift ons vriendelijk toe. Ik zou het bijna een lieftallige plaats noemen als ik niet wist wat zich hier twee jaar geleden afspeelde. In België blijven we ook niet gevrijwaard van dit leed. Net op deze dag startte de grootste natuurbrand in meer dan een eeuw. Drieduizend hectare worden vernietigd door de brand. Het wordt onbedoeld het thema van de dag.
Na twee wat stevigere hikes wordt deze vrijdag wat rustiger. Een tochtje op Maligne Lake en een verkenning van het plaatselijke stadje staan op de planning. Eerst is er echter ontbijt bij Medicine Lake dat eigenlijk geen meer is. Het is eigenlijk een ondergronds rivierennetwerk van spleten en grotten in kalksteen. Bij genoeg smeltwater zie je het meer, maar in de nazomer en herfst verdwijnt het smeltwater en dus ook het meer. Het water wordt namelijk leeggepompt door de vele zinkgaten. Bij het ontbijt kijken we echter vrolijk uit op het meer. Het water komt zestien kilometer verder terug aan de oppervlakte bij Maligne Canyon. Normaal gezien bezoeken we dit ook, maar dat is nu gesloten. De impact van de bosbranden twee jaar geleden.
In de ochtend wacht me een boottochtje op Maligne Lake naar Spirit Island. Ik ben er wat sceptisch over. Bijna honderd euro voor een boottocht van anderhalf uur op een meer. Maar het internet is lyrisch over dit meer en misschien ga ik spijt krijgen als ik het niet doe. Het is een redenering die veel reisgenoten volgen. De boottocht en het bezoek aan het piepkleine Spirit Island stellen lichtjes teleur. Maligne Lake is het grootste meer van de Rockies, maar afgezien van zijn omvang is het gewoon meer van hetzelfde. En op letterlijk vijf minuten heb je Spirit Island doorkruist. Het geeft me echter wel de kans om op het kleine dek van de boot uit te waaien. De omgeving gelijkt hier op de Noorse fjorden. Dus helemaal hetzelfde? Nee, dat is ook niet waar.
Interessanter is de uitleg die Simon geeft. Een Brit die in gesofistikeerd Engels alles haarfijn uitlegt. Zijn huis werd twee jaar geleden getroffen door de bosbranden. Dat is een goede zaak. Volgens hem. Hij vertelt gretig over de positieve impact van bosbranden. Ze vernietigen de oude bomen die beletten dat er nieuwe bomen en planten groeien. Het is bovendien beter voor de biodiversiteit. De oorspronkelijke bevolking hier doet dit al duizenden jaren. We moeten dus niet zomaar blind de mainstream media geloven wanneer die zeggen dat bosbranden slecht zijn. Er schuilt ongetwijfeld een grond van waarheid in. Maar wat met de dieren? Wat met de economische schade? Wat met de enorme hoeveelheid rook die de lucht in wordt gekatapulteerd? Vragen die ik naar hem wil toewerpen, maar niet doe. Ik ben niet zo vurig als hij.
De namiddag is normaal gezien voorzien voor een bezoek aan Maligne Canyon, maar dat feestje gaat dus niet door. In plaats daarvan wordt het een bezoek aan Jasper en vooral het plaatselijke wassalon. De groep voert er een collectieve wassessie uit. Ik heb dit al enkele dagen eerder gedaan in Golden. Dan maar lanterfanten in Jasper. De weinigzeggende winkelstraat is niet aan mij besteed. Ik dwaal wat verder af en ik zie het station. Dat zegt me wat meer. In het stationsgebouw hangen posters van het begin van de twintigste eeuw die Europese immigranten een nieuw leven beloven. Een boerderij met een hele lap grond. Deze mensen moesten alles letterlijk opnieuw opbouwen en ik verveel me een beetje omdat ik moet wachten op een wasbeurt. Een luxeprobleem.
Zaterdag 15 augustus
Een andere dag, een ander uitzicht op de Rocky Mountains. In Mount Robson Provincial Park ontmoeten we een ander, vriendelijker gezicht van de Rockies. Aan de vochtige westkant bevindt zich een boslandschap dat de schijn wekt dat je in de subtropen bent. Statige bomen die tientallen meters hoog zijn, een tapijt van varens aan de oever van de Robson-rivier, mossen die de plaatsen tussen de bomen bevolken en de blauwgroene rivier zelf die met veel kabaal naar beneden dendert. Het magnum opus is toch wel de kathedraal onder de bergen: Mount Robson. Deze berg mag zich de hoogste berg van de Canadese Rockies noemen. Ik geraak maar niet uitgekeken op de bergtop van deze natuurkathedraal. Het woord 'bergtop' is misschien wat ongelukkig gekozen, want een langgerekt plateau is de piek van deze berg. Ik heb wel wat geluk. De hemel is behoorlijk helder en ik heb vrij zicht op de top. Dat is een rariteit.
Ik koesterde het plan om een erg stevige dagwandeling naar Emperor Falls en weer terug te maken. In cijfers uitgedrukt: 32 km en een duizendtal hoogtemeters. Enthousiastelingen kan ik nog wel vinden, maar logistiek wordt het dan een nachtmerrie. Terug naar het oorspronkelijke plan dus: een etappe naar Kinney Lake en terug. Ook leuk. Deze route is eerder gemakkelijk en kan zelfs met de mountainbike worden afgelegd tot aan het meer. Mijn tempo is nu wat gemoedelijker met veel pauzes. Het brede bospad nodigt niet uit tot verstilling. Nochtans stop ik af en toe om de wilde Robson River te fotograferen. Bij een hangbrug over de rivier wijzigt het patroon gestaag. Kleinere bospaadjes nemen het over, soms gaat het al wat steiler omhoog, maar er wordt altijd gepauzeerd om het oogverblindende Kinney Lake te fotograferen vanuit verschillende standpunten.
Met medereiziger Erwin vorm ik vaak de kopgroep van dit wandelgezelschap en we hebben een aardige voorsprong uitgebouwd. Goed voor vijf kilometer extra – heen en terug weliswaar – op deze wandeling. Na het meer ontvouwt er zich een ander landschap dat de eerste kenmerken vertoont van een bergwereld. Via het bovenpad tref ik een beek aan die stroomt naar de lager gelegen delta, bospaadjes worden nog kleiner en steiler, de vlakte opent zich met ontelbaar veel stenen en rotsen, morenen plakken tegen Mount Robson die plots veel dichterbij aanvoelt en bij het benedenpad keren we via de droge bodem van het meer terug naar Kinney Lake. Het smaakt naar meer, maar dat zit er dus helaas niet in.
De verplichte zwemstop aan het meer laat ik aan me voorbijgaan. Ik kijk uit naar waar we vanavond verblijven: Wells Grey. We verblijven er op een ranch die uitgebaat wordt door een Canadees met Vlaamse roots die nog steeds Nederlands spreekt. De omgeving doet volgens het internet denken aan Yellowstone, maar dan zonder geisers. Ik weet niet wat ik me moet inbeelden bij een geiserloze Yellowstone. Maar ergens vind ik het ook jammer om de Canadese Rocky Mountains nu al te verlaten. Acht dagen zijn we er geweest. Ik kan hier gerust nog wel enkele dagen langer verblijven. Dan zal het wel voor een volgende keer zijn op eigen initiatief. Nu resten me nog ruim tien dagen om de rest van West-Canada te ontdekken.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten